Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8063Zaaknummer ARN 25/3487

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/3487
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wettelijke handelsrente: geen voor bezwaar en beroep vatbare beslissing, terecht niet-ontvankelijk, ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 16 oktober 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. De feiten
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/3487

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 oktober 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Samenvatting

In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 maart 2024. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 maart 2024. In deze brief heeft de inspecteur het bezwaar tegen het uitblijven van de uitbetaling van de wettelijke handelsrente niet-ontvankelijk verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, en [persoon 1] en mr. [persoon 2] namens de inspecteur.

De feiten

1. Belanghebbende heeft eerder beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2018. Partijen zijn vervolgens op 5 december 2023 een compromis overeengekomen. Daarin is opgenomen dat de aanslag wordt verminderd met € 257 en dat de inspecteur de proceskosten van € 1.436,24 en het griffierecht van € 50 zal vergoeden aan belanghebbende. Belanghebbende heeft het beroep vervolgens op 6 december 2023 ingetrokken.

2. Bij e-mail van 15 januari 2024 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de proceskostenvergoeding en het griffierecht te betalen. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om betaling van de bedragen binnen 14 dagen na 18 december 2023, uiterlijk op 15 januari 2024. Hij heeft daarbij verzocht bij om de wettelijke handelsrente te vergoeden.

3. Op 23 februari 2024 heeft de inspecteur een e-mail van de gemachtigde (volgens de inspecteur met dagtekening 31 januari 2024) ontvangen waarin hij bezwaar maakt tegen het uitblijven van de betaling van (onder meer) de wettelijke handelsrente.

4. De overeengekomen proceskostenvergoeding en vergoeding voor het griffierecht zijn op 8 maart 2024 uitbetaald aan de gemachtigde.

5. De inspecteur heeft bij brief van 19 maart 2024 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking. In de brief is verder gemeld dat wettelijke handelsrente zal worden uitbetaald, omdat de kostenvergoeding later dan vier weken na dagtekening van de intrekking van het beroep is uitgekeerd. De inspecteur heeft € 17 aan wettelijke rente toegekend aan belanghebbende.

6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Volgens belanghebbende had de inspecteur de wettelijke handelsrente op een hoger bedrag moeten toekennen.

Beoordeling door de rechtbank

7. Belanghebbende heeft een compromis gesloten met de inspecteur waarbij is afgesproken dat de aanslag wordt verminderd met € 257 en dat de inspecteur de proceskosten van € 1.436,24 en het griffierecht van € 50 zal vergoeden aan belanghebbende. Partijen hebben geen afspraak gemaakt over de uitbetaling van de wettelijke handelsrente.

8. De aanslag is verminderd conform de gemaakte afspraken en het beroep richt zich niet tegen de aanslag IB/PVV 2018. Het geschil heeft dus alleen betrekking over de hoogte van de wettelijke handelsrente vanwege de niet tijdige uitbetaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht.

9. De rechtbank overweegt als volgt. In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar.

10. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht heeft geconcludeerd dat de beslissing over de betaling en de hoogte van de wettelijke handelsrente geen voor bezwaar vatbare beschikking is. Het vergoeden van wettelijke rente, omdat de proceskostenvergoeding en het griffierecht niet tijdig is betaald, vindt namelijk zijn grondslag in artikel 6:119 BW en is dus niet gebaseerd op de belastingwetgeving.

De beslissing van de inspecteur op het verzoek van belanghebbende is dus geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende zal zich daarvoor tot de civiele rechter moeten wenden.

11. Dit betekent dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 16 oktober 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.