Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7997Zaaknummer ARN 24/5922

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 24/5922
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het gaat om het neerhalen en elders plaatsen van een ooievaarspaal door een tennisvereniging. Volgens eiser is sprake van overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Beroep in kader van afwijzing handhavingsverzoek gegrond. Eiser is onterecht als belanghebbend aangemerkt. Gelet op de afstand van de oude en de nieuwe locaties van de ooievaarspaal tot de woning van eiser en de aard van de inrichting en de begroeiing van het tussenliggende terrein, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de locaties van de ooievaarspaal enige ruimtelijk uitstraling zullen hebben op het woon- en leefgenot van eiser. Handhavingsverzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het bezwaar ertegen niet-ontvankelijk is. Rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en voorziet zelf in de zaak. Vergoeding griffierecht en proceskosten.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 17 juli 2024;
  • verklaart het bezwaar tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 17 juli 2024;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] .
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/5922

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Leistra),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland

(gemachtigde: mr. M. Vermeulen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het college van een handhavingsverzoek in het kader van het herplaatsen, en daarmee neerhalen en vernielen, van een ooievaarspaal door de [derde-partij], zonder de daarvoor vereiste ontheffing. Eiser is het met dit besluit niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van zijn verzoek.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belanghebbende is en dat het college dus onterecht op het verzoek van eiser heeft besloten. Het beroep is gegrond, maar eiser krijgt geen gelijk. Het college had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 19 december 2023 heeft het college, in reactie op het handhavingsverzoek van eiser, besloten om met een last onder dwangsom handhavend op te treden tegen het zonder ontheffing verplaatsen van een ooievaarspaal binnen het broedseizoen. Bij besluit van 18 januari 2024 heeft het college besloten om de opgelegde last onder dwangsom op te schorten tot 1 oktober 2024.

2.1.

Met het bestreden besluit van 17 juli 2024 op het bezwaar van eiser, heeft het college het eerdere besluit ingetrokken en opnieuw besloten op het handhavingsverzoek. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het handhavingsverzoek afgewezen.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De [derde-partij] heeft ook schriftelijk gereageerd.

2.3.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[_f3b26851-ccfb-4573-a49b-a6c4c50ce28d]

2.4.

Na sluiting van het onderzoek heeft eiser op 17 augustus 2026 nog aanvullende stukken naar de rechtbank gezonden. Het gaat om de bij Woo-besluit van 2 augustus 2023 (2023-278412) openbaar gemaakte documenten. Volgens eiser is een van die documenten[_c9dd8975-126e-4a34-97a1-53d2df2d9a68] door middel van openbare kennisgeving geantedateerd, en daarmee onterecht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem (college) gebruikt ter onderbouwing van het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter heropenen om dit stuk of de andere nagezonden stukken in deze beroepsprocedure te betrekken.

Waar gaat de zaak over?

3. De [derde-partij] is gevestigd aan de [adres 1] in Gorssel. Tot de gronden behoren de kadastrale percelen bekend als gemeente Gorssel, sectie [x], [nummer 1] en [nummer 2]. De tennisbanen en het clubgebouw zijn gelegen op perceel [nummer 3]. Op perceel [nummer 2] staat een ooievaarspaal. Eiser is omwonende van het terrein van de [derde-partij]. Hij woont aan de [adres 2].

3.1.

In aanvulling op de tennisbanen wil de [derde-partij] twee padelbanen realiseren. Zij heeft in dat kader ook een omgevingsvergunning aangevraagd. Met het oog op mogelijke (ver)bouwwerkzaamheden, heeft de [derde-partij] in februari 2023 de ooievaarspaal circa 30 meter laten verplaatsen en in hoogte een aantal meters ingekort. Hiervoor heeft zij de hulp ingeschakeld van de vogelwerkgroep IJsselstreek. De ooievaarspaal is verplaatst door de beheerder van het ooievaarsdorp in Gorssel.

3.2.

Op 13 april 2023 heeft eiser naar aanleiding van de herplaatsing van de ooievaarspaal een handhavingsverzoek bij het college ingediend.

3.3.

