Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Gelderland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7639Zaaknummer ARN 25/6046

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
12 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/6046
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

VPB. Een bv heeft diverse leningen verstrekt aan een zustervennootschap. De bv verkrijgt vervolgens de aandelen in de zustervennootschap en de zustervennootschap wordt daarna ontbonden. In geschil is of de bv een verlies op (een deel van) de leningen in aanmerking kan nemen, in het bijzonder of sprake is van onzakelijke leningen. Voor zover sprake is van onzakelijke leningen is in geschil of deze tot het opgeofferde bedrag voor de toepassing van de liquidatieverliesregeling kunnen worden gerekend. Beroep gegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag naar nihil;
  • vernietigt de belastingrentebeschikking;
  • wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking en stelt het verlies vast op € 22.385;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868;
  • bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 385 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 7 oktober 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [bedrijf 1] , uit [plaats] , belanghebbende
  2. Inleiding
  3. Feiten
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/6046

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 oktober 2026

in de zaak tussen

[bedrijf 1] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 november 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 83.616.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.977 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon 1], bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5].

Feiten

1. [persoon 1] was enig aandeelhouder van belanghebbende en [bedrijf 2]. Belanghebbende was ook enig aandeelhouder van [bedrijf 3]. [bedrijf 3] was op haar beurt enig aandeelhouder van [bedrijf 4].

2. Belanghebbende staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich onder meer bezig houden met timmerwerk aan en schilderwerk van jachten. Zij verricht deze werkzaamheden voor wat betreft het schilderwerk aan jachten voornamelijk vanuit [plaats]. Daar staat een scheepswerf ter beschikking waar de betreffende werkzaamheden worden uitgevoerd. Het timmerwerk wordt hoofdzakelijk verricht in [plaats]. [bedrijf 2] stond aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich op locatie bezighielden met schilderwerk aan schepen. Zij verrichte de werkzaamheden op locaties in [plaats] en [bedrijf 2].

3. Belanghebbende heeft aan [bedrijf 2] gelden verstrekt. Het gaat om bedragen van in totaal € 196.208 (stand per 1 januari 2018), € 370.201 (stand ultimo 2018) en € 691.939 (stand ultimo 2019). In 2020 heeft een aflossing plaatsgevonden van € 90.207 vanwege de overdracht van enkele activa. De totale som van de schuldvorderingen in 2020 is derhalve € 601.732.

4. Belanghebbende had in 2020 ook een vordering op [bedrijf 3] van € 134.241. [bedrijf 4] heeft aan [bedrijf 3] een lening verstrekt van € 101.877 (stand 2020).

5. In 2018 is een traject gestart om de bestaande vennootschappelijke structuur te wijzigen, zodanig dat belanghebbende de enig aandeelhouder van [bedrijf 2] zou worden. In een gespreksnotitie van 24 oktober 2018 is hierover onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Actuele situatie

Op dit moment is de heer [persoon 1] enig aandeelhouder van enerzijds [bedrijf 1] met als dochtervennootschappen [vennootschap 1], [vennootschap 2], [vennootschap 3],

[bedrijf 3], welke laatste vennootschap als dochtervennootschap heeft [bedrijf 4], en anderzijds [bedrijf 2] met als dochtervennootschappen [vennootschap 1], [vennootschap 4] en [vennootschap 5] B.V.

Er bestaan derhalve twee structuren naast elkaar, die deels min of meer dezelfde danwel in elkaar grijpende werkzaamheden verrichten, waarbij de (hoofd)activiteiten bestaan uit het verrichten van schilderwerk aan met name jachten, het maken van betimmeringen voor met name jachten en het exploiteren van een [bedrijf 4] met daaraan gekoppeld horeca activiteiten; voorts is nog sprake van een jachtmakelaardij en het verkopen van een aantal

(deels in eigen beheer (af)gebouwde) jachten. Inzet van personeel en middelen vindt tussen de verschillende vennootschapen soms over en weer plaats. Naar de bank toe zijn de verschillende vennootschapen over en weer gebonden; er is (deels) sprake van een ‘overkoepelende’ financiering.

