Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7999Zaaknummer ARN 25/6351

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/6351
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het gaat om het niet in behandeling nemen van een handhavingsverzoek gericht tegen de (ver)plaatsing van een ooievaarspaal door een tennisvereniging. De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar van eisers hiertegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eisers zijn geen belanghebbenden bij het handhavingsverzoek. Geen aangrenzende percelen en geen gevolgen van enige betekenis. Daarmee is het handhavingsverzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Geen sprake van schending van de hoorplicht. Het college heeft eisers eerder, in een andere procedure met betrekking tot de ooievaarspaal, al in de bezwaarfase gehoord. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser 1] , eiser 1
  2. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] .
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Waar gaat deze zaak over?
  6. Beoordeling door de rechtbank
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/6351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1

[eiser 2], eiseres 2

[eiser 3], eiseres 3

[eiser 4], eiser 4

[eiser 5], eiser 5

allen uit [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. W. Leistra),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen het (ver)plaatsen van een ooievaarspaal nabij de [adres 1] in Gorssel. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt maar dat bezwaar is door het college niet-ontvankelijk verklaard. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring en/of het handhavingsverzoek.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen belanghebbende zijn en dat het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet is gebleken dat eisers gevolgen van enige betekenis ondervinden van de (ver)plaatsing van de ooievaarspaal. Het beroep is ongegrond en eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 25 april 2025 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juni 2025 niet-ontvankelijk verklaard, althans geconcludeerd dat geen sprake was van een aanvraag omdat eisers geen belanghebbende zijn. Met het bestreden besluit van 7 november 2025 heeft het college het door eisers ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

Dit beroep zou behandeld worden op 20 augustus 2025. Op verzoek van eisers is de behandeling toen aangehouden, met het oog op een lopende hogerberoepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).[_6ea7f696-d150-4b2a-990a-4637f2379ed3]

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en [persoon 1] en [persoon 2] namens de [derde-partij].

2.4.

Na sluiting van het onderzoek heeft eiser 1 op 17 augustus 2026 nog aanvullende stukken naar de rechtbank gezonden. Het gaat om de bij Woo-besluit van 2 augustus 2023 (2023-278412) openbaar gemaakte documenten. Volgens eiser 1 is een van die documenten door middel van openbare kennisgeving geantedateerd, en daarmee onterecht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem (college) gebruikt ter onderbouwing van het standpunt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter heropenen om dit stuk of de andere nagezonden stukken in deze beroepsprocedure te betrekken.

Waar gaat deze zaak over?

3. De [derde-partij] is gevestigd aan de [adres 1] in Gorssel. Tot de gronden behoren de kadastrale percelen bekend als gemeente Gorssel, sectie [x], [nummer 1] en [nummer 2]. De tennisbanen en het clubgebouw zijn gelegen op perceel [nummer 1]. Op perceel [nummer 2] staat een ooievaarspaal. Eisers zijn omwonenden van het terrein van de [derde-partij]. Zij wonen op verschillende percelen aan de [adres 2].

3.1.

In aanvulling op de tennisbanen wil de [derde-partij] twee padelbanen realiseren. Met het oog op mogelijke (ver)bouwwerkzaamheden, heeft de [derde-partij] in februari 2023 de ooievaarspaal circa 30-35 meter laten verplaatsen en in hoogte een aantal meters ingekort. Hiervoor heeft zij de hulp ingeschakeld van de vogelwerkgroep IJsselstreek.

3.2.

Op 13 februari 2025 heeft het college aan de [derde-partij] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een ooievaarspaal op het perceel [nummer 2] in Gorssel. Eisers hebben hier bezwaar tegen gemaakt, omdat volgens hen de vergunde locatie veel minder geschikt is dan de locatie waar de ooievaarspaal zich eerder bevond. Zij verzoeken het college dan ook om handhavend op te treden in de zin, dat de oorspronkelijke situatie wordt hersteld. Dat wil zeggen dat de ooievaarspaal met een oorspronkelijke hoogte van 7,5 meter weer op de oorspronkelijke locatie op perceel [nummer 2] wordt geplaatst.

