Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Gelderland, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7671Zaaknummer C/05/469276
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/05/469276
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Beeindiging van duurovereenkomst voor bepaalde tijd? Voorshands geoordeeld geen sprake van rechtsgeldige opzegging, ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Verbintenissen moeten worden nagekomen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om de exploitatieovereenkomst na te komen en ter uitvoering daarvan binnen zeven werkdagen na betekening van dit vonnis, alle noodzakelijke handelingen te verrichten om de switch ongedaan te maken zodat EUC de exploitatie van het PV-Systeem kan hervatten, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00, te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd,
verbiedt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om gedurende de looptijd van de
exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC een switch uit te voeren waardoor EUC niet volledig het PV-Systeem kan exploiteren, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd,
verbiedt [gedaagde 1] c.s. om gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC curtailment uit te voeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat curtailment wordt uitgevoerd zonder toestemming van EUC, een en ander tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd,
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.231,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/469276 / KG ZA 26-285
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENERGY UNDER CONTROL B.V.,
statutair gevestigd te Arnhem en kantoorhoudende te Huissen,
eisende partij,
hierna te noemen: EUC,
advocaten: mrs. R.G.J. van den Nieuwenhuijsen en T.D.R. Bilas,
tegen
1. [gedaagde 1]
C.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] c.s. en ieder afzonderlijk respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
bijgestaan door: [persoon].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 17 van de zijde van EUC- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9 van de zijde van [gedaagde 1] c.s.- de aanvullende producties 18 tot en met 33 van de zijde van EUC
- de aanvullende productie 10 van de zijde van [gedaagde 1] c.s.- de mondelinge behandeling van 9 september 2026, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier- de pleitnota van EUC- de pleitnota van [gedaagde 1] c.s.
- de aanhouding na afloop van de zitting om een schikking te beproeven
- het verzoek van EUC om vonnis te wijzen.
Hierna is vonnis bepaald op heden.
2 De feiten
EUC is een vennootschap die zich in brede zin bezig houdt met zonnepanelen, waaronder exploitatie, reparatie en onderhoud. [gedaagde 1] is een vennootschap die is opgericht door [gedaagde 2] in het kader van de verhuur van energie gerelateerde producten.
EUC en [gedaagde 1] hebben op 15 november 2022 een overeenkomst gesloten voor de exploitatie van een dakgebonden fotovoltaïsch systeem (PV-systeem), ook wel een zonnepanelensysteem genoemd. Het PV-systeem wekt met behulp van zonlicht elektriciteit op, die via een netaansluiting aan het openbare net wordt geleverd en wordt verkocht aan een derde partij. Het PV-systeem van [gedaagde 1] bevond zich bij aanvang van de exploitatieovereenkomst op het dak van drie schuren aan de [adres] in Balgoij, die [gedaagde 2] destijds in gebruik had voor de exploitatie van zijn veehouderij.
De exploitatieovereenkomst vermeldt, voor zover thans van belang, het volgende:
‘(…)
Artikel 2 Verhuur van de PV-systemen
Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurder het PV-systeem vanaf de datum van Ingebruikname. De verbintenissen die met deze Overeenkomst tussen partijen tot stand komen betreffen die uit hoofde van een huurovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:201 BW.
(…)
De met het PV-systeem op te wekken elektriciteit komt volledig ten goede aan en voor rekening en risico van Huurder.
Artikel 3 Huurprijs
Huurder betaalt Verhuurder voor de huur van het PV-systeem per maand een gedeelte van de jaarlijkse definitieve huurprijs, vastgesteld conform de systematiek en de formules in Bijlage 3, te vermeerderen met omzetbelasting. De Huurprijs is uitdrukkelijk niet gekoppeld aan de daadwerkelijk met het PV-systeem gerealiseerde productie en/of opbrengst nu het ‘instralingsrisico’ bij Huurder ligt en de Huurprijs is gebaseerd op prognoses. (…)
Aangezien de definitieve huurprijs pas kan worden vastgesteld nadat de definitieve marktprijs is vastgesteld, betaalt Huurder aan Verhuurder een voorlopige huurprijs, zoals genoemd in Bijlage 3. De voorlopige huurprijs bedraagt met ingang van 1 oktober 2021 een voorlopige huurprijs gelijk aan daadwerkelijke productie tegen de marktprijs energie. De voorlopige huurprijs is dus gelijk aan de vergoeding van de energieleverancier.
