Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Gelderland, 29 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7828Zaaknummer C/05/471612 FZ RK 26-2248
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Publicatiedatum
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/05/471612 FZ RK 26-2248
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening, Beschikking
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening. Uitsluitend gebruik echtelijke woning. De man wil de woning nog kunnen betreden voor onderhoud en om de thuiswerkverbinding te behouden. De rechtbank staat dat niet toe, ondanks dat de woning eigendom van de man is. Er zijn teveel spanningen, die worden versterkt door de hoop van de man op verzoening, terwijl de vrouw daarvoor geen mogelijkheid meer ziet.
4 De beslissing
De rechtbank beslist als voorlopige voorzieningen het volgende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 21 augustus 2026 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud moet betalen € 1.308 bruto per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw met ingang van vandaag bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats], met bevel dat de man die woning niet mag betreden;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. G. Hilberink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Klinken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
[Afbeelding geanonimiseerd]
[Afbeelding geanonimiseerd]
[Afbeelding geanonimiseerd]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/471612 / FZ RK 26-2248
Datum uitspraak: 29 september 2026
beschikking voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw] (nader te noemen: de vrouw),
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.S. de Haas uit Geertruidenberg,
tegen
[de man] (nader te noemen: de man),
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. B. de Hoog uit Rotterdam.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van de vrouw met producties, binnengekomen op 21 augustus 2026;
- het verweerschrift van de man met voorwaardelijke zelfstandige verzoeken en producties, binnengekomen op 10 september 2026;
- het F9-formulier van de vrouw met producties, binnengekomen op 14 september 2026.
De zaak is besproken op de zitting van 15 september 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.
2 De feiten
Partijen zijn op [datum] in de [gemeente] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.
3 De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisendheid aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een beknopte motivering.
Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] met bevel aan de man om deze woning binnen twee dagen na betekening van de beschikking te verlaten en deze vervolgens niet meer te betreden. De man voert verweer en verzoekt om het verzoek van de vrouw, voor zover dit ertoe strekt de man iedere toegang tot de woning te ontzeggen, af te wijzen, met dien verstande dat de man de woning uitsluitend zal betreden als daarvoor een redelijke en concrete aanleiding bestaat, waaronder noodzakelijk onderhoud, controle van de staat van de woning en voor zijn werkzaamheden noodzakelijke toegang, steeds na voorafgaande aankondiging en afstemming met de vrouw. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de toegang van de man verder moet worden beperkt, verzoekt de man bij voorwaardelijk zelfstandig verzoek een zodanige regeling te bepalen dat de man ten minste eenmaal per vier weken, na voorafgaande aankondiging en afstemming met de vrouw, toegang tot de woning behoudt, en ook zo nodig toegang verkrijgt voor noodzakelijk onderhoud, herstel of andere dringende met de woning verband houdende werkzaamheden.
De rechtbank kan voor de duur van de echtscheidingsprocedure bepalen dat één van de echtgenoten bij uitsluiting van de ander gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de andere echtgenoot die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden.[_d3939f56-f08c-4710-ae96-3175131d7ebf] Hoewel de man eigenaar is van de echtelijke woning, staat dat aan een verzoek van de vrouw tot uitsluitend gebruik van die woning niet in de weg. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw tijdelijk in de echtelijke woning mag blijven wonen. Dat hebben zij ook zo opgenomen in hun huwelijkse voorwaarden. De man onderschrijft daarbij dat de vrouw en haar dochters nu belang hebben bij rust en hij is bereid om hen die rust te geven. De vrouw woont daarom op dit moment met haar dochters in de echtelijke woning en de man verblijft elders. Partijen zijn het er echter niet over eens of het feit dat de vrouw tijdelijk in de echtelijke woning mag verblijven ook betekent dat de man de woning niet meer mag betreden.
