Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Gelderland, 26 augustus 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7640Zaaknummer K/5001/12051664
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/5001/12051664
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Onvoldoende vast komen te staan dat de bewindvoerder toerekenbaar tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. Materiële schadevordering grotendeels afgewezen. Immateriële schadevordering afgewezen.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 121,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 24 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
47414 \ 53331
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12051664 \ CV EXPL 26-551
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.F.I. Abadom,
tegen
[bedrijfsnaam] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken;
- de akte overlegging producties van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 10 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Bij beschikking van 24 april 2020 van deze rechtbank, locatie Zutphen, wordt een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser], met benoeming van [gedaagde] als bewindvoerder.
Op 18 februari 2022 komt [gedaagde] een saneringskrediet overeen met de Stadsbank Apeldoorn (hierna: Stadsbank) voor een totaalbedrag van € 20.909,52 (inclusief een kredietvergoeding van € 2.794,49) voor een looptijd van drie jaar, met een aflossingsbedrag van € 580,82 per maand.
Bij brief van 12 mei 2025 dient [eiser] een klacht in bij [gedaagde] dat zij haar bewindstaken onbehoorlijk heeft uitgevoerd, waardoor nieuwe schulden zijn ontstaan en [eiser] schade heeft geleden. In de brief wordt [gedaagde] aansprakelijk gesteld en vraagt [eiser] om opheffing van het bewind.
Op 13 november 2025 schrijft de gemachtigde van [eiser] een brief naar [gedaagde] met daarin een aansprakelijkheidsstelling voor een bedrag van € 8.230,10 aan materiële en immateriële schade, een sommatie om voornoemd bedrag binnen 14 dagen te betalen en een verzoek om medewerking te verlenen aan het opheffen van het bewind.
In reactie daarop geeft [gedaagde] bij e-mailbericht van 3 december 2025 aan bereid te zijn een bedrag van € 36,66 aan schade te vergoeden voor de te late betaling van een factuur van Infomedics, maar verder wijst zij de aansprakelijkheid af.
Bij brief van 2 januari 2026 bericht de Stadsbank aan [gedaagde] dat op 30 december 2025 het saneringskrediet volledig is afgelost.
Bij beschikking van 5 juni 2026 van deze rechtbank, locatie Zutphen, wordt het bewind over de goederen van [eiser] opgeheven.
3 Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad dat de kantonrechter:
- [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.230,10 aan materiële schade, vermeerderd met rente;
- [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade;
- [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 686,51 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente;
- het bewind opheft;
- [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in de zorg van een goed bewindvoerder tekortgeschoten en heeft daarmee onrechtmatig tegenover haar gehandeld. [gedaagde] heeft zich onbehoorlijk tegenover haar gedragen door het niet tijdig nakomen van betalingsverplichtingen, het laten ontstaan van nieuwe schulden, het niet tijdig doorgeven van inkomenswijzigingen aan de Belastingdienst en het betalen van vorderingen die niet op haar naam of op de naam van haar ex-partner staan. Als gevolg van het nalatig en onzorgvuldig handelen is [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW en artikel 1:444 BW aansprakelijk voor de schade. De schade beloopt een totaalbedrag van
€ 8.230,10, bestaande uit € 6.230,10 aan materiële schade en € 2.000,- immateriële schade. Daarnaast is geen sprake meer van noodzaak tot voortzetting van het bewind en vraagt zij om opheffing van het bewind. [gedaagde] is in verzuim komen te verkeren en [eiser] heeft haar vordering uit handen moeten geven. Zij maakt daarom ook aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en rente.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Vooropgesteld wordt dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat het bewind over de goederen van [eiser] bij beschikking van 5 juni 2026 is opgeheven. De gemachtigde van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de vordering tot het opheffen van het bewind daarom niet meer behandeld hoeft te worden. Om die reden beschouwt de kantonrechter dit deel van de vordering als ingetrokken.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] in haar verplichtingen tegenover [eiser] tekort is geschoten en uit hoofde daarvan aansprakelijk is en zo ja, of [gedaagde] de door [eiser] gevorderde schade moet vergoeden. Bij de beoordeling van de vorderingen wordt vooropgesteld dat in artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens een rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Van aansprakelijkheid is slechts sprake als de bewindvoerder keuzes maakt, die geen redelijk handelend bewindvoerder in vergelijkbare omstandigheden gemaakt zou hebben. Bepalend is daarbij wat de bewindvoerder wist of redelijkerwijs kon weten op het moment dat hij de handeling verrichtte.