(…)
Binnen 30 dagen na bekendmaking van de definitieve bedragen, stelt Verhuurder de definitieve huurprijs vast op basis van de systematiek en formules zoals opgenomen in Bijlage 3, en reikt Verhuurder aan Huurder een factuur uit waarbij de voor dat jaar gefactureerde voorlopige huurprijs wordt verrekend.
(…)
Artikel 4 Onderhoud en gebreken
Verhuurder draagt gedurende de volledige looptijd van de Overeenkomst zorg voor het onderhoud en de instandhouding van het PV-systeem zoals nader gespecificeerd in Bijlage 4. (…)
Storingen aan het PV-systeem dienen binnen een redelijke termijn na constatering door Huurder aan Verhuurder te worden gemeld via het in Bijlage 4 opgenomen storingsnummer. Huurder brengt Verhuurder daarbij terstond op de hoogte van elke melding van een Storing die Huurder doet.
Verhuurder zal ervoor zorgdragen dat Storingen aan het PV-systeem zo snel mogelijk worden herteld en waar nodig onderdelen van het PV-systeem worden vervangen.
Artikel 5 Facturering en betaling
De facturering van de Huurprijs vindt per maand plaats, voor het eerst op de dag van de ingebruikname. Betaling dient plaats te vinden binnen dertig dagen na factuurdatum.
(…)
Artikel 8 Datum aanvang, looptijd en beëindiging
De Overeenkomst gaat in vanaf het moment van Ingebruikname. De Overeenkomst eindigt zestien (16) volledige jaren later.
Verhuurder kan de Overeenkomst voorts tussentijds met onmiddellijke ingang ontbinden bij niet-nakoming door Huurder van de betalingsverplichtingen onder deze Overeenkomst, waaronder in ieder geval moet worden verstaan het achterwege blijven van tijdige betaling zoals bepaald in artikel 5 en indien de tekortkoming niet binnen een termijn van twee weken is hersteld.
(…)’
Bijlage 3 bij de overeenkomst vermeldt onder meer het volgende:
‘VERGOEDING
De hoogte van de jaarlijkse Exploitatievergoeding wordt per Productieperiode als volgt bepaald:
(…)’
Bijlage 4 bij de overeenkomst die EUC als productie in het geding heeft gebracht, vermeldt onder meer het volgende:
‘(…) Beschrijving beheerstaken
A. Monitoring
B. (…)
C. (…)
D. Rapportages
(…)
D. Rapportages
Onderaan de pagina staat de volgende handgeschreven tekst:
De duur van de exploitatieovereenkomst (zestien jaar) is gekoppeld aan de maximale looptijd van de door [gedaagde 1] c.s. verkregen SDE+-subsidie voor het PV-systeem.
Op grond van de exploitatieovereenkomst wekte EUC elektriciteit op door middel van het PV-systeem. Deze elektriciteit leverde EUC terug aan het net en werd door middel van een Power Purchase Agreement (PPA) verkocht aan [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ).
[bedrijf] heeft EUC eind 2022 geïnformeerd over de optie van curtailment. Toepassing van curtailment betekent dat het PV-systeem wordt af- en aangeschakeld op een gewenst moment. Als het PV-systeem is afgeschakeld, wordt er geen elektriciteit opgewekt. Het gebruik van curtailment kan rendabel zijn op het moment dat sprake is van negatieve energieprijzen. In ruil voor afschakeling ontvangt de exploitant van een PV-systeem een curtailmentvergoeding.
In overleg met [gedaagde 1] zijn werkzaamheden aan het PV-systeem verricht om het gereed te maken voor toepassing van curtailment. Omdat het vergoedingssysteem in de exploitatieovereenkomst niet uitgaat van de toepassing van curtailment, heeft EUC een aanpassing op de exploitatieovereenkomst voorgesteld aan [gedaagde 1]. Daarop is namens [gedaagde 1] niet gereageerd. In 2023 is vervolgens toch gestart met de toepassing van curtailment. De curtailmentvergoeding werd vanaf dat moment aan EUC betaald.
In december 2024 heeft [gedaagde 2] besloten gebruik te maken van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties. Door dit besluit tot uitkoop door de overheid, moest één van de stallen waarop zonnepanelen waren bevestigd worden gesloopt.
