Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Gelderland, 24 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7729Zaaknummer ARN 25/4448
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/4448
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. Wht. Verzoek om overname private schulden deels afgewezen. Te laat bezwaar gemaakt en geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
1. De Sociale Banken Nederland (SBN) is een uitvoeringsorganisatie die de minister helpt bij de uitvoering van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De SBN heeft namens de minister met het besluit van 21 maart 2025 op grond van de Wht de private schulden van eiseres deels overgenomen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar heeft dat volgens de minister zonder goede reden te laat gedaan. De minister heeft het bezwaar daarom met het besluit van 7 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 augustus 2025. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank moet beoordelen of de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister dat terecht heeft gedaan. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
Eiseres heeft in haar (aanvullend) beroepschrift gezegd dat het besluit van 21 maart 2025 op die datum is verzonden. De rechtbank gaat ervan uit dat er tussen partijen dus geen geschil is over de verzenddatum. Dit betekent dat eiseres haar bezwaarschrift uiterlijk 2 mei 2025 op de post had moeten doen.[_d2cc92ec-09f6-4c1f-a9fb-b3bf596f1fb0] Eiseres heeft bezwaar gemaakt door middel van een brief die zij per post heeft verzonden. In dat geval is het bezwaar tijdig als het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week nadien door de minister is ontvangen.[_83e52d94-4eb1-47a5-8687-dd518fd5d050]
Eiseres stelt dat zij haar bezwaarschrift op 30 april 2025 per (niet-aangetekende) post heeft verzonden, en dat zij dus op tijd bezwaar heeft gemaakt. De minister zegt dat het bezwaarschrift van eiseres op 14 mei 2025 is ontvangen en heeft die datum ook met een datumstempel op de envelop geplaatst waarmee het bezwaarschrift is verzonden. Omdat eiseres stelt dat zij op tijd bezwaar heeft gemaakt, moet zij dit aannemelijk maken.[_16accd98-85bc-4521-9ff2-fdda1b6a1b93] Eiseres is hierin niet geslaagd. Het enige dat haar standpunt ondersteunt, is dat eiseres in haar bezwaarschrift de dagtekening van 30 april 2025 heeft opgenomen. Maar dat levert geen bewijs op dat het bezwaarschrift ook die dag ter post is bezorgd. Eiseres heeft dus niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Of er daarnaast ook sprake was van een vertraagde interne (post)verwerking door de SBN zoals eiseres stelt, is dan niet meer relevant.
Dit betekent dus dat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt.
Ook als een bezwaarschrift te laat is ingediend, dan kan het alsnog inhoudelijk worden behandeld als de indiener een goede reden had om te laat bezwaar te maken.[_c2a42aa3-921f-4890-a471-954c629e7a6d] Degene die stelt dat een dergelijke reden aanwezig is – in dit geval: eiseres – moet het bestaan van die goede reden aannemelijk maken. De minister (en ook de rechtbank) moet daarbij goed kijken naar alle feiten en omstandigheden die in de concrete situatie van eiseres van belang zijn.[_d6bf0224-6e2f-4d41-8a18-de21e37a7823]
Eiseres wijst er ook in dit verband op dat er sprake is van een vertraagde postverwerking of interne verwerking door SBN. Daarnaast wijst zij erop dat zij slachtoffer van de toeslagenaffaire is, en dat daarom extra zorgvuldigheid en coulance wat betreft wettelijke termijnen op zijn plaats is. Het is volgens eiseres algemeen bekend dat erkende ouders vaak te maken hebben met langdurige stress, gezondheidsproblemen en administratieve achterstanden als gevolg van de gebeurtenissen rondom de toeslagenaffaire. Daarom had de minister het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk moeten behandelen.
Eiseres stelt wel dat er sprake is van vertraagde (post)verwerking door SBN, maar heeft dit standpunt op geen enkele manier onderbouwd. Eiseres wijst er verder in algemene zin op dat er coulant moet worden omgegaan met termijnen ten aanzien van slachtoffers van de toeslagenaffaire vanwege gezondheidsproblemen en administratieve achterstanden die het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Eiseres heeft echter op geen enkele manier onderbouwd dat die omstandigheden zich in haar concrete situatie ook voordoen in zodanige mate dat zij daardoor niet tijdig bezwaar kon maken. Het tegendeel lijkt eerder te volgen uit het dossieroverzicht van de SBN dat bij de zaakstukken zit. Daarin staat dat op 25 maart 2025 telefonisch contact tussen eiseres en de SBN is geweest. Dat is als volgt samengevat: “Ouder gesproken. Ze gaf aan dat ze denkt dat het bedrag niet klopt dat wij uitbetaald hebben. Ze gaat het narekenen en eventueel in bezwaar.” Hieruit lijkt eerder een beeld naar voren te komen dat eiseres al kort na ontvangst van het besluit van 21 maart 2025 haar twijfels had bij de juistheid van dat besluit en dat zij wist dat zij daartegen bezwaar kon maken.
Dit betekent dus dat eiseres geen goede reden had om te laat bezwaar te maken.
4. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres of om die op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4205
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
24 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. Y. Eryilmaz),
en
de minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: mr. J. Rhebergen).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde waren met bericht van verhindering afwezig.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
1. De Sociale Banken Nederland (SBN) is een uitvoeringsorganisatie die de minister helpt bij de uitvoering van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De SBN heeft namens de minister met het besluit van 21 maart 2025 op grond van de Wht de private schulden van eiseres deels overgenomen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar heeft dat volgens de minister zonder goede reden te laat gedaan. De minister heeft het bezwaar daarom met het besluit van 7 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 augustus 2025. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank moet beoordelen of de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister dat terecht heeft gedaan. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
Eiseres heeft in haar (aanvullend) beroepschrift gezegd dat het besluit van 21 maart 2025 op die datum is verzonden. De rechtbank gaat ervan uit dat er tussen partijen dus geen geschil is over de verzenddatum. Dit betekent dat eiseres haar bezwaarschrift uiterlijk 2 mei 2025 op de post had moeten doen.[_d2cc92ec-09f6-4c1f-a9fb-b3bf596f1fb0] Eiseres heeft bezwaar gemaakt door middel van een brief die zij per post heeft verzonden. In dat geval is het bezwaar tijdig als het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week nadien door de minister is ontvangen.[_83e52d94-4eb1-47a5-8687-dd518fd5d050]
Eiseres stelt dat zij haar bezwaarschrift op 30 april 2025 per (niet-aangetekende) post heeft verzonden, en dat zij dus op tijd bezwaar heeft gemaakt. De minister zegt dat het bezwaarschrift van eiseres op 14 mei 2025 is ontvangen en heeft die datum ook met een datumstempel op de envelop geplaatst waarmee het bezwaarschrift is verzonden. Omdat eiseres stelt dat zij op tijd bezwaar heeft gemaakt, moet zij dit aannemelijk maken.[_16accd98-85bc-4521-9ff2-fdda1b6a1b93] Eiseres is hierin niet geslaagd. Het enige dat haar standpunt ondersteunt, is dat eiseres in haar bezwaarschrift de dagtekening van 30 april 2025 heeft opgenomen. Maar dat levert geen bewijs op dat het bezwaarschrift ook die dag ter post is bezorgd. Eiseres heeft dus niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Of er daarnaast ook sprake was van een vertraagde interne (post)verwerking door de SBN zoals eiseres stelt, is dan niet meer relevant.
Dit betekent dus dat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt.
Ook als een bezwaarschrift te laat is ingediend, dan kan het alsnog inhoudelijk worden behandeld als de indiener een goede reden had om te laat bezwaar te maken.[_c2a42aa3-921f-4890-a471-954c629e7a6d] Degene die stelt dat een dergelijke reden aanwezig is – in dit geval: eiseres – moet het bestaan van die goede reden aannemelijk maken. De minister (en ook de rechtbank) moet daarbij goed kijken naar alle feiten en omstandigheden die in de concrete situatie van eiseres van belang zijn.[_d6bf0224-6e2f-4d41-8a18-de21e37a7823]
Eiseres wijst er ook in dit verband op dat er sprake is van een vertraagde postverwerking of interne verwerking door SBN. Daarnaast wijst zij erop dat zij slachtoffer van de toeslagenaffaire is, en dat daarom extra zorgvuldigheid en coulance wat betreft wettelijke termijnen op zijn plaats is. Het is volgens eiseres algemeen bekend dat erkende ouders vaak te maken hebben met langdurige stress, gezondheidsproblemen en administratieve achterstanden als gevolg van de gebeurtenissen rondom de toeslagenaffaire. Daarom had de minister het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk moeten behandelen.
Eiseres stelt wel dat er sprake is van vertraagde (post)verwerking door SBN, maar heeft dit standpunt op geen enkele manier onderbouwd. Eiseres wijst er verder in algemene zin op dat er coulant moet worden omgegaan met termijnen ten aanzien van slachtoffers van de toeslagenaffaire vanwege gezondheidsproblemen en administratieve achterstanden die het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Eiseres heeft echter op geen enkele manier onderbouwd dat die omstandigheden zich in haar concrete situatie ook voordoen in zodanige mate dat zij daardoor niet tijdig bezwaar kon maken. Het tegendeel lijkt eerder te volgen uit het dossieroverzicht van de SBN dat bij de zaakstukken zit. Daarin staat dat op 25 maart 2025 telefonisch contact tussen eiseres en de SBN is geweest. Dat is als volgt samengevat: “Ouder gesproken. Ze gaf aan dat ze denkt dat het bedrag niet klopt dat wij uitbetaald hebben. Ze gaat het narekenen en eventueel in bezwaar.” Hieruit lijkt eerder een beeld naar voren te komen dat eiseres al kort na ontvangst van het besluit van 21 maart 2025 haar twijfels had bij de juistheid van dat besluit en dat zij wist dat zij daartegen bezwaar kon maken.
Dit betekent dus dat eiseres geen goede reden had om te laat bezwaar te maken.
4. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres of om die op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.