De schadevordering van [eiser] wordt hierna per post besproken. Daarbij wordt opgemerkt dat voor zover het gaat om de gevorderde materiële schadevergoeding deze posten zich beperken tot bewindsvoerderskosten, kosten in verband met facturen van Infomedics en onterecht ontvangen toeslagen van de Belastingdienst, in totaal een bedrag van € 6.230,10. Daarnaast gaat het om een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade. De overige door [eiser] in het lichaam van de dagvaarding gestelde posten worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet zijn meegenomen in het petitum van de dagvaarding en het daarin gevorderde schadebedrag.
Bewindvoerderskosten
[eiser] stelt dat door toedoen van [gedaagde] de termijn (februari 2025) voor de volledige aflossing van de lening van de Stadsbank niet is gehaald. In 2022 is het maandelijkse aflossingsbedrag weliswaar in overleg verlaagd naar € 400,- in verband met een veranderde financiële situatie, maar in de jaren vanaf 2023 is haar inkomen aanzienlijk gestegen, waarmee de aflossingstermijn van drie jaar gehaald kon worden. [gedaagde] had het maandelijkse aflossingsbedrag aan de Stadsbank moeten en kunnen verhogen, maar heeft dat nagelaten. Daardoor stond in februari 2025 onnodig een bedrag van € 3.184,07 open, waardoor de looptijd van het krediet met 10 maanden is verlengd tot januari 2026. Deze verlening brengt extra kosten met zich mee, namelijk een bedrag van € 1.829,10 aan bewindvoerderskosten en € 150,00 aan rente, omdat daardoor ook het bewind 10 maanden langer heeft geduurd.
[gedaagde] betwist dat de aflossing van het krediet onnodig lang heeft geduurd. Er werd aanvankelijk maandelijks een bedrag van € 580,82 afgelost aan de Stadbank, maar door een verandering in de financiële situatie van [eiser] was verlaging van de aflostermijn noodzakelijk om budgettaire problemen te voorkomen. Daardoor heeft het langer geduurd om de schuld aan de Stadsbank af te lossen. De maandelijkse aflossing is na de verhoging van het inkomen van [eiser] niet meer verhoogd, omdat, ondanks de inkomensstijging, geen budgettaire ruimte aanwezig was.
De kantonrechter wijst deze schadevordering van [eiser] af, reeds omdat niet vast is komen te staan dat door het handelen of nalaten van de bewindvoerder de aflossingstermijn voor de lening van de Stadsbank niet is gehaald. Niet in geschil is dat de bij aanvang beoogde datum van volledige aflossing van het krediet niet is gehaald door een noodzakelijke, in overleg met [eiser] in 2022 afgesproken, verlaging van het maandelijkse aflossingsbedrag. Gelet daarop had [eiser] moeten onderbouwen dat door de inkomensstijgingen in de jaren daarna, door verhoging(en) van het maandelijkse aflossingsbedrag, de oorspronkelijke aflossingstermijn van de lening alsnog gehaald had kunnen worden. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft uitsluitend gewezen op haar inkomensstijgingen, maar dat enkele feit impliceert nog niet zonder meer dat er voldoende budgettaire ruimte was voor aflossing van het krediet in februari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat er een digitale omgeving is waarin [eiser] haar financiën kan inzien en dat er meerdere keren rekening en verantwoording is afgelegd, die alle door [eiser] voor akkoord zijn ondertekend. [eiser] had dus ook de mogelijkheid om haar stellingname nader te concretiseren en haar vordering door middel van financiële stukken te onderbouwen.
Facturen tandarts en XpertClinics handtherapie
[eiser] stelt dat [gedaagde] tandartsfacturen en een factuur voor handtherapie, gefactureerd door Infomedics, niet op tijd heeft betaald, danwel betalingsregelingen daarvoor niet is nagekomen. Daardoor zijn er onnodig extra incassokosten en rente betaald, in totaal een bedrag van € 80,00. Dat moet [gedaagde] aan haar vergoeden.
[gedaagde] erkent dat zij één factuur te laat heeft betaald en daardoor kosten zijn ontstaan die voorkomen hadden kunnen worden. Het gaat volgens haar om een bedrag van
€ 39,66, bestaande uit € 31,50 aan incassokosten en € 8,16 aan rente. [gedaagde] is bereid om dit bedrag aan [eiser] te vergoeden. Voor het overige betwist zij de schadevordering.
