Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Gelderland, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7863Zaaknummer ARN 25/5896
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/5896
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
herhaald verzoek vergoeding planschade, geen nieuwe feiten, geen evident onredelijk besluit
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5896
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het herhaalde verzoek om tegemoetkoming in planschade. Eiser is het niet eens met afwijzing van het verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft op 12 mei 2025 het herhaalde verzoek om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 4 juni 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met [persoon 1] en de gemachtigde van het college samen met [persoon 2].
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 5 maart 2019 een verzoek om een tegemoetkoming in planschade ingediend bij het college vanwege het inwerkinggetreden bestemmingsplan “Buitengebied 2017”. Het gaat om de percelen behorende bij [adres] in Nijkerk. Eiser heeft in het verzoek aangegeven inkomensschade te hebben geleden van € 2.000.000,- en vermogensschade van € 3.000.000,-.
Het college heeft op 20 maart 2020 besloten een bedrag van € 2.325,- toe te kennen.
Met de beslissing op bezwaar van 28 mei 2020 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, vanwege niet verschoonbare termijnoverschrijding.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep met de uitspraak van 29 oktober 2020 ongegrond verklaard.[_fd4ebbda-3511-4622-9e99-9cff3a49dc11] Met de uitspraak van 21 april 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.[_c1221265-19d3-4af3-844c-ce487b3a4c4f] Het verzet hiertegen heeft de Afdeling met de uitspraak van 26 augustus 2021 ongegrond verklaard.[_47465304-7b41-4bba-9777-ee49789f87d0] Daarmee is het besluit van het college onherroepelijk geworden.
Op 13 oktober 2023 heeft eiser opnieuw een verzoek om tegemoetkoming in de planschade ingediend in verband met dezelfde schadeoorzaak, ditmaal voor een bedrag aan inkomensschade van € 2.400.000,- en vermogensschade van € 3.600.000,-.
Met het besluit van 12 mei 2025 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van een herhaalde aanvraag zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
Toetsingskader
4. Uit artikel 4:6, eerste lid, van de Awb volgt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Uit het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb volgt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd.[_55131e2b-ca31-4589-be29-c49d5dce5012]
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.[_8182cb96-5135-44b3-a7d4-dd5986b007f3]
Is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?
5. Eiser betoogt dat het college de aanvraag niet mocht afwijzen. Volgens eiser is er sprake van nieuw gebleken feiten. Eiser heeft op 14 december 2021 een verzoekschrift ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarop inmiddels is beslist.[_8baf65e7-cc04-45a4-82d3-c4569c4c7453] Uit die beslissing volgt volgens eiser dat hij nog een nieuwe aanvraag moet kunnen indienen die inhoudelijk moet worden beoordeeld. Ook is het nieuwe verzoek geactualiseerd door inflatie. Verder betoogt eiser dat het college nog altijd niet inhoudelijk heeft gereageerd op de reactie die hij op 28 mei 2020, naar aanleiding van het eerdere besluit, had ingediend.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 5 maart 2019 een gedeeltelijk afwijzende beschikking betreft, omdat de toegekende tegemoetkoming in planschade lager was dan het bedrag waar eiser om heeft verzocht.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het verzoekschrift dat eiser heeft ingediend bij het EHRM is bij beslissing van 24 maart 2022 niet-ontvankelijk (inadmissible) verklaard. Uit deze beslissing kan niet worden afgeleid dat het EHRM meent dat eiser een nieuwe aanvraag moet kunnen indienen die inhoudelijk beoordeeld moet worden. Er staat namelijk dat eiser “failed to raise before competent domestic authorities, either in form or in substance and in accordance with the applicable procedural requirements, the complaints that were made to the Court.” Het EHRM verwijst hierbij ook naar overweging 143 van het arrest Gäfgen tegen Duitsland,[_4f6cdd53-442a-4786-83b2-31fc66c95a81] waarin staat:“consequently, domestic remedies have not been exhausted when an appeal is not accepted for examination because of a procedural mistake by the applicant.” Uit de beslissing volgt dus dat het EHRM de klacht van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiser heeft nagelaten tijdig rechtsmiddelen in te stellen tegen het besluit van 20 maart 2020.
Verder is inflatie geen omstandigheid die het college had moeten meewegen. Bij de vaststelling van het schadebedrag wordt uitgegaan van een peildatum. Dat is de inwerkingtreding van het schadeveroorzakende besluit het bestemmingsplan “Buitengebied Nijkerk 2017”. Inflatie is een algemene economische ontwikkeling. Het is geen omstandigheid die betrekking heeft op de feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan de eerdere gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade.
Dat eiser geen inhoudelijke reactie van het college heeft ontvangen op zijn schrijven van 28 mei 2020 is ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Deze reactie heeft eiser namelijk ingediend op dezelfde dag dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard vanwege niet verschoonbare termijnoverschrijding. Aan een inhoudelijke beoordeling is het college daarom niet toegekomen. Het staat in rechte vast dat eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden zijn. Het college mocht daarom in beginsel de aanvraag afwijzen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
Is de afwijzing evident onredelijk?
6. Eiser geeft aan dat hij moeite heeft met het handelen van het college. Het college weigert om in mediation te gaan met eiser of inhoudelijk in te gaan op zijn reactie van 28 mei 2020. Eiser wil graag dat het college zijn landgoed als zodanig erkent. Ook begrijpt eiser niet waarom hem een termijnoverschrijding in bezwaar is tegengeworpen, terwijl het 18 maanden heeft geduurd voordat het college een besluit heeft genomen op zijn herhaalde aanvraag. De rechtbank beschouwt het betoog van eiser zo dat hij vindt dat het besluit van het college om zijn aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, evident onredelijk is.
De rechtbank oordeelt dat het besluit niet evident onredelijk is. Op de zitting heeft het college toegelicht dat er verschillende procedures lopen, waaronder ook handhavingsprocedures. Daarom heeft het college ervoor gekozen om het juridische pad te volgen. Dat het college zich om die reden niet bereid stelt om met eiser in overleg te gaan, maakt niet dat het besluit evident onredelijk is. In de reactie van eiser van 20 mei 2020 en wat eiser in de huidige procedure verder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om te oordelen dat het besluit evident onredelijk is. Het erkennen van het landgoed staat verder los van de vraag of er sprake is van planschade. Dat het college lang over het besluit gedaan heeft acht de rechtbank ook onvoldoende voor het oordeel dat het evident onredelijk is om de aanvraag onder verwijzing naar het eerdere besluit af te wijzen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het herhaalde verzoek om planschade in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zaaknummer AWB 20/3185.
- Zaaknummer 202006548/2/A2.
- Zaaknummer 202006548/3/A2.
- Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:290.
- Uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5329.
- Application no. 1211/22.
- ECLI:CE:ECHR:2010:0601JUD002297805.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.