Op 13 januari 2025 heeft [gedaagde 1] zelf een PPA gesloten met [bedrijf] voor de exploitatie van haar PV-systeem. Op dat moment heeft [bedrijf] een zogenoemde switch uitgevoerd, op basis waarvan een administratieve verandering van producent op de netaansluiting heeft plaatsgevonden. Vanaf dat moment levert [gedaagde 1] zelf stroom aan het net die wordt verkocht aan [bedrijf] en ontvangt zij daarvoor van [bedrijf] rechtstreeks een vergoeding. [bedrijf] heeft EUC daarvan bij e-mailberichten van 13 en 14 januari 2025 op de hoogte gebracht.
EUC heeft bezwaar gemaakt tegen de switch en [bedrijf] verzocht de facturen aan haar te richten en uit te betalen. [bedrijf] heeft de factuur van februari 2025 op naam van EUC gezet, maar heeft de tenaamstelling in maart 2025 toch weer gewijzigd naar [gedaagde 1].
Ondertussen heeft het bedrijf Covolt in opdracht van EUC op 22 januari 2025 een analyse en meting uitgevoerd bij het PV-systeem van [gedaagde 1] c.s. De aanleiding voor deze opdracht was het optreden van storingen in de omvormers, waarbij werd vermoed dat de omvormers defect waren geraakt door de aansturing voor curtailment. De conclusie van Covolt luidde (onder andere) dat de zekeringen in de omvormers defect zijn geraakt en dat het te snel en te veel schakelen van de omvormer daartoe een oorzaak was. Covolt heeft vervolgens in opdracht en op kosten van EUC de defecte zekeringen vervangen.
Op 25 juni 2025 is het PV-systeem uitgeschakeld. De panelen die zich bevonden op het dak van één van de schuren van [gedaagde 2] zijn toen gedemonteerd en opnieuw geïnstalleerd op de grond. Het gaat om 450 panelen.
Op 31 juli 2025 hebben [gedaagde 1] c.s. een brief aan EUC gezonden, met de volgende inhoud:
‘(…)
Onderwerp: Opzegging exportatieovereenkomst tussen [gedaagde 1] C.V. (verhuurder) en Energy Under Control B.V. (huurder)
Bij deze zeg ik ( [gedaagde 1] C.V.) per direct (31 juli 2025) de exportatieovereenkomst met Energy Under Control B.V. op om de volgende redenen:
1. Sinds het begin van de overeenkomst is Energy Under Control B.V. in gebreke
gebleven inzake de monitoring van het dakgebonden PV-systeem. Er wordt geen
prestatierapportage per maand aangeleverd en geen inspectierapportage van het PV-
systeem per jaar aangeleverd.
2. Door het uitblijven van deze rapportages, zijn er dermate hoge opbrengstverliezen niet inzichtelijk gemaakt en worden er op deze verliezen ook geen acties ondernomen vanuit Energy Under Control B.V.
3. Er wordt alleen actie ondernomen door Energy Under Control B.V. als [gedaagde 1] C.V. vermoedt dat er iets mis is met het PV-systeem, terwijl Energy Under Control B.V. gebreken aan mij zou moeten melden.
4. Acties die ondernomen worden na aandringen van [gedaagde 1] C.V. vergen dermate lange doorlooptijd dat er enorme opbrengstverliezen zijn.
5. De monitoring van de omvormers is pas na 1 jaar in gebruik name actief en online zichtbaar geworden, maar [gedaagde 1] C.V. heeft wel voor dat jaar waarin er geen inzicht in de omvormers was betaald voor deze monitoring.
6. Er is door Energy Under Control B.V. vanaf het begin van in gebruik name van de het PV-systeem geen (preventief) onderhoud gedaan, waardoor er dermate grote schade aan de omvormers is ontstaan, dat deze vervangen moeten worden.
7. Stroomopbrengsten worden niet maandelijks door Energy Under Control B.V. naar [gedaagde 1] C.V. overgemaakt en verrekend met onderhouds- en monitoringskosten. Dubbel betaalde rekeningen als gevolg van de verrekening van Energy Under Control B.V. worden na herhaaldelijke herinneringen tot op heden niet teruggestort.