3.3.

Het college concludeert op 13 juni 2025 dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek om handhavend op te treden tegen de verplaatsing van de ooievaarspaal en komt daarom aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet toe. Met de beslissing van 7 november 2025 en in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften van 14 oktober 2025,[_b80a0b65-9204-4fbb-9208-f1eeacc921b5] heeft het college het door eisers ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eisers komen hiertegen in beroep.

Beoordeling door de rechtbank

Zijn eisers belanghebbende bij hun verzoek om handhaving?

4. Eisers betogen dat het bestaan van de nodige omgevingsvergunningen voor de verplaatsing van de ooievaarspaal het besluit van de niet-ontvankelijkheid niet kan dragen. Eisers voeren aan dat de door het college van gedeputeerde staten van Gelderland en het college verleende vergunningen[_91aeb9ec-6238-4e7f-ad7b-850a7c39c8dc] nog niet in rechte vaststaan. Zij verzoeken daarom om beoordeling van de rechtmatigheid en doelmatigheid van deze vergunningen. Eisers betogen verder dat zij bewoners zijn van aangrenzende of daarmee gelijk te stellen percelen. Zij wonen op korte afstand van de ooievaarspaal en hebben er (deels) zicht op. Er is dus sprake van gevolgen van enige betekenis. Eisers lichten per perceel toe hoe het perceel ligt ten opzichte van de ooievaarspaal en waarom (dus) sprake is van belanghebbendheid. Daarnaast lijken eisers nog te betogen dat hun belanghebbendheid voortvloeit uit het aanhaken van het verplaatsen van het ooievaarsnest bij de destijds aangevraagde en verleende vergunning voor de aanleg van twee padelbanen en uit een volgens hen onzorgvuldig onderzoek in het kader van een handhavingsverzoek uit 2023.

4.1.

Het college stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring van eisers niet is gebaseerd op de aanwezigheid van de benodigde omgevingsvergunningen. Dat staat niet in de brief van 12 juni 2025 en ook niet in het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 7 november 2025. Over de verleende omgevingsvergunningen lopen op dit moment separate juridische procedures. Het college betwist dat zij de niet-ontvankelijkheid onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Het college heeft daarbij ook verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 februari 2025,[_c28f0f12-7543-4841-b3c2-a50609d02c50] die betrekking had op de door gedeputeerde staten van Gelderland verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op diezelfde locatie. In die uitspraak heeft de voorlopige voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaard. Tot slot gaat het college per adres (nogmaals) in op de opmerkingen van eisers over aangrenzende percelen en de afstanden.

4.2.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

4.3.

Artikel 1:3, derde lid, luidt: "Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

4.4.

Het verzoek van eisers om vanwege aantasting van hun woongenot handhavend op te treden tegen de herplaatsing van de ooievaarspaal, kan slechts worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb als het is ingediend door belanghebbenden.

4.5.

Het is vaste rechtspraak dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [_32ddba54-a091-48e0-bf3b-3564955fc0ea]

4.6.

Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit is. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.[_da50d330-1e94-49af-8613-8937e279e96b]

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat uit het bestreden besluit blijkt dat het college de niet-ontvankelijkheid niet (uitsluitend) heeft gebaseerd op de verlening van omgevingsvergunningen voor de (ver)plaatsing van de ooievaarspaal. Het college heeft uitgebreid gemotiveerd dat eisers geen belanghebbende zijn bij het handhavingsverzoek zodat geen sprake is van een besluit en het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is.

4.8.

De rechtbank oordeelt dat het college ook terecht tot die conclusie is gekomen. Er is namelijk niet gebleken dat eisers daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis ondervinden van de verplaatsing van de ooievaarspaal. De percelen van eisers grenzen niet aan het kadastrale perceel van de ooievaarspaal, perceel [nummer 2]. De rechtbank ziet in dat wat eisers aanvoeren geen reden om de percelen [nummer 1] en [nummer 2] voor deze beoordeling als één perceel te beschouwen. Overigens grenst ook geen van de percelen van eisers direct aan perceel [nummer 1]. Dit betekent dat er niet van hoeft te worden uitgegaan dat eiseres enige gevolgen van betekenis ondervinden van de plaatsing van de ooievaarspaal. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de ooievaarspaal ‘gevolgen van enige betekenis’ zal hebben op de woon- en leefomgeving van eisers.

