Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Gelderland, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7862Zaaknummer ARN 25/5365
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/5365
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Handhaving bestemmingsplan, activiteiten horeca, impliciete vergunning?
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5365
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. G.W. de Ruiter),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [naam] ( [ gebruiker pand]) uit [woonplaats] en
[eigenaar 1] en [eigenaar 2] (eigenaren pand) uit [woonplaats].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het handhavingsverzoek van eisers. Het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen horeca-activiteiten op het perceel aan de [adres 1] in Neede. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van het handhavingsverzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de horeca-activiteiten niet passen binnen het bestemmingsplan en dat daar geen impliciete vrijstelling voor is verleend. Het college mocht het handhavingsverzoek daarom niet om die reden afwijzen. Eisers krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 15 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek gedeeltelijk afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon], de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en [ gebruiker pand].
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers wonen aan de [adres 2] in Neede. Zij hebben het college op 8 november 2024 verzocht om handhavend op te treden wegens illegale activiteiten op het naastgelegen perceel [adres 1]. Het handhavingsverzoek ziet op:
- de verkoop van snacks, broodjes en drank in strijd met het bestemmingsplan;
- een zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning geplaatst bouwwerk.
Op 25 november 2024 hebben eisers het handhavingsverzoek aangevuld. Dit ziet op:
- het houden van feesten in strijd met het bestemmingsplan;
- de exploitatie van een cafetaria in strijd met het bestemmingsplan vanuit een illegaal bouwwerk.
Op 2 december 2024 hebben eisers het college nogmaals verzocht om handhavend op te treden tegen de feesten die op het perceel van de derde-partijen worden georganiseerd.
Op 15 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek van eisers voor zover dat ziet op het illegale bouwwerk toegewezen. Daarvoor heeft het college aan zowel de eigenaars als de gebruiker een last onder dwangsom opgelegd. Het handhavingsverzoek voor zover dat ziet op het cafetaria, het afhalen van etenswaren en het gebruik voor feesten, heeft het college afgewezen. Volgens het college is er in zoverre geen sprake van een overtreding.
Met de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
Toetsingskader
4. Het omgevingsplan gemeente Berkelland is van toepassing. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden.[_2388ba95-dc3c-4e53-84ee-f15ab35dd8e6] Op het perceel was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020” van toepassing. Het perceel heeft hierin de bestemming “Horeca”.
De gronden met de bestemming “Horeca” zijn bestemd voor horecabedrijven met bijbehorende voorzieningen die zijn opgenomen in de ‘Tabel Horeca’. In die tabel staat dat op het perceel van de derde-partij de horecavoorziening ‘café-restaurant’ is toegestaan.[_5e591db0-30f3-4e67-9634-685283546671]
De definitie van café luidt: een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid. [_913f1f40-015b-454c-8991-2b8b8a6d999d]
De definitie van horecabedrijf luidt: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waar bedrijfsmatig logies wordt verstrekt en/of ter plaatse zaalruimten worden verhuurd en beschikbaar worden gesteld, alsmede afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten. [_3ce08c0f-05a1-4b11-be1c-6fb39c416891]
Heeft het college terecht afgezien van handhavend optreden?
Verkoop van snacks, broodjes en dranken
5. Eisers betogen dat op grond van het bestemmingsplan een cafetaria en een afhaalfunctie niet zijn toegestaan. Uit de planregels en de toelichting volgt dat alleen dat wat in de ‘tabel horeca’ staat ter plaatse is toegestaan. Ook uit de plantoelichting volgt dat bij het toekennen van de horecabestemming aansluiting is gezocht bij bestemmingen uit de geldende bestemmingsplannen en dat de planwetgever op deze wijze expliciet heeft aangegeven op welke wijze de horecafunctie moet worden uitgelegd. Een afhaalfunctie valt niet onder de omschrijving ‘café-restaurant’. Uit artikel 11.6 van de planregels volgt ook dat met een omgevingsvergunning andere vormen van horeca kunnen worden toegestaan. Volgens eisers kan uit deze plansystematiek worden afgeleid dat de planwetgever de afwijkingsmogelijkheid niet zou hebben opgenomen als alle vormen van horeca direct binnen de bestemming zouden zijn toegestaan. Dat de planwetgever niet een algemene horecabestemming heeft willen opnemen voor locaties waar horeca plaatsvindt, volgt volgens eisers ook uit artikel 1.104 van de planregels. In dat artikel staat dat cafetaria’s en snackbars niet gewenst zijn in het buitengebied.