Met het besluit van 19 december 2023 heeft het college aan de [derde-partij] een last onder dwangsom opgelegd, omdat het zonder ontheffing neerhalen en vernielen van een ooievaarsnest een overtreding is van de Wet natuurbescherming.[_a2e1a9ed-ae76-484c-a38d-c1c2c0a79681] Daarnaast heeft het college geconcludeerd dat de [derde-partij] in het kader van haar zorgplicht voorafgaand aan de verplaatsing onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de mogelijke gevolgen van de verplaatsing.[_b78724f5-4ee1-401d-a609-05117dee03d6]

3.4.

Op 16 januari 2024 heeft de [derde-partij] bij het college alsnog een aanvraag ingediend voor een flora- en fauna-activiteit in de zin van de Omgevingswet (Ow).[_5d58dafb-ee52-48a5-84c6-70034c190728] Gelet op deze aanvraag en de mogelijkheid tot legalisering van de situatie, heeft het college op 18 januari 2024 besloten om de last onder dwangsom ‘op te schorten’ tot 1 oktober 2024.

3.5.

Eiser heeft op 25 januari 2024 bezwaar gemaakt tegen zowel de oplegging als de opschorting van de last onder dwangsom.

3.6.

In de beslissing op bezwaar van 17 juli 2024 heeft het college, na volledige heroverweging, het besluit van 18 januari 2024 ingetrokken en het aldus weer voorliggende handhavingsverzoek vanwege zicht op legalisatie afgewezen.

3.7.

Eiser is het niet eens met dit besluit en is daarom op 28 augustus 2024 hiertegen in beroep gegaan. Dit beroep staat in deze procedure centraal.

3.8.

Overigens is de verzochte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van een ooievaarsnest door het verwijderen van een ooievaarspaal door het college bij besluit van 22 juli 2024 verleend. Nadat het college het door eiser daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 3 december 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep in haar uitspraak van 11 februari 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet belanghebbend is bij de omgevingsvergunning. Eiser heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.[_7fe5be84-9471-4261-a737-80c3373b9d78]

Beoordeling door de rechtbank

Is eiser belanghebbende bij zijn verzoek om handhaving?

4. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser belang heeft bij zijn handhavingsverzoek.

4.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontvankelijkheid van het bezwaar heeft ten tijde van de beslissing op bezwaar weliswaar niet ter discussie gestaan, maar de bestuursrechter dient ambtshalve te toetsen of sprake is van belanghebbendheid.

4.2.

Eiser betwist dat hij geen belanghebbende zou zijn. Daartoe voert hij allereerst aan dat zijn belanghebbendheid in de bezwaarfase niet ter discussie stond. Dat heeft de Commissie Rechtsbescherming ook geconcludeerd in haar advies, zodat eiser erop mocht vertrouwen dat zijn belanghebbendheid niet meer in twijfel zou worden getrokken. Daarnaast voert eiser aan dat aan de vereisten wordt voldaan om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te worden aangemerkt. Hij ondervindt rechtstreeks feitelijke gevolgen die van enige betekenis zijn. Immers, de woning van eiser bevindt zich op minder dan 100 meter van de ooievaarspaal en eiser heeft ook zicht op de ooievaarspaal. Daarnaast ervaart eiser gevolgen van de ooievaarspaal omdat de ooievaars regelmatig luid klepperen, foerageren en vliegen in de directe omgeving van het ooievaarsnest en dus in de directe omgeving van zijn woning. Deze gevolgen zijn volgens eiser een substantiële aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Immers, door de verplaatsing van de ooievaarspaal staat deze nu dichter bij zijn woning, waardoor eiser aanzienlijk meer geluidsoverlast ervaart en zal ervaren van de klepperende ooievaars. Ook de constatering dat de ooievaarspaal sinds de verplaatsing niet meer wordt bewoond, maakt volgens eiser duidelijk dat hij wel degelijk gevolgen heeft ondervonden en ondervindt van de ooievaarspaal. Tot slot merkt eiser op dat in geval van twijfel over de vraag of de hiervoor geschetste gevolgen van enige betekenis zijn, hem het voordeel van de twijfel toekomt in de zin dat hij als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt. Ter onderbouwing wijst eiser op uitspraken van de Afdeling van 10 maart 2021[_a4caa5f3-ac70-42dc-95b1-bf7864270ab0] en 28 december 2022.[_16402d21-8676-433a-8e6a-08260854deea]

4.3.

Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb volgt dat het college op een handhavingsverzoek alleen een besluit kan nemen als het verzoek een aanvraag is. Dat wil zeggen dat het om een verzoek moet gaan dat door een belanghebbende is gedaan. Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

4.4.

Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het betrokken besluit ontbreekt. Specifiek voor de situatie waarin het gaat om activiteiten die de soortenbescherming via de Wet natuurbescherming raken heeft de Afdeling overwogen dat voor de beoordeling of eiser belanghebbende is bepalend is of de activiteit ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van eiser.[_6dc47012-a4d2-4deb-8766-31b3b445d8cf]

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026 in het hoger beroep tegen de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, is eiser geen belanghebbende bij de (verplaatsing van de) ooievaarspaal. Daarvoor is van belang dat de afstand van de woning van eiser tot de oude locatie van de ooievaarspaal ongeveer 120 meter bedroeg. De nieuwe ooievaarspaal staat op circa 100 meter van de woning van eiser.[_7db080e3-830a-4be5-a1ad-362a4aaf29bc] In beide situaties is tussen de woning van eiser en de locatie van de ooievaarspaal een asfaltweg gelegen met aangrenzend een strook hooggroeiende beplanting en daarachter voetbalvelden en weer een strook hoogopgaande beplanting. Gelet op de afstand van de oude en de nieuwe locaties van de ooievaarspaal tot de woning van eiser en de aard van de inrichting en de begroeiing van het tussenliggende terrein, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de locaties van de ooievaarspaal enige ruimtelijk uitstraling zullen hebben op het woon- en leefgenot van eiser. Dat er vanuit ruimten in de woning, waaronder de dakramen op de eerste verdieping, enig zicht is op de paal is onvoldoende om die ruimtelijke uitstraling aan te nemen. Daarnaast is ook het vliegen, foerageren en klepperen van de ooievaars geen reden om aantasting van het woon- en leefgenot aan te nemen. Dit natuurlijke, bij ooievaars horende gedrag is niet continu aanwezig en gaat op in de andere geluiden in de directe omgeving, zoals voortgebracht door andere (huis)dieren en bedrijvigheid op de tennisbanen en voetbalvelden. Bovendien is er de laatste jaren geen nest geweest op de ooievaarspaal, zodat van het veelvuldig af- en aanvliegen van ooievaars naar de nestpaal al langere tijd geen sprake is.

4.6.

De rechtbank oordeelt dat eiser daarom geen rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt bij de beslissing op zijn verzoek om handhaving. Het handhavingsverzoek was dan ook geen aanvraag van een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college had daarom het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van daarop inhoudelijk te beslissen. Het beroep is daarom gegrond.

4.7.

Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank niet toe.

4.8.

Dat het college eiser eerder in deze procedure wel als belanghebbende heeft beschouwd, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De vraag of iemand belanghebbende is bij een besluit is een zaak van openbare orde. Dat betekent dat de bestuursrechter ambtshalve moet beoordelen of eiser belanghebbende is bij het handhavingsverzoek.

4.9.

Ook het betoog van eiser dat hem het voordeel van de twijfel toekomt slaagt niet. De rechtbank twijfelt namelijk niet over haar conclusie dat eiser geen rechtstreekse feitelijke gevolgen van de herplaatste ooievaarspaal ondervindt.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het college eiser ten onrechte als belanghebbend heeft aangemerkt bij zijn handhavingsverzoek. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar.

5.1.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. Het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 19 december 2023 zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar.

5.2.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De hoogte van de proceskostenveroordeling stelt de rechtbank vast met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt aan eiser een bedrag van € 934,- toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 1). De rechtbank veroordeelt het college in deze kosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 17 juli 2024;
  • verklaart het bezwaar tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 17 juli 2024;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
  2. “6. Mail opname [adres 3] 4 juli 2023 en 6 juli 2023.pdf”
  3. Tot 1 januari 2024 was voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van vogels een ontheffing nodig op grond van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
  4. Artikel 1.11 van de Wnb.
  5. Artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Ow.
  6. ECLI:NL:RVS:2026:3185.
  7. ECLI:NL:RVS:2021:499.
  8. ECLI:NL:RVS:2022:3936.
  9. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226.
  10. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3185, r.o. 6.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.