Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Gelderland, 23 april 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7973Zaaknummer 462811

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
462811
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen over toevertrouwing en zorgregeling. Voorlopig begeleid contact na (vermeend) imtiem terreur dan wel huiselijk geweld. Raadsonderzoek.

3 De beslissing

De rechtbank beslist als voorlopige voorzieningen het volgende:

3.1.

bepaalt dat het minderjarige kind:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats],

aan de vrouw wordt toevertrouwd;

3.2.

stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat er zo spoedig

mogelijk begeleid contact plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en de man, waarbij er onder regie van de

hulpverlening toegewerkt wordt naar onbegeleid contact bij de man thuis;

3.3.

bepaalt dat de man met ingang van heden bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik

van de echtelijke woning gelegen aan [adres] te [woonplaats]

;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/462811 / FA RK 26-446

Datum uitspraak: 23 april 2026

beschikking voorlopige voorzieningen

in de zaak van

[de man] (hierna: de man),

wonend in [woonplaats],

advocaat mr. S. Rosheuvel-Akpinar uit Den Bosch,

tegen

[de vrouw] (hierna: de vrouw),

ingeschreven in [woonplaats], verblijvend op een onbekend adres,

advocaat mr. L.C.G.M. Joosten uit Nijmegen.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de beschikking van 26 maart 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de man van 9 april 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 9 april 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de man van 16 april 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 16 april 2026.
1.2.

Een zitting heeft niet plaatsgevonden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden. Partijen zijn verzocht om hun stellingen nader te onderbouwen.

2.2.

De rechtbank moet nog een beslissing nemen op de verzoeken van partijen over het toevertrouwen van [minderjarige 1], de zorgregeling en het uitsluitend gebruik van de huurwoning in [woonplaats] voor de duur van de echtscheidingsprocedure.

De toevertrouwing van [minderjarige 1] en de zorgregeling

2.3.

De rechtbank vertrouwt [minderjarige 1] voor de duur van de echtscheidingsprocedure toe aan de vrouw. Daarnaast stelt de rechtbank een zorgregeling vast, in die zin dat er zo spoedig mogelijk begeleid contact tussen de man en [minderjarige 1] moet zijn en waarbij onder regie van de hulpverlening toegewerkt wordt naar onbegeleid contact bij de man thuis.

2.4.

De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat de vrouw op 11 maart 2026 aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik van (onder meer) [minderjarige 1] door de man, maar dat er bij de politie hierover geen strafrechtelijk onderzoek (meer) loopt. De man heeft zijn telefoons die in beslag waren genomen teruggekregen en is niet als verdachte aangemerkt in een strafrechtelijk kader. In haar brief van 16 april 2026 wordt dit door de vrouw bevestigd (“(….) met dien verstande dat zij inmiddels heeft begrepen dat de politie het onderzoek laat rusten”). Van het in bezit hebben van kinderporno of het verrichten van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting [minderjarige 1] (of [minderjarige 2] ), waarvan de vrouw de man beschuldigt, is dus niet gebleken.

2.5.

Uit de stukken volgt verder dat de vrouw contact heeft gehad met Veilig Thuis, het [instantie 1] en [instantie 2]. Uit een brief van [instantie 2] (productie 13 vrouw) blijkt dat de vrouw vanaf 19 januari 2026 onder begeleiding is van [instantie 2] en dat [instantie 2] uit het verhaal van de vrouw haalt “dat er in haar beleving sprake is / is geweest van dwingende controle en huiselijk geweld in de vorm van fysiek, psychisch, seksueel en financieel geweld.” Volgens de vrouw heeft [instantie 2] ook een geweldsanalyse opgesteld, maar wat de vrouw heeft overgelegd ter onderbouwing hiervan is met zwart weggelakt. De rechtbank kan op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen of er daadwerkelijk sprake is (geweest) van intieme terreur of andere vormen van huiselijk geweld, zoals de vrouw stelt en de man betwist. Uit het gesprek dat de man op 20 maart 2026 met Veilig Thuis heeft gehad, zijn kennelijk geen concrete zorgen naar voren gekomen over de man of zijn opvoedsituatie. Gelet op het voorgaande blijft de rechtbank van oordeel dat het contact tussen de man en [minderjarige 1] zo snel als mogelijk hersteld moet worden.

2.6.

