Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Gelderland, 26 maart 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7748Zaaknummer 462811
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 26 maart 2026
- Publicatiedatum
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 462811
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening, Beschikking
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen. Aanhouding nu vrouw forse beschuldigingen uit richting de man. Vrouw krijgt extra termijn om deze te onderbouwen. Mogelijk intieme terreur.
De rechtbank:
houdt iedere beslissing aan tot 21 april 2026 pro forma;
verzoekt de (advocaten van de) ouders te handelen zoals hiervoor is overwogen.
| Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team familierecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/462811 / FA RK 26-446
Datum uitspraak: 26 maart 2026
beschikking voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man] (hierna: de man),
wonend in [woonplaats],
advocaat mr. S. Akpinar uit Den Bosch,
tegen
[de vrouw] (hierna: de vrouw),
ingeschreven in [woonplaats], verblijvend op een onbekend adres,
advocaat mr. L.C.G.M. Joosten uit Nijmegen.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift, ingekomen op 5 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 16 maart 2026;
- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 17 maart 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 18 maart 2026;
- de pleitaantekeningen van mr. Akpinar, overgelegd tijdens de mondelinge behandeling van 19 maart 2026.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 19 maart 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] in de [gemeente].
Het minderjarige kind van partijen is:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats].
3 Het geschil
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- primair [minderjarige 1] aan hem toe te vertrouwen, subsidiair dat voor de man en [minderjarige 1] voorlopig een co-ouderschapsregeling zal gelden waarbij een drie om vier-regeling zal worden aangehouden en de wisselingen op de woensdagen (na school) en op zondag 18.00 uur zullen zijn, althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;
- te bepalen dat hij bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning aan [adres] te [woonplaats].
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige 1] aan haar toe te vertrouwen;
- de beslissing over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] op te schorten totdat er onderzoek door de politie en de Raad gedaan is;
- te bepalen dat zij bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning aan [adres] te [woonplaats].
De vrouw had ook verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij haar vast te stellen, maar dit verzoek heeft zij tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Daarop hoeft dus niet meer beslist te worden.
Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.
4 De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisendheid aan de orde is.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een zorgelijke en complexe situatie. De vrouw is begin februari 2026 met [minderjarige 1] en een zoon uit een eerder huwelijk ( [minderjarige 2]) uit de echtelijke woning vertrokken. Voor de man kwam dit uit het niets. Sindsdien heeft de man [minderjarige 1] niet meer gezien en weet de man niet waar de vrouw en [minderjarige 1] verblijven. Ook voor de rechtbank is dit niet bekend. De vrouw geeft zelf aan dat zij vanwege een wachtlijst niet bij een blijf-van-mijn-lijf-huis terecht kon, maar dat zij via haar netwerk nu op een andere locatie verblijft. De vrouw heeft zowel in een persoonlijke brief aan de man, in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling zeer forse aantijgingen gedaan richting de man. Zo spreekt de vrouw onder meer van intieme terreur en doodsbedreigingen. Ook zou de man hebben gedreigd [minderjarige 1] af te pakken als de vrouw de relatie met hem zou verbreken. Verder stelt de vrouw dat de man naar kinderporno keek en meerdere keren ‘intens knuffelde’ met [minderjarige 3], de twaalfjarige dochter van de man uit een eerder huwelijk. De man zou een erectie krijgen als [minderjarige 3] op zijn schoot zat. De man zou ook over het geslachtsdeel van [minderjarige 1] hebben geaaid en langdurig over de billen van [minderjarige 1] en [minderjarige 3]. Daarnaast stelt de vrouw dat zij van de ex-partner van de man zorgelijke verhalen heeft gehoord over seksueel ongewenst gedrag van de man richting haar en hun gezamenlijke kinderen.
De man betwist de hiervoor genoemde aantijgingen. Hij is naar eigen zeggen met stomheid geslagen. De man herkent zich totaal niet in de beschreven incidenten en ook niet in de beschreven dynamiek tussen partijen. De man erkent dat zijn ex-partner hem eerder ook beschuldigde van seksueel misbruik van [minderjarige 3], maar stelt dat dit ook niet waar was wat later ook is gebleken. Dat de geschiedenis zich voor de man nu lijkt te herhalen, doet hem veel pijn. De man wil [minderjarige 1] zo snel mogelijk weer zien en ziet geen reden voor begeleid contact.
De vrouw geeft aan dat er meerdere instanties betrokken zijn: [instantie 1] (ambulante begeleiding), het [instantie 2] ( [instantie 2] ), Veilig Thuis en de (zeden)politie. De vrouw zou ook van het [instantie 2] hebben vernomen dat [instelling] eventueel het contact tussen de man en [minderjarige 1] kan begeleiden. De vrouw heeft echter geen stukken ingebracht, waaruit blijkt dat er inderdaad hulpverlening betrokken is en de stand van zaken van deze hulpverlening. Ook meldingen die gedaan zouden zijn bij Veilig Thuis ontbreken, evenals meldingen/aangiftes die bij de (zeden)politie gedaan zouden zijn. Overigens heeft de man tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij op 20 maart 2026 een gesprek heeft met Veilig Thuis, naar aanleiding van zijn eigen melding bij de politie vanwege onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijk gezag.
