Uitspraak · Burgerlijk procesrecht
Rechtbank Gelderland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7716Zaaknummer C/05/459246
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/05/459246
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ambtshalve verwijzing zaak naar kantonrechter, omdat naar voorlopig oordeel rechtbank sprake is van consumentenkoop
De rechtbank
in conventie en in reconventie
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Apeldoorn, op woensdag 21 oktober 2026 om 10:00 uur,
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
| Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Russcher en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/459246 / HZ ZA 25-322
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1],
te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
te [woonplaats],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser],
advocaat: mr. G.R.D. Dekker,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J. van den Bos.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 mei 2026,
- de akte indiening aanvullende producties van 7 september 2026 met producties van [gedaagde] ,- de mondelinge behandeling van 15 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
in conventie en in reconventie
[eiser] vordert in deze procedure (i) terugbetaling van € 39.215 die hij aan [gedaagde] heeft vooruitbetaald voor de levering en plaatsing van kozijnen en een keuken in zijn woning, en (ii) betaling van schadevergoeding van € 2.433,13. Volgens [eiser] maakt hij daarop aanspraak op grond van gedeeltelijke ontbinding van een tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk, en wanprestatie. In reconventie vordert [gedaagde] betaling van € 14.464,27 aan openstaande facturen.
Omdat het gevorderde bedrag meer dan € 25.000 bedraagt, is volgens [eiser] op grond van art. 93 aanhef en onder a Rv de handelskamer van de rechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen. [gedaagde] heeft dit niet bestreden. Wel heeft [gedaagde] zich in het kader van haar reconventionele vordering op het standpunt gesteld dat de overeenkomst ten aanzien van de kozijnen en keuken geen aanneming van werk, maar koop betreft.
Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen kenbaar gemaakt dat de vorderingen van [eiser] en [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de rechtbank door de kantonrechter moeten worden behandeld en beslist, en dat zij daarom voornemens is om de zaak in zijn geheel te verwijzen naar de kantonrechter.
Op grond van art. 93 aanhef en onder c Rv behandelt en beslist de kantonrechter zaken over consumentenkoopovereenkomsten. Consumentenkoop wordt in art. 7:5 lid 1 onder a BW omschreven als de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten tussen – kort gezegd – een verkoper en een consument. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] kan worden aangemerkt als verkoper en [eiser] als consument.
[eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [gedaagde] kozijnen en een keuken zou leveren voor de woning van [eiser] [gedaagde] heeft de maten voor de kozijnen opgenomen en zou vervolgens de kozijnen bij een derde bestellen. De keuken is door [eiser] bij een keukenhandel samengesteld en zou vervolgens door [gedaagde] worden besteld. Hieruit volgt dat bij het leveren van de kozijnen en keuken geen sprake is van het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard door [gedaagde] – zoals bij een overeenkomst van aanneming van werk – maar van koop: het leveren van een zaak tegen betaling. Dat de overeenkomst voor wat betreft de plaatsing van de kozijnen en keuken ook kenmerken heeft van aanneming van werk en/of opdracht, staat op zichzelf niet in de weg aan de kwalificatie van koop.[_52f49c73-e100-4202-b18a-66d0995366a7]
Bij plaatsing van de kozijnen en keuken in een woning, worden deze op grond van art. 3:4 BW in beginsel bestanddeel van die onroerende zaak.[_baf97dc2-19a3-421a-b9c9-c77062af9610] Dit staat er echter niet aan in de weg dat sprake is van consumentenkoop.
Op het moment van levering – vóór de plaatsing – zijn de kozijnen en (onderdelen van de) keuken immers wel roerend. Dat roerende zaken op enig moment door plaatsing bestanddeel van een onroerende zaak zullen worden, en daardoor geen zelfstandige roerende zaken meer zijn, staat niet in de weg aan toepassing van de consumentenkoopregeling voor zover de zaken voorafgaand aan de plaatsing wel aan die regeling onderworpen waren.
Het voornemen van de rechtbank om de zaak in zijn geheel te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank is tijdens de mondelinge behandeling besproken. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat dezelfde rechter na verwijzing als kantonrechter zal optreden en vonnis zal wijzen. Partijen hebben ermee ingestemd dat na verwijzing geen nieuwe mondelinge behandeling bij de kantonrechter zal plaatsvinden, en zich wat betreft de verwijzing gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de zaak op de voet van art. 71 lid 2 Rv in de stand waarin de zaak zich bevindt (de zaak staat voor vonnis), naar de kantonrechter verwijzen. Dit betreft het gehele geschil, dus inclusief de reconventie.
3 De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Apeldoorn, op woensdag 21 oktober 2026 om 10:00 uur,
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
| Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Russcher en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Voetnoten
- Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4989, onder 3.3.4. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 10 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:778, onder 3.2.
- Vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0130, onder 3.2.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.