Nu [gedaagde] de vordering erkent tot een bedrag van € 39,66 wijst de kantonrechter dit bedrag toe. Het resterende bedrag van € 40,34 wijst de kantonrechter af. Niet vast is komen te staan dat [eiser] meer kosten heeft moeten, omdat [gedaagde] facturen niet op tijd heeft betaald of betalingsregeling niet (op tijd) is nagekomen. Een duidelijke onderbouwing van die stelling ontbreekt.
Belastingschuld
[eiser] stelt dat [gedaagde] in de periode 2022 tot en met 2024 heeft nagelaten om het gewijzigde inkomen door te geven aan de Belastingdienst, waardoor zij te veel toeslagen heeft ontvangen en moest terugbetalen. Ook is een te laag jaarinkomen opgegeven wat ook heeft geleid tot een terugvordering. Het totaalbedrag aan onterecht ontvangen toeslagen bedraagt € 4.239,00. Dit bedrag is verhoogd met een invorderingsrente van
€ 82,00. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat het inkomen van [eiser] niet goed is doorgegeven aan de Belastingdienst, waardoor [eiser] ten onrechte toeslagen heeft ontvangen en moest terugbetalen. Zij is bereid om het bedrag aan invorderingsrente van € 82,00 aan [eiser] te vergoeden. [gedaagde] betwist echter dat het bedrag van de terugbetaling als zodanig valt aan te merken als schade, omdat het geen invloed heeft op het vermogen van [eiser].
De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat het feit dat [eiser] het bedrag dat zij onterecht heeft ontvangen aan toeslagen moet terug betalen, niet betekent dat zij voor dat bedrag schade heeft geleden. Het betekent immers niet meer dan dat haar vermogen afneemt met het bedrag waarmee dat eerder ten onrechte is toegenomen. Dat is anders voor zover het gaat om de invorderingsrente. Die kosten zouden er niet zijn geweest als het inkomen goed zou zijn doorgegeven en betaling van toeslagen achterwege was gebleven. Op basis van het voorgaande wordt het gevorderde bedrag daarom toegewezen tot een bedrag van € 82,00 aan invorderingsrente.
Immateriële schadevergoeding
De gevorderde immateriële schadevergoeding is gegrond op de aantasting van [eiser] in haar persoon zoals bepaald in artikel 6:106 sub b BW. Daarvoor is vereist dat [eiser] voldoende concrete gegevens aanvoert waaruit volgt dat door het handelen van [gedaagde] psychische schade bij haar is ontstaan. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld.
Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] op een paar punten in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten. Ook is voldoende gebleken dat de communicatie aan de kant van [gedaagde] naar [eiser] toe regelmatig onder de maat is geweest. Een voorbeeld daarvan is dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij niet weet of zij een inhoudelijke reactie heeft gegeven op de klachtbrief van 12 mei 2025. De kantonrechter acht het voorstelbaar dat het handelen danwel nalaten van [gedaagde] en het niet altijd in voldoende mate beantwoorden van vragen die dat bij [eiser] opriep, aan de kant van [eiser] heeft gezorgd voor een zekere mate van stress en een gebrek aan vertrouwen in [gedaagde]. Hoe vervelend en begrijpelijk ook, is dit echter onvoldoende om de vordering van [eiser] tot vergoeding van immateriële schade toe te wijzen. Aan bovengenoemde maatstaf, geformuleerd in r.o. 4.10., is namelijk niet voldaan. [eiser] heeft niet met concrete gegevens (bijvoorbeeld met een beoordeling van een psycholoog of psychiater) onderbouwd dat zij psychische klachten heeft geleden door het volgens haar niet goed handelen danwel nalaten van [gedaagde] als bewindvoerder. Daardoor kan het bestaan van (eventueel) geestelijk letsel bij [eiser] (door het handelen van [gedaagde]) niet worden vastgesteld. Ook heeft [eiser] het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding niet nader onderbouwd. Om die redenen wijst de kantonrechter deze vordering af.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het toe te wijzen bedrag wordt, hoewel niet van toepassing, gebaseerd op de tarieven opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, omdat die tarieven geacht worden redelijk te zijn. Op basis van de toegewezen hoofdsom van € 121,66 en voornoemde tarieven wordt een bedrag van € 48,40 (inclusief btw, omdat [eiser] geen ondernemer is) aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding (24 december 2025).
De gevorderde wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom wordt toegewezen met ingang van de datum van de datum van de dagvaarding (24 december 2025). [eiser] heeft niet toegelicht waarom [gedaagde] de rente eerder is verschuldigd.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 121,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 24 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
47414 \ 53331
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.