Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7948Zaaknummer ARN 26/3813

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/3813
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, WMO, verstrekken informatie

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat het college vanaf 13 oktober 2026 aan verzoekster de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Basis voor 300 minuten per week in de vorm van een pgb dient te verstrekken, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht van € 54,- moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026 door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 12 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
  2. [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
  3. Zitting
  4. Beslissing
  5. Inleiding
  6. Procesverloop
  7. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  8. Conclusie en gevolgen
  9. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3813

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

12 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

(gemachtigde: mr. M.I.E. Rhuggenaath).

Zitting hebben: mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.

Zitting

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het college vanaf 13 oktober 2026 aan verzoekster de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Basis voor 300 minuten per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) dient te verstrekken;

- bepaalt dat deze voorlopige voorziening geldt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 30 juni 2026 om de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Basis vast te stellen op 30 minuten per week in de vorm van Zorg in Natura (ZIN).

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.

Procesverloop

2. Verzoekster krijgt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Basis in de vorm van een pgb. Bij besluit van 30 juni 2026 heeft het college het aantal minuten ondersteuning vastgesteld op 30 minuten per week voor de periode 1 juli 2026 tot 30 juni 2027 en in de vorm van ZIN.

2.1.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.2.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster voert aan dat het college te weinig uren voor begeleiding bij medische afspraken, begeleiding bij administratie en begeleiding bij noodzakelijke regulering van de spierspanning, heeft toegekend. Daarnaast stelt verzoekster dat het college de noodzaak van de omzetting van het pgb naar ZIN onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij heeft meerdere keren informatie aangeleverd, maar vanuit het college komen er steeds weer nieuwe vragen en verzoeken om stukken aan te leveren terwijl het college bekend is met de medische beperkingen van verzoekster.

4. Het college trekt de medische beperkingen van verzoekster niet in twijfel, maar stelt dat hij op grond van de WMO de opdracht heeft om te onderzoeken of en in hoeverre de medische beperkingen en aandoeningen een beperking in de zelfredzaamheid en/of participatie tot gevolg heeft. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster onvoldoende stukken en onderbouwing van haar structurele begeleidings- en ondersteuningsbehoefte heeft overgelegd. Zonder deze stukken kan de omvang van de ondersteuning en begeleiding niet worden bepaald. Ook is niet duidelijk of verzoekster voldoende in staat is om het pgb te beheren, aangezien het declareren van het budget regelmatig misgaat. Daarnaast was de zorgverlener niet in staat of bereid om aanvullende informatie te verstrekken over de zorg die hij het afgelopen jaar heeft verleend. De zorgverlener voldoet hiermee niet aan de voorwaarden die mogen worden gesteld aan een zorgverlener. Dit was voor het college reden om over te gaan tot de bestreden besluitvorming.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster op grond van artikel 2.3.8., eerste lid, van de WMO 2015, het college dient te voorzien van voldoende gegevens en inlichtingen om te kunnen beoordelen of het beroep op de voorziening terecht is gedaan. Tussen partijen is in geschil hoeveel en welke informatie hiervoor moet worden aangeleverd. Op zitting is gebleken dat verzoekster inmiddels wel meer informatie met betrekking tot haar begeleidings- en ondersteuningsbehoefte aan het college heeft verstrekt. Deze informatie zal in bezwaar moeten worden beoordeeld.

Omdat het college niet weerspreekt dat er bij verzoekster sprake is van medische beperkingen en er (een begin van) informatie aan het college is verstrekt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorziening gedeeltelijk toe te wijzen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat er in de bezwaarprocedure nog wel de nodige verifieerbare informatie door verzoekster zal dienen te worden verstrekt. De voorzieningenrechter zal bepalen dat verzoekster tot zes weken na de beslissing op bezwaar meer uren begeleiding en ondersteuning krijgt dan de huidige 30 minuten.

Daarbij zal de voorzieningenrechter aansluiten bij de eerder besproken afbouw van uren over de maand oktober, te weten 300 minuten. Dit kan gedurende deze periode worden verstrekt in de vorm van een pgb.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat het college vanaf 13 oktober 2026 aan verzoekster de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Basis voor 300 minuten per week in de vorm van een pgb dient te verstrekken, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht van € 54,- moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026 door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.