Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7996Zaaknummer ARN 23/7962

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 23/7962
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het gaat om het neerhalen en elders plaatsen van een ooievaarspaal door een tennisvereniging. Volgens eiser is sprake van overtreding van de Wabo. Bezwaar van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn handhavingsverzoek, is door het college terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belanghebbende is, omdat niet is gebleken dat hij daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis ondervindt van de verplaatsing van de ooievaarspaal. Daarmee is het handhavingsverzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] .
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Waar gaat deze zaak over?
  6. Beoordeling door de rechtbank
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 23/7962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Leistra),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om het handhavingsverzoek van eiser in behandeling te nemen, omdat hij geen belanghebbende zou zijn bij de activiteiten rondom het verwijderen en verplaatsen van een ooievaarspaal. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt maar dat bezwaar is door het college niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van eiser.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belanghebbende is en dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 13 april 2023 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend dat gericht was tegen het neerhalen van een ooievaarspaal om deze elders te plaatsen. Na de ingebrekestelling van 1 juli 2023 heeft het college op 7 juli 2023 besloten om het verzoek niet in behandeling te nemen, omdat eiser geen belanghebbende zou zijn.

2.1.

Met het bestreden besluit van 22 november 2023 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het college blijft bij zijn standpunt dat eiser geen belanghebbende is bij de activiteiten rond het ooievaarsnest.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De [derde-partij] heeft ook schriftelijk gereageerd.

2.3.

Dit beroep zou behandeld worden op 20 augustus 2025. Op verzoek van eiser is de behandeling toen aangehouden, met het oog op een lopende hogerberoepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).[_b09890e8-2179-48e2-9a1a-3e8b0d312b09]

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en [persoon 1] en [persoon 2] namens de [derde-partij].

2.5.

Na sluiting van het onderzoek heeft eiser op 17 augustus 2026 nog aanvullende stukken naar de rechtbank gezonden. Het gaat om de bij Woo-besluit van 2 augustus 2023 (2023-278412) openbaar gemaakte documenten. Volgens eiser is een van die documenten door middel van openbare kennisgeving geantedateerd, en daarmee onterecht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem (college) gebruikt ter onderbouwing van het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter heropenen om dit stuk of de andere nagezonden stukken in deze beroepsprocedure te betrekken.

Waar gaat deze zaak over?

3. De [derde-partij] is gevestigd aan de [adres 1] in Gorssel. Tot de gronden behoren de kadastrale percelen bekend als gemeente Gorssel, sectie [x], [nummer 1] en [nummer 2]. De tennisbanen en het clubgebouw zijn gelegen op perceel [nummer 3]. Op perceel [nummer 2] staat een ooievaarspaal. Eiser is omwonende van het terrein van de [derde-partij]. Hij woont aan de [adres 2].

3.1.

In aanvulling op de tennisbanen wil de [derde-partij] twee padelbanen realiseren. Met het oog op mogelijke (ver)bouwwerkzaamheden, heeft de [derde-partij] in februari 2023 de ooievaarspaal circa 30-35 meter laten verplaatsen en in hoogte een aantal meters ingekort. Hiervoor heeft zij de hulp ingeschakeld van de vogelwerkgroep IJsselstreek.

3.2.

Op 13 april 2023 heeft eiser naar aanleiding van het neerhalen en verplaatsen van een ooievaarspaal een handhavingsverzoek bij het college ingediend. Volgens eiser is sprake van overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), omdat een omgevingsvergunning voor deze activiteit ontbreekt.

3.3.

Op 1 juli 2023 heeft eiser het college in gebreke gesteld omdat het nog geen besluit had genomen op zijn handhavingsverzoek.

3.4.

In het besluit van 7 juli 2023 heeft het college toegelicht dat hij het handhavingsverzoek niet eerder heeft gezien dan met het bericht van eiser van 1 juli 2023. Het college heeft daarnaast besloten om het verzoek van eiser niet in behandeling te nemen, omdat eiser geen belanghebbende (in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) is bij het handhavingsverzoek.

3.5.

Met het besluit van 22 november 2023, en in navolging van het advies van de Commissie Bezwaarschriften, heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het college blijft bij zijn standpunt dat eiser geen belanghebbende is bij de activiteiten rond het ooievaarsnest. Zodoende is de brief van 7 juli 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

3.6.

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser op 18 december 2023 beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiser belanghebbende bij zijn verzoek om handhaving?

4. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt. Daartoe voert hij aan dat hij rechtstreekse feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt van de ooievaarspaal. Eiser woont op minder dan 100 meter van de huidige locatie van de ooievaarspaal en heeft in alle seizoenen zicht op de ooievaarspaal. Daarnaast ervaart eiser gevolgen van het kleppergeluid en het vliegen en foerageren door de ooievaars in de directe omgeving van de ooievaarspaal en de weilanden rondom zijn woning. Door de verplaatsing van de ooievaarspaal is deze nu op een kortere afstand van eisers woning gelegen. Volgens eiser is daardoor het kleppergeluid toegenomen en is zijn woongenot in negatieve zin aangetast. Met de verplaatsing van de ooievaarspaal is de directe woon- en leefomgeving van eiser beïnvloed door de versterkte planologische uitstraling en de toename van de milieugevolgen. Met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 16 maart 2016 [_fd749ed6-d7bf-472e-87be-01d47c79adc0] en 28 december 2022,[_f912d6fb-22f5-4ef3-8702-8127f20cfd01] betoogt eiser dat hij voldoet aan het in de jurisprudentie geformuleerde criterium voor het aannemen van belanghebbendheid. Daarnaast voert eiser aan dat in geval van twijfel, hem als rechtzoekende het voordeel van de twijfel toekomt. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021.[_c63c684a-bf0f-49b2-b117-782b16b46a00]

4.1.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

4.2.

Artikel 1:3, derde lid, luidt: "Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

4.3.

Het verzoek van eiser om vanwege aantasting van zijn woongenot handhavend op te treden tegen de herplaatsing van de ooievaarspaal, kan slechts worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb als het is ingediend door een belanghebbende.

4.4.

Het is vaste rechtspraak dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [_51e95d2e-a797-4867-a21c-6685d3ce31c2]

4.5.

Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.[_b08ec19d-7300-466a-a2eb-96807bfc5d72]

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis ondervindt van de verplaatsing van de ooievaarspaal. Daarbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat de ooievaarspaal weliswaar dichter bij de woning van eiser is komen te staan, maar dat de afstand tussen de paal en het perceel van eiser hemelsbreed nog wel circa 100 meter bedraagt. Tussen het perceel van eiser en de ooievaarspaal ligt een weg met naast de berm eerst hoogopgaande begroeiing, dan een voetbalveld en vervolgens weer hoogopgaande begroeiing in de vorm van struiken en bomen. De ooievaarspaal is direct tegen deze begroeiing geplaatst en, zoals te zien is op de foto’s in het aanvullende beroepschrift, steekt qua hoogte niet boven de begroeiing uit. Door de afstand tussen het perceel van eiser en de (nieuwe) locatie van de ooievaarspaal, en de aard van de inrichting en begroeiing van het tussenliggende terrein, wordt de ooievaarspaal grotendeels aan het zicht onttrokken. Dat geldt zeker voor de zomermaanden, wanneer de begroeiing vol in blad staat. In de wintermaanden kan dat mogelijk anders zijn, maar zal het zicht nog steeds beperkt zijn. Bovendien wordt de ooievaarspaal dan opgenomen in zijn directe omgeving omdat hij als het ware deel uitmaakt van het beeld van verticale (boom- en struik)stammen.

4.7.

Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de (nieuwe) locatie van de ooievaarspaal leidt tot zodanige vliegbewegingen en kleppergeluid van de ooievaars, dat zijn woon- en leefgenot daaronder zou lijden. Het vliegen, foerageren en ‘klepperen’ is natuurlijk gedrag van ooievaars. In het beroepschrift heeft eiser toegelicht dat “het karakteristieke en luidruchtige ‘kleppergeluid’ wordt geproduceerd wanneer de ooievaars elkaar begroeten op het nest, ter territoriumafbakening, als paringsritueel, etc.” Volgens eiser is het klepperen een essentieel communicatiemiddel voor de ooievaars, dat met name in het broedseizoen aanzienlijk en veelvuldig is. De beperking van het intensieve kleppergeluid tot een deel van het jaar in combinatie met de mogelijk tegelijkertijd aanwezige dynamiek en activiteiten op de tennisbanen en voetvalvelden, levert naar het oordeel van de rechtbank geen feitelijke gevolgen van enige betekenis op voor eiser. Bovendien zijn ooievaars niet de enige dieren in de directe woonomgeving van eiser die voor activiteit en of geluid kunnen zorgen.

4.8.

Omdat de feitelijke gevolgen niet van enige betekenis zijn voor de woon- en leefomgeving van eiser, oordeelt de rechtbank dat eiser geen persoonlijk belang heeft bij het handhavingsverzoek. Hij onderscheidt zich onvoldoende van anderen. Dat betekent dat het handhavingsverzoek geen aanvraag van een belanghebbende is, zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college heeft het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van het handhavingsverzoek dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.

4.9.

Het betoog van eiser dat hem het voordeel van de twijfel toekomt slaagt niet, omdat geen sprake is van twijfel over het ontbreken van feitelijke gevolgen van enige betekenis.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Het hoger beroep was gericht tegen de uitspraak van 11 februari 2025 (ARN 25/158 en ARN 25/159) waarin de voorlopige voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het college van Gedeputeerde Staten eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen een verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De Afdeling heeft op 3 juni 2026 het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
  2. ECLI:NL:RVS:2016:737.
  3. ECLI:NL:RVS:2022:3936.
  4. ECLI:NL:RVS:2021:499.
  5. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284, en van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1077.
  6. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.