Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Gelderland, 19 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7991Zaaknummer ARN 26/4142
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 26/4142
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening, beroep, woonurgentie, medische verklaringen
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/4142 en 26/4063
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigden: mr. W. van Osch en [gemachtigde] ).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een woonurgentieverklaring. Bij beslissing op bezwaar is het besluit in stand gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.[_d0dd6391-e532-4032-b99b-c7891621f08f]
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Bij besluit van 12 februari 2026 is de aanvraag van verzoeker voor een woonurgentieverklaring afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 5 augustus 2026 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3. Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Nijmegen 2024 (hierna: Verordening) kan het college een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt, of kon worden voorkomen;
b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost;
c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten
voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
Op grond van artikel 28 van de Verordening is het college bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening.
In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (hierna: Reglement) wordt het vereiste van de persoonlijke noodsituatie verder uitgewerkt. Op grond van dit artikel is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:
- het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie;
- de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen; en
- de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.
Welk bestuursorgaan heeft het besluit genomen?
4. Zoals op de zitting is besproken, gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat de vermelding van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem onder het besluit van 5 augustus 2026 een kennelijke verschrijving is. Het bestreden besluit is genomen namens het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, het in deze zaak bevoegde bestuursorgaan.
Kan de na bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om woonurgentie in stand blijven?
5. Eiser heeft aan zijn aanvraag om woonurgentie ten grondslag gelegd dat hij een kamer huurde, maar dat hij die in mei 2026 heeft moeten verlaten vanwege een conflict met de verhuurder. Hij heeft er op gewezen dat hij psychische klachten heeft en dat zijn eerdere trauma’s door het gebeurde opnieuw zijn getriggerd. Nadat de aanvraag op 12 februari 2026 is afgewezen, heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt.
Hij heeft daarbij brieven overgelegd van zijn huisarts[_eb4b55ec-4aa6-439e-82a7-0f47e94563bb], van Caredate[_032e98fd-c604-4676-b417-1bbbd539ca2d], een GZ-haptotherapeut[_0c262262-eabb-4fce-a110-9175a3e14136], en van Scelta Nijmegen en Warnsveld (Scelta).[_c50a5ae6-4705-4cf2-927d-923c2d3f4df9] In die brieven wordt samengevat tot uitdrukking gebracht dat eiser persoonlijkheidsstoornissen en angststoornissen heeft en dat een verhuizing naar een veilige en stressarme woonomgeving voor hem noodzakelijk is. Samenwonen met onbekende huisgenoten wordt door de psycholoog van Caredate als risico gezien voor psychische stabiliteit.
6 Het college heeft [adviesbureau] naar aanleiding van het bezwaarschrift gevraagd om advies uit te brengen over de vraag of er sprake is van een woonnoodsituatie en indien dat het geval is of de psychische situatie van eiser een contra-indicatie is voor kamerbewoning. In het advies van 9 juli 2026 concludeert [adviesbureau] dat er gelet op de psychische situatie van eiser sprake is van een acute woonnoodsituatie, maar dat er geen contra-indicatie is voor kamerbewoning. [adviesbureau] stelt dat eiser in het verleden meerdere behandeltrajecten heeft gevolgd die hebben geleid tot een afname van zijn klachten. De huidige behandeling van eiser bij Scelta kan hem opnieuw handvatten bieden om samen te wonen met huisgenoten en om te voorkomen dat de spanning oploopt. Er wordt enige stagnatie in de behandeling gezien en een vaste woonplek kan een ondersteunende factor zijn binnen zijn behandeling. Kamerbewoning is voor eiser echter niet per definitie onveilig. Het college heeft op basis van dit advies het bestreden besluit genomen.
7. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid aangewezen is op uitsluitend zelfstandige woonruimte. Hij is niet in staat om met anderen een woning te delen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een nadere verklaringen van Scelta[_030feaf6-27d2-446d-a093-926c49c414cc] en Caredate[_ea55a77d-e6b1-4483-a582-8e22508901ae] overgelegd. In de verklaring van Scelta staat dat eiser inmiddels met de behandeling bij Scelta is gestopt. De spanningen, met name met groepsgenoten, waren zo hoog opgelopen dat ernstige emotionele ontregeling ontstond. Dit heeft geleid tot een hevige escalatie. Het ontbreekt eiser aan de stabiliteit die van groot belang is om tot rust te kunnen komen. Samenwonen met anderen heeft in het verleden geleid tot hevige escalaties, conflicten, psychische ontregeling en zelfbeschadiging. Deze problematiek hangt samen met zijn psychische kwetsbaarheid en traumatische achtergrond. De aanwezigheid en onvoorspelbaarheid van anderen en het delen van keuken, badkamer en andere voorzieningen veroorzaken ontregeling. Volgens de klinisch psycholoog van Scelta is kamerbewoning voor eiser een psychische contra-indicatie en is zelfstandig wonen geen voorkeur, maar een noodzakelijke voorwaarde om te stabiliseren en duurzaam te herstellen. In de brief van Caredate is aangegeven dat eiser bij hen met een behandeling is gestart. Wonen met medebewoners blijft zijn traumaklachten activeren en in stand houden. Dit doet zich ook voor wanneer eiser bij zijn zus verblijft en bij het verblijf in een Airbnb. Dat eiser ook in relatief vertrouwde situaties psychisch ontregelt, onderstreept dat het delen van een woning en het ontbreken van regie en voorspelbaarheid een belangrijke trigger vormen. Een voldoende stabiele woonomgeving is nodig en zelfstandig wonen is volgens de psycholoog geen woonvoorkeur, maar voor eiser noodzakelijk.
