Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8064Zaaknummer ARN 25/3164
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/3164
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
IB/PVV; zorgvuldigheidsbeginsel, IACK, niet voldaan aan de inschrijvingseis en 78-dagen eis, ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 16 oktober 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
| griffier | rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3164
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 oktober 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2023. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 juist is vastgesteld, in het bijzonder of belanghebbende recht heeft op inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op IACK. Dit betekent dat de aanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag IB/PVV 2023 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.144. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking belastingrente van € 155 in rekening gebracht.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 juni 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. [persoon 1] en mr. [persoon 2] namens de inspecteur.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 6 augustus 2026 aan belanghebbende op het adres [adres] in Vleuten, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 8 augustus 2026 aan belanghebbende bij een Phone House Vleuten is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig en op het juiste adres is aangeboden.
Feiten
1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag 1] 1980 en staat volgens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het woonadres in Vleuten.
2. Belanghebbende had in 2023 geen fiscaal partner. Belanghebbende heeft met zijn ex-partner een zoon die geboren is op [geboortedag 2] 2015.
3. De zoon van belanghebbende stond vanaf [geboortedag 2] 2019 tot en met 17 augustus 2024 ingeschreven op het woonadres van moeder in Nieuwegein, en vanaf 17 augustus 2024 bij moeder in Lisse.
4. Belanghebbende heeft op 15 juni 2024 de aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een verzamelinkomen van € 66.203 aangegeven.
5. Met dagtekening 28 maart 2025 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2023 opgelegd conform de ingediende aangifte en zonder toekenning IACK. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking belastingrente van € 155 in rekening gebracht.
6. Belanghebbende heeft op 6 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2023. Belanghebbende geeft aan dat op de aanslag IB/PVV 2023 een correctie heeft plaatsgevonden, maar voor hem niet duidelijk is welke correctie dit betreft. Belanghebbende verzoekt om een inhoudelijke toelichting.
7. De inspecteur heeft met dagtekening 28 mei 2025 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar verzonden aan belanghebbende. Hierin geeft de inspecteur aan voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen, omdat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor de IACK. De inspecteur stelt belanghebbende in de gelegenheid om gebruik te maken van het hoor- en inzagerecht.
8. De inspecteur heeft met dagtekening 17 juni 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Hij heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de inspecteur de aanslag zorgvuldig voorbereid?
9. Belanghebbende voert aan dat de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij voert aan dat sinds 2020 afzonderlijk aangifte wordt gedaan door hem en zijn ex-partner en ondanks herhaalde correcties, deze wijziging nooit effectief is verwerkt in de vooraf ingevulde gegevens door de Belastingdienst. Belanghebbende geeft aan dat de Belastingdienst niet duidelijk is geweest in de communicatie, omdat de toelichting op de correctie pas na jaren kwam.
10. De rechtbank ziet geen reden om de uitspraak op bezwaar in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel te achten. De argumenten die belanghebbende aandraagt zien vooral op eerdere belastingjaren. Die jaren liggen nu niet ter beoordeling aan de rechtbank voor. De rechtbank beoordeelt alleen de uitspraak op bezwaar van belastingjaar 2023 en die is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Heeft belanghebbende recht op IACK?
11. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op IACK, omdat hij zorgdraagt voor zijn zoon. Hij geeft aan dat sinds de beëindiging van zijn geregistreerde partnerschap met zijn ex-partner in 2019 zijn zoon ééns per twee weken in het weekend bij hem verblijft.
12. In artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is bepaald wanneer recht bestaat op IACK. Eén van de vereisten is dat een kind jonger dan 12 jaar gedurende ten minste zes maanden van een kalenderjaar in de BRP op hetzelfde woonadres staat ingeschreven als de belastingplichtige. Dit wordt ook wel de inschrijvingseis genoemd.
13. Ingevolge artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR IB 2001, tekst 2021) is bepaald dat voor de toepassing van artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001, een kind dat niet op hetzelfde adres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de BRP toch beschouwd wordt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven gedurende de periode van het kalenderjaar dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort en het kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven. Een kind behoort tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders indien hij, in een binnen het kalenderjaar doorgaans repeterend ritme, ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. Indien het kind niet gedurende het hele kalenderjaar, maar gedurende ten minste zes maanden, in elk van beide huishoudens enkele dagen verblijft, wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang gerekend.
14. De Hoge Raad heeft in het arrest van 30 september 2022[_55247787-071d-45a7-a244-dbcac86248fc] geoordeeld dat als een co-ouder in aanmerking wil komen voor de IACK en het kind niet staat ingeschreven in de BRP van die ouder, het niet nodig is dat het kind gedurende het hele kalenderjaar doorgaans ten minste drie dagen per week bij hem verblijft. Het is voldoende als dit verblijf doorgaans ten minste de helft van het jaar plaatsvindt, waarbij het niet om een aangesloten periode behoeft te gaan. Omdat het de aanslag van belastingjaar 2023 betreft, ligt hier dus de toets voor of de zoon van belanghebbende in een periode van zes maanden 78 dagen bij hem verbleef.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op IACK. De zoon van belanghebbende was in 2023 weliswaar jonger dan 12 jaar, maar stond niet ten minste zes maanden ingeschreven op het adres van belanghebbende. Hiermee is niet aan de inschrijvingseis voldaan. Dat de zorg gelijkelijk is verdeeld en sprake is van co-ouderschap is de rechtbank niet gebleken. Belanghebbende heeft verklaard geen ouderschapsplan te hebben. Met het verblijf van de zoon van ééns in de twee weken in het weekend wordt niet aan de 78-dagen eis voldaan.
16. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2023 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 16 oktober 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
| griffier | rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
- Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1345.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 44b Uitv reg IB 2001
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.