De man betreedt de woning op dit moment af en toe om de staat van de woning te controleren, onderhoudswerkzaamheden te verrichten en post te openen. De man wil dit in de toekomst blijven doen. Daarnaast wil hij, als hij weer beter is, de woning kunnen betreden om een verbinding te maken met het IP-adres van de woning om toegang tot zijn thuiswerkomgeving te behouden. De man geeft aan dat hij zo veel mogelijk rekening houdt met de vrouw en haar kinderen bij zijn bezoeken aan de woning en dat hij de bezoeken van tevoren afstemt. Dat wil de man ook blijven doen. De vrouw heeft hier een andere visie op. Zij ervaart dat de man de woning te pas en te onpas betreedt en aan de spullen van haar en haar dochters zit. De vrouw krijgt het gevoel dat de man haar en haar dochters controleert. Dit levert veel spanning, onrust en onzekerheid op bij de vrouw en haar kinderen. Daarom wil de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er zodanige spanningen tussen partijen, dat de vrouw een voldoende zwaarwegend belang heeft bij de beslissing dat de man de woning niet meer mag betreden. De rechtbank verwacht dat deze spanningen worden versterkt door de hoop van de man op een verzoening, terwijl de vrouw daarvoor geen mogelijkheid meer ziet. De rechtbank overweegt daarbij dat de man de noodzaak om de woning periodiek te kunnen betreden onvoldoende heeft onderbouwd. De man wil de woning kunnen betreden om de staat te controleren en onderhoud uit te kunnen voeren. Volgens hem wordt de woning op dit moment onvoldoende bijgehouden. Ter onderbouwing verwijst de man naar foto’s van de woning waarop rommelige kamers te zien zijn. Rommel betekent echter niet dat de woning niet in goede staat verkeert of dat er onderhoud nodig is. Daarbij heeft de vrouw op de zitting bevestigd dat zij de woning bijhoudt en daar hulp bij krijgt. De rechtbank merkt daarbij op dat op de vrouw als gebruiker van de woning ook een zorgplicht rust en zij de man onverwijld op de hoogte dient te stellen als er dringend onderhoud nodig is.
De man wil de woning daarnaast maandelijks betreden om een verbinding te maken met het IP-adres van de woning voor zijn werk. De man heeft echter onvoldoende duidelijk gemaakt, en ook niet onderbouwd, wat de gevolgen zijn voor de man als hij geen verbinding maakt met het IP-adres van de woning en in hoeverre het uitblijven van een verbinding niet op een andere manier opgelost kan worden, bijvoorbeeld na overleg met zijn werkgever. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het uitsluitend gebruik van de vrouw in te perken met maandelijkse bezoeken van de man om een verbinding met een IP-adres mogelijk te maken. Als het uitblijven van een verbinding toch tot iets onoverkomelijks leidt, dan kan de rechtbank zich voorstellen dat de man het probleem dat zich op dat moment voordoet onderbouwd aan de vrouw voorlegt. Van de vrouw mag in dat geval worden verwacht dat zij, eventueel met tussenkomst van een derde, de verbinding met het IP-adres alsnog mogelijk maakt om het probleem te verhelpen. Op de zitting heeft de man nog benoemd dat hij de woning wil kunnen betreden om zijn post te kunnen ontvangen. De advocaat van de vrouw heeft in reactie daarop geopperd dat de vrouw de post van de man één keer in de week in een grote envelop kan (laten) afleveren bij de man. De rechtbank acht dit een redelijke oplossing en verwacht dat de vrouw zich aan deze toezegging zal houden.
Conform verzoek van de vrouw zal de rechtbank daarom bepalen dat de man de woning niet meer mag betreden. Het door de vrouw gevraagde bevel aan de man om de woning binnen twee dagen te verlaten zal de rechtbank afwijzen. Niet in geschil is dat de man de woning al heeft verlaten, zodat de vrouw geen belang meer heeft bij een bevel daartoe.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met € 1.598 per maand moet bijdragen in haar kosten van levensonderhoud. De man voert verweer en verzoekt om afwijzing. Voor zover de rechtbank aanleiding ziet een voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen, verzoekt hij bij voorwaardelijk zelfstandig verzoek om deze bijdrage te bepalen op ten hoogste € 1.138 bruto per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 1.308 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift, namelijk 21 augustus 2026. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De vrouw verzoekt als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank de datum van de indiening van het verzoekschrift als ingangsdatum zal hanteren.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Het inkomen van de man bedroeg in 2025 € 61.886 bruto, bestaande uit een inkomen uit loondienst. Dat volgt uit zijn jaaropgave 2025. Het inkomen van de vrouw bedroeg in 2025 € 4.558 bruto per jaar, bestaande uit - zo begrijpt de rechtbank - een inkomen uit persoonsgebonden budget (pgb) voor verleende zorg. Haar inkomen volgt uit de door haar overgelegde verklaring geregistreerd inkomen 2025. Bij beide partijen houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI van de man was in 2025 € 3.721 per maand[_33ca0567-8840-4de1-a0f8-19529a26f035] en van de vrouw € 380 per maand.[_d9d213f3-a254-40bd-8949-4faac175de20] Het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk bedroeg hierdoor € 4.101 per maand. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 2.461 netto per maand in 2025. Geïndexeerd is dat nu in 2026 € 2.574 netto per maand.
Behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 2.574) te verdienen. Als zij daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de vrouw hetzelfde inkomen heeft of redelijkerwijs kan verwerven als zij in 2025 had. Die stelling heeft de vrouw tot op de zitting ook zelf ingenomen. Pas op de zitting heeft de vrouw vermeld dat zij het inkomen van € 4.558 niet meer ontvangt. Door dit pas om de zitting te benoemen, heeft de vrouw de man onvoldoende gelegenheid gegeven om daarop te kunnen reageren. Daarnaast heeft de vrouw haar stelling niet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan deze tardieve stelling voorbij en rekent met een inkomen van € 4.558 bruto per jaar in 2026. Het NBI van de vrouw is dan, net als in 2025, € 380 per maand.
De man heeft nog aangevoerd dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij zich, binnen wat redelijkerwijs van haar kan worden verwacht, inspant om haar eigen verdiencapaciteit te benutten. De man heeft echter nagelaten om toe te lichten of te onderbouwen wat de verdiencapaciteit van de vrouw zou zijn en waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. De man heeft zijn stelling niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank aan de stelling van de man voorbijgaat.
Als het inkomen van de vrouw van € 380 netto per maand in mindering wordt gebracht op voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.574 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 2.194 netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie ontvangt, dan moet zij daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld nettobedrag tot € 3.620 per maand.[_91af4bc5-bb2b-44f0-9cfe-15b8d32749a8]
Draagkracht van de man
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI). Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit. 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)].
De rechtbank berekent het NBI van de man op basis van de overgelegde meest recente salarisspecificatie van de maand augustus 2026. Daaruit volgt een brutosalaris van € 4.714 per maand, vermeerderd met een vergoeding ZKV van € 100 bruto per maand. Daarnaast rekent de rechtbank met een vakantietoeslag van 8% en een eindejaarsuitkering van € 388,46 per maand. Het bedrag van € 388,46 is berekend door het bedrag van € 3.107,67 als cumulatief op de salarisspecificatie van augustus 2026 te delen door acht maanden. Naast de gebruikelijke inhouding loonheffing wordt er in de meest recente salarisspecificatie een ‘premie aanvulling WW/WGA’ van € 4,69 per maand en een pensioenpremie van € 132,51 per maand ingehouden. De rechtbank houdt geen rekening met de inhoudingen met betrekking tot de fiets, omdat het een eigen keuze is van de man om zijn inkomen daaraan te besteden. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI is dan € 3.894 per maand.[_8defbb7b-b120-4c40-aac9-cc8d4d25ea18]
Op basis van de hiervoor genoemde formule heeft de man een draagkracht van € 817 per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 1.308 bruto per maand.
De rechtbank stelt vast dat de man een bedrag van € 1.308 bruto per maand kan betalen en dat de vrouw ook behoefte heeft aan dat bedrag. De rechtbank bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie daarom op € 1.308 bruto per maand.
Alimentatie vooruitbetalen
De man moet de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
Tegen voorlopige voorzieningen is geen hoger beroep mogelijk. Met het geven van deze beschikking tot het treffen van een voorlopige voorziening is de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan gegeven. Er is dus geen belang bij het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en daarom wijst de rechtbank het verzoek af.
Proceskosten
Voorlopige voorzieningen maken formeel deel uit van de echtscheidingsprocedure. Een proceskostenveroordeling in voorlopige voorzieningen is om die reden niet mogelijk. De rechtbank verklaart de man daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek ‘kosten rechtens’.
4 De beslissing
De rechtbank beslist als voorlopige voorzieningen het volgende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 21 augustus 2026 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud moet betalen € 1.308 bruto per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw met ingang van vandaag bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats], met bevel dat de man die woning niet mag betreden;
wijst het meer of anders verzochte af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. G. Hilberink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Klinken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
[Afbeelding geanonimiseerd]
[Afbeelding geanonimiseerd]
[Afbeelding geanonimiseerd]
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.