Wel is gebleken dat de politie op 19 februari 2026 een inval heeft gedaan bij de man thuis, volgens de man op grond van de Wet wapens en munitie. Hierbij is uiteindelijk één mes in beslag genomen, maar ook de telefoon van de man. Over het mes heeft de man verklaard dat hij dat nog in bezit had uit zijn defensieverleden. Hij wist niet dat hij dit specifieke mes niet mocht houden. De man weet niet waarom zijn telefoon is meegenomen, maar vermoedt dat dit is vanwege de beschuldigingen van de vrouw jegens hem.
De Raad adviseert dat er zo snel mogelijk moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de man en [minderjarige 1]. Het is hoe dan ook een zeer zorgelijke situatie, zowel in het geval de aantijgingen van de vrouw kloppen, als in het geval dit niet zo is. De Raad weet echter ook niet wat waar is en wat niet, zeker nu niet duidelijk is welke rollen de door de vrouw genoemde instanties spelen. Wat de Raad betreft dienen de ouders zich zo snel mogelijk te wenden tot het wijkteam of het [instantie 2] voor begeleid contact. De Raad heeft zich onthouden van een meer concreet advies hierover omdat er teveel onduidelijk is. Een raadsonderzoek is nu niet passend, mede gelet op de wachtlijst bij de Raad van zes maanden.
Hoewel dit in een voorlopige voorzieningenprocedure niet gebruikelijk is, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande aanleiding om de beslissingen in deze procedure aan te houden. De rechtbank heeft namelijk niet genoeg informatie om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen in het belang van [minderjarige 1]. De beschuldigingen van de vrouw richting de man zijn heel zorgwekkend, maar de rechtbank constateert dat de vrouw deze beschuldigen niet heeft onderbouwd. Onduidelijk blijft verder of, en zo ja in welke mate, hulpverlening en de (zeden)politie betrokken is. Als hulpverlening inderdaad betrokken is blijft onduidelijk waarom er tot op heden geen contact is opgenomen met de man om zijn kant van het verhaal te horen en te komen tot contactherstel tussen de man en [minderjarige 1].
De rechtbank stelt de vrouw daarom in de gelegenheid om uiterlijk binnen twee weken na deze beschikking (dus uiterlijk 9 april 2026) haar stellingen nader te onderbouwen door onder meer stukken in het geding te brengen van: [instantie 1], meldingen aan en schriftelijke terugkoppelingen van Veilig Thuis, aangiftes/meldingen bij de (zeden)politie, het [instantie 2], het wijkteam en eventueel [instelling] (die volgens de vrouw is benaderd voor begeleid contact).
De rechtbank wil ook graag zoveel mogelijk geïnformeerd worden over hun bevindingen met betrekking tot [minderjarige 1] en zijn ouders en hun visie op de (eventuele) noodzaak, en de mogelijkheden, voor begeleide omgang tussen de man en [minderjarige 1].
Ook de man wordt in de gelegenheid gesteld om zijn stellingen nader de onderbouwen uiterlijk op deze termijn. Van de man verwacht de rechtbank in ieder geval dat hij een terugkoppeling geeft van zijn gesprek met Veilig Thuis op 20 maart 2026.
De rechtbank stelt de ouders vervolgens in de gelegenheid om binnen één week na de hiervoor genoemde datum (dus uiterlijk 16 april 2026) op elkaars stukken te reageren. Vervolgens zal de rechtbank, eventueel na de Raad om een aanvullend advies te hebben gevraagd, binnen twee weken een beslissing nemen.
De rechtbank acht het zorgelijk dat de man en [minderjarige 1] elkaar al bijna twee maanden niet meer hebben gezien. De rechtbank is het met de Raad eens dat dit contact zo snel als mogelijk hersteld moet worden. De rechtbank verwacht daarom van beide ouders dat zij zich uiterlijk binnen twee werkdagen na deze beschikking (dus uiterlijk 30 maart 2026) wenden tot het wijkteam en het [instantie 2] om zo spoedig als mogelijk te komen tot begeleid contact tussen de man en [minderjarige 1]. Hoewel de vrouw haar aantijgingen tot op heden niet heeft onderbouwd, is er wel een politie-inval geweest in de woning van de man, waarbij onder meer zijn telefoon in beslag is genomen. Om die reden acht de rechtbank, zoals ook door de Raad is geadviseerd, voor nu begeleid contact nodig. De rechtbank verwacht van beide partijen dat zij (uiterlijk) 16 april 2026 ook een terugkoppeling geven aan de rechtbank met betrekking tot de stand van zaken van dit begeleid contact.
5 De beslissing
De rechtbank:
houdt iedere beslissing aan tot 21 april 2026 pro forma;
verzoekt de (advocaten van de) ouders te handelen zoals hiervoor is overwogen.
| Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.