Uit het contact dat de man met [persoon] van de gemeente [gemeente] heeft gehad blijkt dat begeleid contact nog niet is gestart en dat dit naar verwachting nog weken duurt in verband met een wachtlijst. Toch vindt de rechtbank dat dit afgewacht moet worden in plaats van dat er nu onbegeleid contact plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en de man. Hoewel er op dit moment geen zorgen vast te stellen zijn over de opvoedsituatie van de man, blijven de verhalen van partijen over hoe zij hun huwelijk hebben beleefd (met name over de vermeende intieme terreur en andere vormen van huiselijk geweld) lijnrecht tegenover elkaar staan. Dit maakt de situatie nog steeds complex. Als de rechtbank nu een onbegeleide zorgregeling vaststelt, betekent dit dat de vrouw [minderjarige 1] naar de man moet brengen en [minderjarige 1] moet ophalen, terwijl de vrouw gevoelens van angst ervaart voor de man. De man kan [minderjarige 1] niet halen en/of brengen, omdat de vrouw met [minderjarige 1] op een onbekend adres verblijft. De rechtbank ziet dan ook niet in hoe een onbegeleide zorgregeling van de grond gaat komen zonder dat [minderjarige 1] (nog meer) last gaat krijgen van de situatie en spanningen tussen zijn ouders. Daarbij komt dat het hier gaat om een tijdelijke regeling voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De rechtbank zal daarom bepalen dat er zo spoedig

mogelijk begeleid contact plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en de man, waarbij er onder regie van de

hulpverlening zo spoedig als mogelijk toegewerkt wordt naar onbegeleid contact bij de man thuis.

2.7.

Wat betreft het toevertrouwen van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat [minderjarige 1] feitelijk al langere tijd bij de vrouw verblijft en dat dit voorlopig zo zal blijven. De rechtbank vertrouwt [minderjarige 1] daarom aan de vrouw toe om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.

2.8.

De rechtbank is wel van oordeel dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) onderzoek moet gaan doen naar de situatie, zodat in de echtscheidingsprocedure (naar verwachting) meer duidelijkheid bestaat over de beschuldigingen vanuit de vrouw. In het onderzoek kunnen ook de (begeleide) contactmomenten tussen [minderjarige 1] en de man meegenomen worden. De Raad wordt verzocht onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren over de volgende vragen:

  • Welke hoofdverblijfplaats in het meest in het belang van [minderjarige 1] ?
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] aan de man en de vrouw?
  • Zijn er factoren die een zorgregeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit [minderjarige 1] en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?
  • Hoe zou een zorgregeling (vorm en frequentie) er in het belang van [minderjarige 1] uit moeten zien?
  • In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn?
2.9.

De Raad wordt verzocht om het raadsrapport in te dienen in de nog door partijen aanhangig te maken echtscheidingsprocedure. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw dit op zeer korte termijn zal doen, zoals haar advocaat in de brief van 16 april 2026 heeft aangegeven. De advocaten van partijen worden verzocht om vervolgens op het raadsrapport te reageren en hun standpunten in te nemen over het verdere verloop van de echtscheidingsprocedure.

Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning

2.10.

De rechtbank bepaalt dat de man het uitsluitend gebruik van de woning krijgt voor de duur van de echtscheidingsprocedure.

2.11.

Op dit moment woont de man in de woning en verblijft de vrouw met [minderjarige 1] ergens anders. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij voorlopig bij iemand uit haar netwerk kan verblijven. Zij heeft ter onderbouwing een huurovereenkomst overgelegd die tot 4 augustus 2026 loopt. Hoewel de vrouw aangeeft dat zij daarna met [minderjarige 1] op straat komt te staan, geldt dit ook voor de man, bij wie ook nog twee kinderen uit een eerder huwelijk ingeschreven staan. Daarnaast verblijft [minderjarige 2] regelmatig bij de man conform de tussen hen bestaande regeling. Als de man uit de woning moet, heeft dit dus ook gevolgen voor meerdere kinderen. Daarbij komt dat de vrouw vanaf nu in ieder geval nog meer dan drie maanden de tijd heeft om een geschikt alternatief te vinden en dat als de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning krijgt, de man direct op straat komt te staan. Ten slotte blijkt uit de overgelegde stukken dat de vrouw mogelijk (tijdelijk) bij haar vader terecht kan.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.12.

Tegen voorlopige voorzieningen is geen hoger beroep mogelijk. Met het geven van deze beschikking tot het treffen van een voorlopige voorziening is de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan gegeven. Er is dus geen belang bij het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

3 De beslissing

De rechtbank beslist als voorlopige voorzieningen het volgende:

3.1.

bepaalt dat het minderjarige kind:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats],

aan de vrouw wordt toevertrouwd;

3.2.

stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat er zo spoedig

mogelijk begeleid contact plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en de man, waarbij er onder regie van de

hulpverlening toegewerkt wordt naar onbegeleid contact bij de man thuis;

3.3.

bepaalt dat de man met ingang van heden bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik

van de echtelijke woning gelegen aan [adres] te [woonplaats]

;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.