Doordat er vanuit Energy Under Control B.V. niet of niet goed gemonitord wordt en er geen
onderhoud gedaan is, is de geleden schade dermate groot dat [gedaagde 1] C.V. per direct stopt
met de samenwerking met Energy Under Control B.V. Voor de geleden schade eist [gedaagde 1] C.V. van Energy Under Control B.V. ter compensatie 7 nieuwe omvormers. Dit is naar inziens van [gedaagde 1] C.V. een kleine schadevergoeding voor een veel grotere schade. Indien Energy Under Control B.V. hiermee akkoord gaat, zal [gedaagde 1] C.V. afzien van verdere juridische stappen (afgezien van de nog te betalen energie- en curtailment vergoedingen die nog niet betaald zijn).
(…)’
EUC heeft [gedaagde 1] c.s. in reactie daarop bij brief van 27 augustus 2025 in gebreke gesteld wat betreft de nakoming van de exploitatieovereenkomst. De brief bevat een finale sommatie voor het voldoen van een aantal rekeningen en het maken van een keuze voor herstel van het PV-systeem in oorspronkelijke staat of herziening van de afspraken.
[gedaagde 1] c.s. hebben bij brief van 2 september 2025 kenbaar gemaakt zich niet in de inhoud van de ingebrekestelling te kunnen vinden. Verdere correspondentie tussen partijen heeft niet geleid tot een oplossing van de ontstane situatie.
3 Het geschil
EUC vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om de exploitatieovereenkomst na te
komen en ter uitvoering daarvan binnen zeven werkdagen, althans een in goede justitie te
bepalen termijn, na betekening van dit vonnis alle noodzakelijke handelingen te verrichten om de switch - indien mogelijk met terugwerkende kracht - ongedaan te maken zodat EUC de exploitatie van het PV-Systeem kan hervatten, zulks op straffe van een dwangsom van
€ 100.000,00 indien de switch niet tijdig ongedaan wordt gemaakt, te vermeerderen met
€ 15.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander tot een maximum van € 2.000.000,00 althans een in uw goede justitie te bepalen dwangsom, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd;
II [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk een verbod op te leggen om gedurende de looptijd van de
exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC een switch uit te voeren waardoor EUC niet volledig het PV-Systeem kan exploiteren, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 15.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander tot een maximum van € 2.000.000,00, althans een in uw goede justitie te bepalen dwangsom, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd;
III [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk een verbod op te leggen om gedurende de looptijd van de
exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC curtailment uit te voeren - of op andere wijze de werking van het PV-Systeem te verstoren waardoor EUC niet volledig het PV-Systeem kan exploiteren - zulks op straffe van een dwangsom van € 15.000,00 voor iedere dag dat curtailment wordt uitgevoerd zonder toestemming van EUC, een en ander tot een maximum van € 2.000.000,00, althans een in uw goede justitie te bepalen dwangsom, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd;
IV [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk een verbod op te leggen om gedurende de looptijd van de
exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC de locatie van het PV-Systeem opnieuw te veranderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 15.000,00 voor iedere dag dat de overtreding
voortduurt, een en ander tot een maximum van € 2.000.000,00, althans een in uw goede
justitie te bepalen dwangsom, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom
betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd;
V [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[gedaagde 1] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.
4 De beoordeling van het geschil
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat EUC daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
EUC heeft het spoedeisend belang bij haar vorderingen voldoende aangetoond. Indien de exploitatieovereenkomst nog altijd voortduurt, zoals EUC stelt, lijdt zij al geruime tijd schade door het handelen van [gedaagde 1] c.s. Van EUC kan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht voordat daarover duidelijkheid komt, zodat de vorderingen hierna inhoudelijk zullen worden behandeld en beoordeeld.
