Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Gelderland, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7827Zaaknummer ARN 25/1469
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/1469
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geen procesbelang bij grond over schending hoorrecht en beslissing over proceskostenvergoeding bezwaar. Niet-ontvankelijk. Wijst verzoek om schadevergoeding redelijke termijn af. Financieel belang. Geen rekening met nevenbeslissingen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1469
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigde: mr. N. van Wingerden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college om eiseres niet te horen en over de beslissing van het college omtrent de proceskostenvergoeding. Eiseres is het niet eens met deze beslissingen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over deze beslissingen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 1 januari 2023 een individuele inkomenstoeslag over het jaar 2023 op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 maart 2023 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 30 mei 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van eiseres bij besluit van 23 mei 2023 alsnog de individuele inkomenstoeslag heeft toegekend.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep op 6 januari 2025 gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.[_c5eca13e-e4a4-46ef-ace4-a461a87c7e87]
Met het besluit op bezwaar van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres kennelijk gegrond verklaard en aan haar een individuele inkomenstoeslag over het jaar 2023 toegekend, rekening houdend met een referteperiode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2023. Het college heeft ook beslist tot vergoeding van de proceskosten van eiseres voor één punt, uit te betalen na ontvangst van de nota.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft, na vragen van de rechtbank, een nadere reactie ingebracht. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[_a504c67d-7d9c-43cd-afdd-bb3cf2e0ea82]
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3. Eiseres voert aan dat het college het hoorrecht heeft geschonden door haar niet te horen. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraak van 6 januari 2025 al bepaald dat het college eiseres in het kader van de te nemen nieuwe beslissing moet horen. Door dit niet te doen handelt het college in strijd met de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb. Verder voert eiseres aan dat het college ten onrechte een factuur als voorwaarde voor de proceskostenvergoeding stelt, terwijl dit geen wettelijk vereiste is. De wegingsfactor van de proceskostenvergoeding is ook niet aangegeven. Ook heeft het college ten onrechte niet de nota opgevraagd. Daarmee is nagelaten om een volledige uitspraak op het bezwaar te doen.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiseres een procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Er is ook een procesbelang als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De rechterlijke beoordeling blijft dan in beginsel beperkt tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig.[_602106a1-e95b-48b5-b57b-83ab6c718e2f]
Het college heeft bij het bestreden besluit, met inachtneming van de door de rechtbank in de uitspraak van 6 januari 2025 genoemde referteperiode, de door eiseres gevraagde individuele inkomenstoeslag toegekend. Daarmee is het college aan eiseres tegemoetgekomen. Eiseres heeft dan ook geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Datzelfde geldt voor een beoordeling van de grond over schending van het hoorrecht. Het louter vaststellen dat aan het bestreden besluit een procedureel gebrek kleeft, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen, omdat dit voor eiseres geen feitelijke betekenis heeft. Het alsnog horen zal namelijk niet leiden tot een voor haar beter resultaat, eiseres heeft immers de door haar gevraagde individuele inkomenstoeslag al toegekend gekregen.[_c1bdad47-c94c-4d34-b448-09b3f2527391]
Ten aanzien van de proceskosten van bezwaar geldt het volgende. Het college heeft met betrekking tot de nota toegelicht dat die nodig is voor een uitbetaling van de proceskosten, omdat het anders niet op een verantwoorde manier door de financiële afdeling van de gemeente verwerkt kan worden. Het is een eis van de financiële afdeling zodat zij achteraf de uitgaven van de gemeente op de juiste wijze kunnen verantwoorden. Het college heeft verwezen naar een brief aan de gemachtigde waarin wordt verzocht de rekening nader te specificeren met de tenaamstelling van de bankrekening en het bankrekeningnummer waarop betaald kan worden. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het uitbetalen van proceskosten een feitelijke handeling is en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Eiseres heeft hierop gereageerd dat de bankrekening en tenaamstelling van de gemachtigde al bekend zijn en er geen aanleiding is om een nota te verlangen.
