Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Gelderland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8042Zaaknummer ARN 26/3718

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/3718
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In deze uitspraak beslist de rechtbank over het door verzoeker ingediende verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in zijn schade. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om dit verzoek te behandelen, omdat dit verzoek moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen een besluit van de staatssecretaris. Niet de rechtbank, maar de staatssecretaris moet daarover een oordeel geven.

De rechtbank:

  • verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;
  • verwijst het verzoek naar de staatssecretaris om verder als bezwaarschrift te behandelen tegen het besluit van 11 maart 2026;
  • draagt de griffier op om het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200 aan hem terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Samenvatting
  3. Wat voorafging
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Beslissing
  6. Informatie over verzet

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3718

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.N. Hellendoorn),

en

de staatssecretaris van Defensie, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. M.E. van Westen).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het door verzoeker ingediende verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in zijn schade.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om dit verzoek te behandelen, omdat dit verzoek moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen een besluit van de staatssecretaris. Niet de rechtbank, maar de staatssecretaris moet daarover een oordeel geven.

1.2.

Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.[_380be6f7-ca29-49cd-b8c5-d0c3043e83b0]

Wat voorafging

2. In deze zaak is tot en met de uitspraak door de rechtbank op hoofdlijnen het volgende gebeurd.

2.1.

Verzoeker is [rang] van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Op 29 januari 2026 reed verzoeker rond 06:30 uur op het terrein van Camp New Amsterdam. Dit is een defensiecomplex in Soesterberg waar onder meer het operatiecentrum (OPCENT) van de KMar is gevestigd. Defensie is wegbeheerder van de wegen op Camp New Amsterdam. Volgens verzoeker waren de wegen onderweg naar Camp New Amsterdam gestrooid, maar was er op Camp New Amsterdam niet gestrooid. Verzoeker zegt dat zijn auto in de bocht bij het gebouw van OPCENT door gladheid uit de bocht gleed en tot stilstand kwam tegen een kei. Hierdoor had de auto van verzoeker schade en moest deze worden weggesleept.

2.2.

Verzoeker heeft op 10 februari 2026 bij de staatssecretaris gemeld dat hij als gevolg van het (eenzijdig) ongeval op 29 januari 2026 schade had aan zijn voertuig. Hij heeft daarbij verzocht om zijn schade te vergoeden.

2.3.

Met een e-mailbericht van 11 maart 2026 heeft de staatssecretaris aansprakelijkheid afgewezen en laten weten dat hij daarom de schade van verzoeker niet zal vergoeden.

2.4.

Met een e-mailbericht van 14 maart 2026 heeft verzoeker aan de staatssecretaris laten weten het hiermee niet eens te zijn. Verzoeker en de staatssecretaris hebben vervolgens daarover verder gecorrespondeerd waarna verzoeker deze verzoekschriftprocedure is gestart.

Beoordeling door de rechtbank

3. Verzoeker en de staatssecretaris nemen – kort gezegd – de volgende standpunten in.

3.1.

Verzoeker vraagt aan de rechtbank om de staatssecretaris te veroordelen in zijn schade als gevolg van het ongeval op 29 januari 2026. Verzoeker vindt dat de staatssecretaris zijn zorgplicht heeft geschonden door niet of onvoldoende aan gladheidsbestrijding te doen, waardoor het hiervoor genoemde ongeval heeft plaatsgevonden.

3.2.

De staatssecretaris vindt dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, omdat volgens hem de burgerlijke rechter bevoegd is om over de zaak te oordelen.

4. De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.

4.1.

Verzoeker is als [rang] van de KMar militair ambtenaar.[_6c010eb3-e90a-448e-912b-3d2c3f658547] Tussen verzoeker en de staatssecretaris is niet in geschil dat de schade is ontstaan bij de vervulling van de aan verzoeker opgedragen dienst.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft een overheidswerkgever tegenover de ambtenaar een zorgplicht.[_f8e12b79-e4b0-42bc-b2c9-f727d8eb3f59] In eveneens vaste rechtspraak heeft de Raad geoordeeld dat de zorgplicht inhoudt dat de overheidswerkgever de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.[_071be584-3ab8-44de-81de-020f3ba2a464]

4.3.

In de hiervoor genoemde rechtspraak is als norm geformuleerd dat de ambtenaar recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden als de overheidswerkgever zijn zorgplicht schendt. Geen recht op vergoeding bestaat indien de overheidswerkgever aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.4.