De overeenkomst kon niet worden opgezegd
Partijen twisten over de kwalificatie van de exploitatieovereenkomst en, in het verlengde daarvan, over de vraag of [gedaagde 1] de overeenkomst kon opzeggen. Ook als [gedaagde 1] c.s. terecht betogen dat de exploitatieovereenkomst niet alleen moet worden aangemerkt als een huurovereenkomst maar ook als een overeenkomst van opdracht en een overeenkomst van aanneming van werk, brengt dit niet mee dat [gedaagde 1] c.s. de gemengde overeenkomst in zijn geheel kon opzeggen op grond van artikel 7:408 lid 1 BW en/of artikel 7:764 lid 1 BW. Naar voorlopig oordeel stelt EUC namelijk terecht dat de huur van de PV-installatie, waarop de vorderingen van EUC zijn gebaseerd, centraal staat en overheerst, zoals partijen ook tot uitdrukking hebben gebracht in artikel 2.1 van de exploitatieovereenkomst.[_c60ecac4-9d23-41de-9868-5b17c2b472f9] Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van zestien jaar en daarmee voor bepaalde tijd. De duur van de exploitatieovereenkomst is daarbij afgestemd op de maximale looptijd van de SDE+-subsidie. Nu de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, eindigt deze overeenkomst op grond van artikel 7:228 lid 1 BW in beginsel wanneer de overeengekomen tijd is verstreken. Vaststaat weliswaar dat de overeenkomst in artikel 8.3 een regeling bevat voor de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst door de verhuurder, maar EUC heeft onweersproken aangevoerd dat de daarin vermelde situaties zich niet voordoen. De verwijten die [gedaagde 1] c.s. in hun brief van 31 juli 2025 jegens EUC maken, leiden er voorshands geoordeeld ook niet toe dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat tussentijdse opzegging van de gehele overeenkomst mogelijk is. Nu gesteld noch gebleken is van onvoorziene omstandigheden die maken dat opzegging door [gedaagde 1] c.s. alsnog is gerechtvaardigd, moet het ervoor worden gehouden dat de exploitatieovereenkomst niet door opzegging rechtsgeldig is beëindigd.
De overeenkomst kon niet worden ontbonden
Voor zover de brief van 31 juli 2025 moet worden gekwalificeerd als een beroep op ontbinding van de exploitatieovereenkomst, zoals [gedaagde 1] c.s. stelt, geldt het volgende. Artikel 8 van de overeenkomst bevat een regeling over de beëindiging daarvan. Artikel 8.2 bepaalt dat de verhuurder de overeenkomst tussentijds met onmiddellijke ingang kan ontbinden bij niet-nakoming door huurder van de betalingsverplichtingen onder de overeenkomst, waaronder in ieder geval moet worden verstaan het achterwege blijven van tijdige betaling zoals bepaald in artikel 5 van de overeenkomst en indien de tekortkoming niet binnen een termijn van twee weken is hersteld. Volgens [gedaagde 1] c.s. heeft deze situatie zich (meermaals) voorgedaan, in ieder geval doordat facturen uit 2023, 2024 en 2025 niet op tijd zijn voldaan, één factuur ten onrechte dubbel is gefactureerd en de factuur voor de maand juli 2025 in het geheel ontbreekt en dus onbetaald is gebleven. EUC heeft het volgende aangevoerd. De dubbel betaalde factuur is al op 20 juni 2023 terugbetaald. De facturen uit 2024 zijn na overleg met [gedaagde 1] niet verrekend maar alsnog betaald. Door toedoen van [gedaagde 1] c.s. beschikte EUC niet over de gegevens om (tijdig) aan haar facturerings- en betalingsverplichtingen onder de overeenkomst te kunnen voldoen. Vanwege de zogenaamde switch van contractant bij [bedrijf], die in strijd met de overeenkomst en zonder toestemming van EUC heeft plaatsgevonden, had EUC vanaf 13 januari 2025 geen toegang meer tot de data van de energieleverancier om facturen op te maken. Dat gold met name voor de destijds geldende marktenergieprijs. EUC heeft ter zitting toegelicht dat zij gedurende het jaar 2025 steeds met de nodige moeite de benodigde gegevens heeft vergaard en dat zij, na het opstellen van de facturen, binnen de overeengekomen betalingstermijn heeft betaald, aldus EUC. Deze omstandigheden zijn niet voldoende weersproken door [gedaagde 1] c.s. Hiervan uitgaande is aannemelijk dat [gedaagde 1] c.s. het uitblijven van tijdige betaling zelf in de hand heeft gewerkt en in die zin nakoming heeft verhinderd, zodat feitelijk sprake is van schuldeisersverzuim. Dit alles leidt ertoe dat [gedaagde 1] c.s. zich niet op de ontbindingsmogelijkheid van artikel 8.2 van de overeenkomst kan beroepen, nog daargelaten of [gedaagde 1] c.s. op grond van dat artikel een hersteltermijn van twee weken had moeten bieden aan EUC. Vaststaat dat zij dat niet heeft gedaan.