8. Het college heeft deze medische verklaringen voorgelegd aan [adviesbureau] met de vraag of deze verklaringen aanleiding geven om het deskundigenadvies te herzien. Bij e-mailbericht van 16 september 2026 heeft [adviesbureau] gesteld dat de eerdere conclusie niet wordt gewijzigd:
"De traumabehandeling is gestart naar aanleiding van het incident waarbij de verhuurder van cliënt zonder toestemming de woning is binnengekomen. Sindsdien is sprake van aanhoudende trauma gerelateerde/PTSS-klachten, waaronder angst, paniekaanvallen, hyperalertheid en een voortdurend gevoel van onveiligheid. Dit incident vond plaats tijdens de laatste periode waarin betrokkene op kamers woonde. Voorafgaand hieraan heeft hij
gedurende zes jaar binnen een kamerbewoningssituatie goed gefunctioneerd. Het incident heeft geleid tot traumaklachten, waarvoor hij in behandeling was bij Scelta. Het is van groot belang dat betrokkene passende behandeling ontvangt, zodat hij zijn trauma kan verwerken en handvatten ontwikkelt om met zijn klachten om te gaan. Uit de informatie van Scelta blijkt dat de behandeling recent is beëindigd (na mijn bezoek en het opstellen van de
rapportage) omdat de spanningen, met name met groepsgenoten, dusdanig waren opgelopen dat sprake was van ernstige emotionele ontregeling, wat heeft geleid tot een hevige escalatie. Daarbij wordt aangegeven dat het ontbreken van stabiele woonomstandigheden hierin mede een rol heeft gespeeld. Op basis van deze informatie kan echter niet worden geconcludeerd dat kamerbewoning op zichzelf onveilig of ongeschikt is voor betrokkene. Zoals in het deskundigheidsadvies is omschreven, kan worden gekeken naar een kamer die beter aansluit bij zijn behoefte aan veiligheid, bijvoorbeeld een kamer met eigen voorzieningen, zoals een wasbak, of een woonomgeving met vrouwelijke huisgenoten. Een dergelijke woonomgeving kan bijdragen aan een stabiele eigen plek en ruimte om zich terug te trekken, waardoor betrokkene zijn behandeling kan hervatten en verder kan werken aan zijn herstel.”
9. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.[_f73621d6-1e5a-48b5-a2e2-8fcf94168cff]
[adviesbureau] beschikt over deskundigheid op medisch, psychiatrisch en psychosociaal gebied en is te beschouwen als een externe met specifieke deskundigheid.[_f812dd48-0345-4f0e-a721-37d30c081d33] Het rapport van [adviesbureau] is op zichzelf aan te merken als een deskundigenadvies.
Dit rapport wordt evenwel gemotiveerd bestreden door twee (klinisch) psychologen, die met de problematiek van eiser bekend zijn.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich, gelet op de door eiser aangeleverde verklaringen onvoldoende vergewist of de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De in beroep gegeven reactie van een bij [adviesbureau] werkzame zorgmaatschappelijk werker is daartoe ontoereikend. Het college heeft geen navraag gedaan bij de behandelaars van eiser of nader medisch advies bij een psycholoog of daarmee vergelijkbare medische deskundige ingewonnen over de vraag of kamerbewoning voor eiser mogelijk is. Dit had naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op de weg van het college gelegen gelet op de medische informatie die eiser heeft aangeleverd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college het bestreden besluit niet op het rapport van [adviesbureau] en de in beroep gegeven nadere toelichting kan baseren. Het besluit is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat een door het college geraadpleegde deskundige tot een andere conclusie zal komen dat de door eiser overgelegde verklaringen. Het treffen van een voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter tegen die achtergrond te verstrekkend. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat het college voortvarend te werk zal gaan bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, maar houdt anderzijds rekening met de omstandigheid dat het college nader medisch advies moet kunnen inwinnen.
11. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college binnen acht weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. In afwachting daarvan is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
12. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 200,-) aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Voetnoten
- Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
- Brief 9 maart 2026 van [naam 1], huisarts.
- Brief 12 maart 2026 van [naam 2] Msc, psycholoog bij Caredate.
- Brief 7 maart 2026 van [naam 3], GZ-haptotherapeut.
- Brief 19 februari 2026 van [naam 4], psychotherapeut bij Scelta Nijmegen; brief 13 april 2026 van dr. [naam 5], klinisch psycholoog bij GGNet Scelta Warnsveld.
- Brief 31 augustus 2026 van [naam 5], voornoemd.
- Brief 8 september 2026 van [naam 2] Msc, voornoemd.
- Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1581.
- Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1060.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.