Uit het bestreden besluit volgt dat het college de proceskosten van bezwaar heeft vergoed voor één punt. Weliswaar staan de wegingsfactor en ook het bedrag van de proceskosten niet genoemd, maar dit vloeit logischerwijs voort uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, namelijk een wegingsfactor 1 en een bedrag van, in 2025, € 647. Als uitgangspunt geldt namelijk dat behandeling van een zaak in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Het college heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd dat er reden is om uit te gaan van een andere wegingsfactor dan de standaard wegingsfactor 1. Daarmee is duidelijk dat het college wegingsfactor 1 heeft toegepast en een bedrag van € 647 aan proceskosten heeft vergoed. In zoverre is er dus ook geen procesbelang zoals onder 3.1 genoemd. Het geschil gaat dan alleen nog over de uitbetaling van de proceskosten van bezwaar. Dit betreft echter een feitelijke handeling waarover de bestuursrechter niet bevoegd is te oordelen. Het resultaat dat eiseres hiermee nastreeft, kan dus niet in deze procedure worden bereikt.[_e7d63b89-2458-41e6-9a87-16a92d2a08e0] De door eiseres in het beroepschrift genoemde rechtspraak[_60ed95f7-a778-4daf-9a50-6210ba343aaf] maakt dat niet anders, omdat die uitspraken gaan over de toekenning van proceskostenveroordeling en de vraag of een derde de rechtsbijstand beroepsmatig heeft verleend. Die vraag is in deze zaak niet meer aan de orde, omdat het college in het bestreden besluit proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft toegekend.
Gelet op het voorgaande heeft eiseres geen procesbelang bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Overschrijding van de redelijke termijn
4. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechtbank, en waarin tijdens die tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, moet worden uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren.
In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan en/of de Staat kan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van die schade, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht. In de rechtspraak van de CRvB wordt tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden in ieder geval het geval gerekend waarin er geen financieel belang bij een procedure is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid en hoeft geen vergoeding van immateriële schade te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.[_a80d9c07-e965-4640-9a26-e6961fc50daf]
Het financiële belang moet afzonderlijk worden bepaald voor elke fase van het geding waarop het verzoek om vergoeding van immateriële schade betrekking heeft aan de hand van de standpunten die de belanghebbende in die fase heeft ingenomen.
Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt verder geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.[_182c51e6-2d61-445a-958e-b92fc0f2bf27]
In deze zaak betekent dat het volgende. Het bezwaar van eiseres is ontvangen op 19 april 2023. Gelet op de dag waarop de rechtbank uitspraak doet, betekent dit dat de redelijke termijn met, afgerond, 18 maanden is overschreden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, kon eiseres met haar beroep op schending van de hoorplicht niet in een materieel betere positie komen. In beroep gaat het daarom alleen nog om nevenbeslissingen, namelijk (de uitbetaling van) de proceskostenvergoeding en het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Hiermee wordt bij het vaststellen van het financiële belang echter geen rekening gehouden. Dit betekent dat eiseres geen financieel belang bij deze procedure heeft en dat zonder meer mag worden verondersteld dat de lange duur van de procedure bij haar niet of nauwelijks tot spanning en frustratie heeft geleid. Temeer omdat eiseres bij het bestreden besluit van 14 februari 2025 inhoudelijk heeft gekregen wat zij wilde. Bovendien is hier nog van belang dat eiseres haar gemachtigde heeft gevolmachtigd om het bedrag aan proceskostenvergoeding op rekening van zijn v.o.f. in ontvangst te nemen, zodat ook daarom mag worden verondersteld dat de lange duur van de procedure bij eiseres niet of nauwelijks tot spanning en frustratie heeft geleid. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- ECLI:NL:RBGEL:2025:13.
- Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
- Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635, onder 4.8.
- Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 3 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2444.
- Vergelijk ook de uitspraak van de CRvB van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2383, onder 5.7 en de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:505.
- Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2474 en rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4465.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 augustus 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1137.
- Zie de uitspraak genoemd in noot 7.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.