Een beroep op de algemene ontbindingsmogelijkheid als opgenomen in artikel 6:265 BW slaagt voorshands geoordeeld evenmin. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [gedaagde 1] c.s. hebben zich beroepen op een aantal tekortkomingen aan de zijde van EUC, te weten een schending van de verplichting tot monitoring, tot maandelijks rapporteren, tot jaarlijkse inspectie en tot maandelijkse facturering en tijdige betaling. Ten aanzien van de monitorings- en rapportageverplichtingen stelt EUC zich op het standpunt dat [gedaagde 1] c.s. via E-Solys volledige en realtime toegang heeft tot de prestaties van het PV-systeem en dat daarin eveneens maandrapportages worden weergegeven. Volgens EUC zijn [gedaagde 1] c.s. van deze inzagemogelijkheid op de hoogte gesteld. Nu [gedaagde 1] c.s. dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken, zal daarvan worden uitgegaan. Bovendien heeft EUC ook verder onweersproken gesteld dat zij bepaalde storingen proactief aan [gedaagde 1] c.s. heeft gemeld, waarna controles en herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Dat EUC met betrekking tot de monitorings- en rapportageverplichtingen tekort is geschoten jegens [gedaagde 1] c.s. kan dan ook niet worden gevolgd. Nu EUC ten aanzien van de verplichting tot inspectie van het PV-systeem onderbouwd heeft gesteld dat jaarlijks visuele inspecties zijn uitgevoerd, waarbij [gedaagde 2] vrijwel altijd aanwezig was en waarvan ook data en documentatie in E-Solys beschikbaar was voor [gedaagde 1] c.s., kan ook ten aanzien van de nakoming van deze verbintenis geen tekortkoming worden aangenomen. Over de facturering en betaling is hiervoor onder 4.4. al het een en ander overwogen. Ten aanzien van de facturen over juni, juli en augustus 2024 wordt aanvullend nog overwogen dat namens EUC is opgemerkt dat zij uit praktische overwegingen had voorgesteld deze drie facturen te verrekenen met uitstaande betalingen van [gedaagde 1], maar dat zij alsnog tot betaling is overgegaan toen bleek dat [gedaagde 1] daarmee niet akkoord was. Hoewel EUC daarmee niet tijdig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze tekortkoming van zodanig geringe aard is dat deze de ontbinding van de exploitatieovereenkomst niet rechtvaardigt.
De overeenkomst kon niet worden vernietigd
Het beroep van [gedaagde 1] c.s. op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling slaagt evenmin. Dat namens EUC voorafgaand aan en bij het sluiten van de overeenkomst ten onrechte zou zijn verklaard dat zij een specialist is op het gebied van duurzame oplossingen op het gebied van energie en dat zij beschikt over de kennis en kunde om PV-systemen te kunnen exploiteren, zoals [gedaagde 1] c.s. aanvoeren, hebben [gedaagde 1] c.s. onvoldoende onderbouwd. Op basis van de stellingen van [gedaagde 1] c.s. kan niet worden aangenomen dat EUC gedurende de looptijd van de overeenkomst onkundig is gebleken. Dat EUC voorts voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst melding had moeten maken van de omstandigheid dat zij zich heeft bediend van bedrog bij het sluiten van een hoogst vergelijkbare overeenkomst met een andere partij, zoals [gedaagde 1] c.s. aanvoeren, gaat evenmin op. Hoewel door de kantonrechter van deze rechtbank bij tussenvonnis van 27 november 2024 is geoordeeld dat aan de zijde van EUC in de daar voorliggende situatie inderdaad sprake was van bedrog, heeft EUC in de onderhavige kort gedingprocedure voldoende aannemelijk gemaakt dat dat geschilpunt pas speelde vanaf
21 juli 2023 en aldus na het sluiten van de exploitatieovereenkomst op 15 november 2022. Dat de samenwerking achteraf niet is uitgepakt zoals [gedaagde 1] c.s. hadden gehoopt, is te wijten aan diverse factoren die beide partijen graag anders hadden gezien, maar houdt voorshands geoordeeld geen verband met feiten en omstandigheden die EUC voorafgaand aan de overeenkomst had moeten melden, bij gebreke waarvan bij [gedaagde 1] c.s. een onjuiste voorstelling van zaken is ontstaan. Daarmee is de overeenkomst ook niet rechtsgeldig op grond van artikel 6:228 lid 1 sub a en/of b BW vernietigbaar.