De rechtspositie van militair ambtenaren is geregeld in de Wet ambtenaren defensie en een aantal daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur. Een van die algemene maatregelen van bestuur is het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Als de ambtelijke rechtspositie geen bijzondere regeling bevat voor het vergoeden van schaden, dan moet daarvoor de verzoekschriftprocedure worden gevolgd.[_d2752c73-69f2-4a57-9d08-6298152299c2] Maar het AMAR bevat een specifieke regeling waarin staat dat de staatssecretaris de militair naar billijkheid schadeloos kan stellen voor schaden.[_5114d5ca-1907-4306-aa5f-564681c3bb0a] Deze regeling moet dus worden toegepast in het geval van verzoeker.[_adac96a8-04eb-4736-8fc5-1749bfb0542c] Deze specifieke wettelijke regeling in het AMAR gaat namelijk voor op de algemene regeling in de Algemene wet bestuursrecht.[_91620737-cc7c-4856-8aee-4b8072e276c8] Dit betekent dus dat verzoeker een aanvraag bij de staatssecretaris moet indienen om toepassing te geven aan de schadevergoedingsregeling uit het AMAR. Als verzoeker het niet eens is met het daarop door de staatssecretaris genomen besluit, kan hij daartegen bezwaar maken (bij de staatssecretaris) en vervolgens beroep instellen (bij de bestuursrechter).[_9da2a97f-9145-4fba-9cd4-00f47ce8e2f0]

4.5.

De staatssecretaris heeft dus gelijk dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over het verzoek van verzoeker, maar niet om de door hem genoemde reden. De burgerlijke rechter kan in een geval als dit alleen optreden als ‘restrechter’, wat betekent dat hij alleen bevoegd is om over het verzoek te beoordelen als de hiervoor bedoelde in het AMAR opgenomen regeling niet met voldoende waarborgen is omkleed. Daarmee wordt met name bedoeld dat verzoeker toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Die toegang is gewaarborgd. Want als de staatssecretaris besluit om geen schade te vergoeden, dan kan een militair ambtenaar daartegen bezwaar maken bij de staatssecretaris en daarna in beroep (en hoger beroep) bij de bestuursrechter.

4.6.

In de zaak van verzoeker betekent dit het volgende. De (in overweging 2.2. genoemde) melding van verzoeker van 10 februari 2026 moet worden aangemerkt als een aanvraag om toepassing te geven aan de in het AMAR opgenomen schadevergoedingsregeling. De rechtbank is van oordeel dat de (in overweging 2.3. genoemde) e-mail van 11 maart 2026 van de staatssecretaris moet worden gelijkgesteld met een besluit,[_6fd290a0-2a5c-42f7-8c28-94cc9e3965a6] inhoudende een afwijzing van deze aanvraag. Het (in overweging 2.4. genoemde) e-mailbericht van 14 maart 2026 van verzoeker moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen die afwijzing. De nadien door en namens verzoeker aan de staatssecretaris en de rechtbank toegezonden stukken zijn dientengevolge een (schriftelijke) aanvulling van dat bezwaar. De rechtbank zal het door verzoeker bij de rechtbank ingediende verzoek om schadevergoeding daarom verwijzen naar de staatssecretaris om verder als bezwaarschrift te behandelen tegen het besluit van 11 maart 2026.[_c5b0ea9b-e041-4c58-b2f0-07b9f2a539e5]

4.7.

In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen zonder een zitting te houden als zij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.[_f6932f51-19a2-4cad-94b7-4da97a854355] Die situatie doet zich hier voor; de rechtbank acht zich dus kennelijk onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Voor dat oordeel is van belang dat de onbevoegdheid van de rechtbank volgt uit de hiervoor besproken wettelijke bepalingen. Een eventueel te houden zitting bij de rechtbank kan daarin geen verandering brengen.

4.8.

Ter voorlichting aan partijen merkt de rechtbank nog op dat tegen de door de staatssecretaris nog te nemen beslissing op bezwaar door verzoeker beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank Den Haag.[_cd8d529e-18a3-4cda-8f0c-4a8f39013206]

5. Over het door verzoeker gedane verzoek om proceskostenvergoeding zal de staatssecretaris zich moeten uitlaten in de door hem nog te nemen beslissing op bezwaar. Voor het in behandeling nemen van een bezwaarschrift is geen (griffie)recht verschuldigd.[_62077064-e484-4a9d-9747-2d0c31ed09a8] Dit betekent dat het door verzoeker betaalde griffierecht (in verband met de door hem gestarte verzoekschriftprocedure) aan hem moet worden terugbetaald. De rechtbank zal daarvoor opdracht geven aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;
  • verwijst het verzoek naar de staatssecretaris om verder als bezwaarschrift te behandelen tegen het besluit van 11 maart 2026;
  • draagt de griffier op om het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200 aan hem terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

  1. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
  2. Zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie.
  3. Centrale Raad van Beroep 16 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:934, overweging 4.1.
  4. Centrale Raad van Beroep 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072, en Centrale Raad van Beroep 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98, overweging 4.1.1.
  5. Centrale Raad van Beroep 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5106, overweging 4.4., en Centrale Raad van Beroep 31 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3010, overweging 4.2.
  6. Artikel 115 van het AMAR.
  7. Vergelijk Centrale Raad van Beroep 5 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3657.
  8. Zo volgt uit onder andere Centrale Raad van Beroep 29 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:543.
  9. Artikel 8:1 in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.
  10. Op grond van artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
  11. Artikel 6:15 van de Awb.
  12. Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, overweging 2.3.1.
  13. Artikel 8:7, derde lid van de Awb in samenhang gelezen met artikel 6 van Bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak).
  14. Artikel 7:15, eerste lid, van de Awb.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.