Het college stelt zich op het standpunt dat afhaalactiviteiten passen binnen de horecabestemming. Op het perceel is een café toegestaan. Uit de definitie van café volgt dat het gaat om een horecabedrijf. Uit de definitie van horecabedrijf volgt dat het afhalen van etenswaren is toegestaan. Het college is voor de uitleg van afhaalactiviteiten daarom teruggevallen op de definitie van horecabedrijf.
De rechtbank is van oordeel dat afhaalactiviteiten niet op het perceel zijn toegestaan. Binnen de bestemming Horeca zijn de horecabedrijven toegestaan die zijn opgenomen in de “Tabel Horeca”. In die tabel staat per locatie specifiek het soort horecavoorziening dat is toegestaan. De horecavoorzieningen die zijn toegestaan op een perceel, worden dus door de Tabel Horeca begrensd. Daarmee begrenst de tabel ook de omvang van het begrip “horecabedrijf”. Op het perceel van de derde-partij is een “café-restaurant” toegestaan. Het is niet in geschil dat afhaalactiviteiten niet binnen dat begrip café-restaurant vallen. Ze vallen wel onder de definitie van horecabedrijf in brede zin, maar het feit dat een café volgens de begripsbepaling een horecabedrijf is, betekent nog niet dat de begripsbepaling voor horecabedrijf in volle omvang geldt. Zoals hiervoor overwogen wordt dat begrip namelijk begrensd door de tabel. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend. De rechtbank komt niet toe aan de toelichting van het bestemmingsplan, omdat de planregels voldoende duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat in de conclusie in op de gevolgen hiervan.
Zalencentrum
6. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op grond van het bestemmingsplan zalenverhuur niet is toegestaan. Onder het voorgaande bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1987” was het gebruik voor zalenverhuur ook niet toegestaan. De rechtbank zal daarom de vraag beantwoorden of het college zich op het standpunt mocht stellen dat het gebruik voor zalenverhuur impliciet is vergund, zodat een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht.
Eisers betogen dat het college ten onrechte tot de conclusie komt dat zalenverhuur impliciet vergund is. Vanaf 1978 is volgens eisers steeds sprake geweest van het vergroten dan wel uitbreiden van een café-restaurant. Voor zalenverhuur is volgens eisers geen vergunning aangevraagd of verleend. Eisers verwijzen daarvoor naar de bijlagen bij het beroepschrift. Op iedere vergunning staat steeds vermeld dat sprake is van een uitbreiding van een café-restaurantbedrijf. De aanduiding ‘zaal’ op de bouwtekening is volgens eisers ook steeds vergund als zaal ten behoeve van het café-restaurant. Het is volgens eisers in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om aan de zaal een andere uitleg te geven dan (eet)zaal ten behoeve van het café-restaurantbedrijf. Volgens eisers had de aanvrager kennelijk nooit de bedoeling gehad om een vergunning aan te vragen voor zalenverhuur, anders was dit wel op de aanvraag voor de vergunning vermeld. De gebruiksvergunning ziet volgens eiser op de veiligheid en gezondheid bij het gebruik van het gebouw. Het zegt niets over de bestemming en het daarmee toegestane gebruik. Een verleende gebruiksvergunning of melding betekent volgens eisers niet dat een gebruik dat strijdig is met de bestemming is toegestaan.
Volgens het college is op grond van het bestemmingsplan alleen een café-restaurant toegestaan. Dit gebruik is beperkter dan de verleende vergunningen. Volgens het college zijn in het verleden meerdere vergunningen verleend voor de uitbreiding van het horecabedrijf, waaronder ook zaalvoorzieningen. De laatste vergunning dateert van 25 april 2003, waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor de uitbreiding van de zaal. Het gebruik van de zaal ten behoeve van bijeenkomsten en feesten vindt al sinds lange tijd plaats en is dus ook vergund. Uit de vergunningen, de bedrijfsvoering en de verklaring van de eigenaar volgt dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bijeenkomsten, feesten en zaalactiviteiten plaatsvonden. Het college is niet gebleken dat dit gebruik nadien langer dan één jaar is onderbroken. Volgens het college valt het gebruik daarom onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.
De derde-partij heeft in een e-mail van 10 juli 2026, gericht aan het college, toegelicht dat de zaal gebruikt wordt voor feesten, partijen, recepties, kinderfeesten, bruiloften, begrafenissen, carnaval en vergaderingen. Ook vinden er evenementen plaats zoals vogelschieten, concerten, muziekavonden, biljarten, postzegelbeurs en vogeltentoonstellingen.
7. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de vraag of het college impliciet vrijstelling heeft verleend voor zalenverhuur, bepalend is of uit de aanvraag het strijdige gebruik zonder meer blijkt.[_f7f830d5-36e1-4815-987d-320ec4230bc4] De diverse vergunningen en aanschrijvingen sinds 1985 zijn:
- bouwvergunning van 7 mei 1985 voor het vergroten van het café-restaurant;
- bouwvergunning van 20 oktober 1987 voor het vergroten van het café-restaurant;
- bouwvergunning van 11 februari 1987 voor het vergroten en gedeeltelijk veranderen van het café-restaurant;
- gebruiksvergunning voor het horecagebouw van 2 december 2002, met bezoekersaantallen van 100 personen voor het café, 40 personen voor het restaurant en 300 personen voor de zaal;
- omgevingsvergunning van 25 april 2003 voor de uitbreiding met toiletten en een nieuwe entree bij de zaal;
- aanschrijving van 7 maart 2007 wegens niet voldoen aan de gebruiksvergunning.
De rechtbank overweegt dat de vergunningen steeds zien op het “vergroten van het café-restaurant”. Het gebruik voor en na de verbouwing staat ook steeds vermeld als “café-restaurant”. Op de bouwtekeningen staat wel ‘zaal’ aangeduid, maar uit de bouwvergunningen en bijbehorende aanvragen volgt niet dat de ‘zaal’ bedoeld is voor zalenverhuur voor feesten en partijen. Omdat steeds een vergroting van het café-restaurant is aangevraagd, wordt eerder de suggestie gewekt dat het gaat om een zaal behorende bij dat café-restaurant. Uit de aanvragen valt daarom niet zonder meer af te leiden dat het pand in strijd met het oude bestemmingsplan gebruikt zou worden. Het is ook niet gebleken dat het college, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunningen in weerwil van deze regels heeft verleend.[_a3c88060-3cb0-4831-b922-8c887472e325] Het college heeft daarom niet impliciet vrijstelling verleend van het oude bestemmingsplan.
Het college heeft in 2002 een gebruiksvergunning verleend. De rechtbank oordeelt dat ook hieruit niet volgt dat impliciet vrijstelling is verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De gebruiksvergunning ziet namelijk op het in gebruik houden van het horecagebouw voor wat betreft de brandveiligheid. Er wordt dan niet getoetst aan het bestemmingsplan.[_bdce572c-14c3-4070-8dcd-0737a1811302] De aanschrijving uit 2007 vanwege het niet voldoen aan de gebruiksvergunning, maakt ook niet dat impliciet vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan. Ook met de aanschrijving is niet getoetst aan het bestemmingsplan.
De beroepsgrond slaagt. Er is geen impliciete vrijstelling verleend en het gebruik valt daarom ook niet onder het gebruiksovergangsrecht. Dat betekent dat het gebruik voor zalenverhuur in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank gaat in de conclusie in op de gevolgen hiervan.
Schadevergoeding
8. Eisers verzoeken de rechtbank het college te veroordelen tot vergoeding van de schade op grond van artikel 8:88 van de Awb. De schade bedraagt volgens eisers € 150,- per maand vanaf de datum van de aanvraag tot handhaving. Er is sprake van schade als gevolg van het verstoorde woongenot door de overlast van de overtredingen.
Uit vaste rechtspraak volgt dat in het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en zo ja, in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Het is aan de verzoeker van schadevergoeding om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. De bewijslast van het bestaan van de schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden.[_3624e145-43dc-45a6-9763-c3df728c5c78]
De door eisers gestelde schade in de vorm van derving van woongenot (het missen van immaterieel voordeel) moet worden gekwalificeerd als vermogensschade.[_a7171ddd-9f4a-4b52-80a6-c5e954bde774] Eisers hebben niet onderbouwd waar de geleden schade uit bestaat. Eisers hebben op de zitting betoogd dat zij overlast van ratten hebben door de afhaalactiviteiten, maar hebben dit niet met concrete stukken onderbouwd. Het staat niet vast dat de ratten komen door activiteiten bij de derde-partij. Ook hebben eisers niet concreet onderbouwd waar het verstoorde woongenot uit bestaat. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat sprake is van geleden schade. Het verzoek om vergoeding wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar. Omdat het college ten onrechte heeft besloten dat de afhaalactiviteiten en de zalenverhuur geen overtredingen van het bestemmingsplan zijn, heeft het college het handhavingsverzoek van eisers niet mogen afwijzen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het college zelf een belangenafweging moet maken en moet besluiten of hij al dan niet handhavend gaat optreden.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
- Artikel 11.1.1 in samenhang met artikel 11.1.2. onder b, van het bestemmingsplan.
- Artikel 1.38 van het bestemmingsplan.
- Artikel 1.65 van het bestemmingsplan.
- Uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:199.
- Uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:164.
- Uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:297.
- Uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4424.
- Uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:871.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.