[gedaagde 1] c.s. moet de overeenkomst nakomen
Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat de exploitatieovereenkomst tussen partijen voortduurt. Vaststaat dat [gedaagde 1] c.s. niet handelen in lijn met hetgeen tussen partijen is overeengekomen. Zij schieten daarmee tekort in de nakoming van de op hen rustende verbintenissen. Een grondslag om die situatie nog langer te laten voortduren ontbreekt, zodat [gedaagde 1] c.s. de op [gedaagde 1] rustende verbintenissen weer moeten nakomen. In de eerste plaats dienen [gedaagde 1] c.s. de switch die op 13 januari 2025 bij [bedrijf] is doorgevoerd, terug te draaien. Op basis van de exploitatieovereenkomst is het EUC als huurder van het PV-systeem die de daarmee opgewekte energie verkoopt en levert aan een derde partij en niet [gedaagde 1] als verhuurder. De vorderingen onder I en II zullen daarom worden toegewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat EUC onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de switch kan worden teruggedraaid met terugwerkende kracht, zodat dat deel van de vordering onder I zal worden afgewezen.
Verder is het ook aan EUC als huurder van het PV-systeem om dat systeem te exploiteren op de door haar gewenste wijze. Ter zitting heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij medio 2023 een document van [bedrijf] heeft ondertekend, op basis waarvan in geval van curtailment een vergoeding aan EUC zou worden betaald. Vanaf dat moment is de mogelijkheid van curtailment ook daadwerkelijk op het PV-systeem toegepast. Op basis van deze gang van zaken is aannemelijk dat, hoewel vaststaat dat EUC op 1 juni 2023 een overeenkomst over curtailment is aangegaan met [bedrijf], het niet EUC zelf is geweest die uiteindelijk haar akkoord heeft gegeven voor de daadwerkelijke toepassing van curtailment. Nu EUC stelt dat zij geen curtailment wenst zolang tussen partijen geen afwijkende vergoeding is overeengekomen en dat op dit moment wel gebeurt, heeft EUC belang bij het onder III gevorderde verbod om gedurende de looptijd van de overeenkomst zonder toestemming van EUC curtailment uit te voeren. Dat EUC de curtailmentvergoeding ontvangt, maakt dat niet anders. Dit gedeelte van de vordering onder III zal daarom worden toegewezen. Ten aanzien van het op andere wijze verstoren van de werking van het PV-systeem waardoor EUC niet volledig het PV-systeem kan exploiteren, is onduidelijk wat EUC daaronder verstaat of waarvoor zij in dat opzicht vreest. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen.
Dat gegronde vrees bestaat voor de situatie dat [gedaagde 1] c.s. de locatie van het PV-systeem nogmaals zonder toestemming van EUC zal veranderen, is niet in voldoende mate gebleken. Vaststaat dat [gedaagde 1] c.s. medio 2025 een gedeelte van het PV-systeem heeft verplaatst, maar [gedaagde 1] c.s. hebben ter zitting toegelicht dat dit noodzakelijk was vanwege bedrijfsbeëindiging en de daarmee samenhangende verplichting tot afbraak van de stal waarop dat gedeelte van het systeem was bevestigd. EUC heeft, mede gelet op het tijdsverloop sinds medio 2025, niet voldoende toegelicht dat moet worden gevreesd dat deze situatie zich nogmaals zal voordoen, zodat het onder IV gevorderde verbod om gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC de locatie van het PV-systeem opnieuw te veranderen, zal worden afgewezen.
Dwangsommen en proceskosten
De gevorderde dwangsommen zullen beperkt en gemaximeerd worden toegewezen als vermeld in de beslissing.
[gedaagde 1] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van EUC worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 130,18 | |
| - griffierecht | € | 735,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 2.231,18 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om de exploitatieovereenkomst na te komen en ter uitvoering daarvan binnen zeven werkdagen na betekening van dit vonnis, alle noodzakelijke handelingen te verrichten om de switch ongedaan te maken zodat EUC de exploitatie van het PV-Systeem kan hervatten, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00, te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd,
verbiedt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om gedurende de looptijd van de
exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC een switch uit te voeren waardoor EUC niet volledig het PV-Systeem kan exploiteren, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd,
verbiedt [gedaagde 1] c.s. om gedurende de looptijd van de exploitatieovereenkomst zonder toestemming van EUC curtailment uit te voeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat curtailment wordt uitgevoerd zonder toestemming van EUC, een en ander tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, met dien verstande dat wanneer de een de dwangsom betaalt de ander voor dat deel van de dwangsom zal zijn bevrijd,
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.231,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Voetnoten
- Vgl. Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.