4.9.

De woningen van eisers liggen alle hemelsbreed op een afstand van ongeveer 108 tot 190 meter tot de ooievaarspaal. Tussen de percelen van eisers en de ooievaarspaal bevindt zich daarnaast nog de [adres 2] (op nummer [adres 3] na) en sportvelden (voetbal- en/of tennisvelden). Rond de woningen van eisers is veel opgaand groen dat het zicht richting de ooievaarspaal in zekere mate belemmert. De ooievaarspaal is direct tegen deze begroeiing geplaatst en steekt qua hoogte niet boven de begroeiing uit. Door de afstand tussen de percelen van eisers en de (nieuwe) locatie van de ooievaarspaal, en de aard van de inrichting en begroeiing van het tussenliggende terrein, wordt de ooievaarspaal grotendeels aan het zicht onttrokken/ gaat de ooievaarspaal op in de omgeving omdat hij als het ware deel uitmaakt van het beeld van verticale (boom- en struik)stammen.

4.10.

Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de (nieuwe) locatie van de ooievaarspaal leidt tot zodanige vliegbewegingen en kleppergeluid van de ooievaars, dat hun woon- en leefgenot daaronder zou lijden. Het vliegen, foerageren en ‘klepperen’ is natuurlijk gedrag van ooievaars en wordt door eisers, zo blijkt uit het aanvullend beroepschrift, overigens juist ook gewaardeerd.

4.11.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het college de hoorplicht geschonden?

5. Eisers betogen dat zij zijn benadeeld in hun bezwaar- en beroepsmogelijkheden omdat zij niet zijn gehoord door de commissie bezwaarschriften.

5.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de commissie bezwaarschriften terecht en voldoende gemotiveerd heeft afgezien van het horen van eisers. De voorzitter heeft gemeend dat bezwaarden niet hoefden te worden gehoord tijdens een hoorzitting, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzitter heeft daarom de commissie geadviseerd advies uit te brengen zonder bezwaarden te horen.

5.2.

Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."

5.3.

Artikel 7:3, aanhef en onder a, van die wet luidt: "Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is."

5.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag van het horen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.[_145150cb-4272-4d7f-8cc9-a724227c05dd]

5.5.

Het college heeft er in dit geval redelijkerwijs niet aan hoeven te twijfelen dat eisers geen belanghebbende zijn bij het handhavingsverzoek. Op 31 juli 2025 heeft het college de bezwaren van eisers in de zaak met zaaknummer ARN 25/4089 niet-ontvankelijk verklaard. In die zaak maakten eisers gezamenlijk bezwaar tegen de omgevingsvergunning die door het college was verleend voor verplaatsing van de ooievaarspaal waarop het handhavingsverzoek in onderhavige procedure ziet. Het college heeft eisers in die procedure op 8 juli 2025 in de bezwaarfase gehoord over hun belanghebbendheid. Het college kon daarom in deze procedure afzien van het horen.

5.6.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Het hoger beroep was gericht tegen de uitspraak van 11 februari 2025 (ARN 25/158 en ARN 25/159) waarin de voorlopige voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het college van Gedeputeerde Staten eiser 1 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen een verleende omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit.. De Afdeling heeft op 3 juni 2026 het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
  2. De commissie heeft in zijn advies geconcludeerd dat eisers niet ontvankelijk zijn. Er ontbreekt een persoonlijk belang (geen belanghebbendheid vanwege ontbreken gevolgen van enige betekenis en ontbreken procesbelang).
  3. De omgevingsvergunning van 22 juli 2024 voor een flora- en fauna-activiteit respectievelijk de omgevingsvergunning van 13 februari 2025 voor het plaatsen van de ooievaarspaal op de huidige locatie.
  4. Zaaknummers ARN 25/158 en ARN 25/159.
  5. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284, en van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1077.
  6. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.
  7. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1627 en 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3637.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.