Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Gelderland, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7879Zaaknummer ARN 25/6363
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/6363
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiseres om een aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade die eiseres als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire heeft geleden. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de aanvullende schadevergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6363
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: mr. S. Buch en mr. I. Mulder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiseres om een aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade die eiseres als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire heeft geleden. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de aanvullende schadevergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aanvullende schadevergoeding.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding correct heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 17 april 2021 een verzoek ingediend om een aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Bij besluit van 22 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen deze aanvraag afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 10 november 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het besluit van 22 september 2022 vanwege het aangepaste schadekader herroepen. Eiseres ontvangt echter geen aanvullende schadevergoeding omdat de werkelijke schade wordt verrekend met de vergoedingen die eiseres al heeft ontvangen. Eiseres ontvangt wel een vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de Dienst Toeslagen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiseres heeft voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 kinderopvangtoeslag ontvangen. Eiseres is als gedupeerde aangemerkt over het toeslagjaar 2013. Bij besluit van 26 maart 2020 heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag vastgesteld op € 7.611 en bij besluit van 3 februari 2021 aangevuld tot € 30.000 vanwege de Catshuisregeling. Binnen dit compensatiebedrag is aan eiseres een bedrag van € 1.520 aan materiele schadevergoeding toegekend en een bedrag van € 6.000 aan immateriële schadevergoeding.
Op 17 april 2021 heeft eiseres een verzoek om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade ingediend. Het verzoek ziet op verlies aan inkomsten ten bedrage van
€ 200.000 en gemaakte juridische kosten ten bedrage van € 1.400.
Het bestreden besluit
4. Bij het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen een aanvullende schadevergoeding vastgesteld van € 700 aan materiele schade, € 18.500 aan immateriële schade en een vergoeding van 1% over de werkelijke schade, ten bedrage van € 125. De Dienst Toeslagen heeft deze bedragen verrekend met de vergoedingen die eiseres al heeft ontvangen, waardoor de aanvullende schadevergoeding niet tot uitbetaling komt. Eiseres ontvangt van de Dienst Toeslagen wel een vergoeding van € 500 voor het voeren van de CWS-procedure.
Had de Dienst Toeslagen een schadevergoeding moeten toekennen voor inkomensschade?
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen vergoeding voor inkomensschade aan haar heeft toegekend. Eiseres stelt dat wel sprake is van een causaal verband tussen de door haar geleden inkomensschade en de kinderopvangtoeslagaffaire. Daartoe voert eiseres aan dat zij door de terugvordering in 2014 over het jaar 2013, waarbij pas eind 2015 (na bezwaar en beroep) deze is teruggedraaid, verdere vertraging heeft opgelopen in het opstarten van haar masteropleiding, en aldus het vinden van een betaalde baan, althans het genereren van inkomen op het baanniveau van na de master. Eiseres voert verder aan dat de Dienst Toeslagen de tijdslijn te stringent heeft gehanteerd. Eiseres stelt dat zij zich wel had ingeschreven voor een vervolgopleiding maar dat zij vanwege stressklachten niet is gestart en dat zij, toen zij wilde starten, de terugvordering over het toeslagjaar 2013 kreeg.
Als uitgangspunt geldt dat de aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan na het, na de integrale beoordeling, toegekende bedrag.[_c0a2b505-5cd4-4c76-a3c2-bc02acfbc259] Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van de Dienst Toeslagen.
De beroepsgrond slaagt niet. De Dienst Toeslagen heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij inkomensverlies heeft geleden als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres heeft op 31 juli 2013 haar bachelor diploma behaald. In 2013 speelden de problemen met de kinderopvangtoeslag voor eiseres nog niet. Deze problemen ontstonden voor eiseres op 1 september 2014 met de ontvangst van de mededeling dat eiseres over 2013 kinderopvangtoeslag moest terugbetalen. De Dienst Toeslagen stelt terecht dat niet is gebleken van een causaal verband tussen het niet starten van de masteropleiding en de problemen rond de kinderopvangtoeslag. Het betoog van eiseres, dat zij zich wel had ingeschreven voor de vervolgopleiding maar vanwege stressklachten niet was gestart en toen dat wel kon, dat door de terugvordering werd bemoeilijkt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De Dienst Toeslagen stelt terecht, dat of eiseres zich nu wel of niet had ingeschreven, het causale verband tussen het niet starten met de masteropleiding, de gestelde inkomensschade en de problemen met de kinderopvangtoeslag niet aannemelijk is geworden. De gevraagde schadevergoeding voor inkomensverlies is terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding correct heeft vastgesteld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.