(…)

Structuur

[bedrijf 1] kan de aandelen [bedrijf 2] aankopen voor één euro (er is sprake van een negatief vermogen en slechte bedrijfsresultaten), waarna certificering plaatsvindt, zodanig, dat de heer [persoon 1] in privé alle certificaten van aandelen in [bedrijf 1] verwerft en de aandelen in handen komen van een stichting administratiekantoor, met vooralsnog als enig bestuurder de heer [persoon 1]. (…)”

6. Bij e-mail van 4 maart 2019 heeft een notaris de opdracht tot herstructurering aanvaard.

7. Bij e-mail van 30 januari 2020 heeft het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende het volgende aan de notaris geschreven:

“(…) De heer [persoon 1] heeft naar mij aangegeven zeer ontevreden te zijn over de gang van zaken met betrekking tot de voortgang van de herstructurering welke in 2019 zou worden afgewikkeld en wenst alle contacten met betrekking tot deze herstructurering nu via ons te laten lopen. (…)”

8. Bij notariële akte van 21 juli 2020 heeft [persoon 1] de aandelen in [bedrijf 2] geleverd aan belanghebbende voor € 1.

9. [bedrijf 3] is op 4 december 2020 ontbonden, [bedrijf 2] is op 8 december 2020 ontbonden. Blijkens de zogenoemde 17a-formulieren hadden deze vennootschappen op het moment van ontbinding geen baten meer. Belanghebbende heeft geen liquidatie-uitkeringen ontvangen.

10. Belanghebbende heeft aangifte Vpb voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar bedrag van -€ 260.918 (negatief). In de aangifte is een liquidatieverlies zoals bedoeld in artikel 13d de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) van € 837.850 opgenomen. Belanghebbende heeft het liquidatieverlies als volgt berekend:

Aanschaf [bedrijf 3] € -

Aanschaf [bedrijf 2] € 1

Afwaardering vordering [bedrijf 3] € 134.241

Afwaardering vordering [bedrijf 2] € 601.732

Afwaardering vordering [bedrijf 4] € 101.877

Totaal € 837.851

11. Bij brief van 22 september 2022 heeft de inspecteur verzocht om informatie over het in de aangifte Vpb 2022 opgenomen liquidatieverlies. Omdat een reactie uitbleef heeft de inspecteur het verzoek bij brief van 3 november 2022 herhaald.

12. Bij brief van 7 november 2022 is namens belanghebbende op het verzoek gereageerd. In de brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

2. Wat is de verkrijgingsprijs geweest van de geliquideerde deelnemingen? Graag ontvang ik stukken waaruit deze verkrijgingsprijs blijkt.

[bedrijf 3] is in 1995 van een niet-verbonden lichaam aangekocht. De verkrijgingsprijs is door de vorige boekhouder van de vennootschap opgenomen tegen het zichtbare eigen vermogen van de vennootschap. Echter, in de specificatie van de deelneming [bedrijf 3] is een opgeofferd bedrag opgenomen van € 359.075.

(…)

5. Hebben informele kapitaalstortingen plaatsgevonden?

Er zijn in de betreffende deelnemingen geen informele kapitaalstortingen gedaan. Echter, onderdeel van de berekening van het liquidatieverlies maakt uit het uiteindelijke debiteurenrisico dat [bedrijf 1] heeft geleden ten aanzien van enkele verstrekte leningen. De betreffende bedragen hebben wij aangemerkt als onderdeel van het opgeofferde bedrag voor genoemde deelnemingen teneinde een mogelijk moeizame discussie te voorkomen. In beginsel is er naar onze mening echter sprake geweest van zakelijke leningen.

6. Hoe hoog waren schulden en/of vorderingen tussen de moedermaatschappij en de geliquideerde deelnemingen?

Bij nadere bestudering van de thans bekende gegevens zijn wij tot de conclusie gekomen dat het opgeofferde bedrag dat toerekenbaar is aan de verkrijging van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 3] ad € 359.075 ten onrechte niet is meegenomen bij het bepalen van de grondslag voor de berekening van het aftrekbare liquidatieverlies.

(…)

[bedrijf 2] hield twee vennootschappen die economisch actief waren: [vennootschap 1] en [vennootschap 5] B.V. Deze vennootschappen zijn voorafgaand de ontbinding van [bedrijf 2] beiden ontbonden, zonder overdracht van de activiteiten. [bedrijf 3] hield de aandelen in het kapitaal van een vennootschap die economisch actief was: [bedrijf 4] Deze vennootschap is voorafgaand aan de ontbinding van [bedrijf 3] overgedragen aan [bedrijf 1] tegen een zakelijke verkoopprijs van € 1.000.000.

(…)”

13. Bij brief van 5 december 2022 heeft de inspecteur nadere vragen gesteld. Namens belanghebbende is hierop bij brief van 1 februari 2023 gereageerd.

14. Bij brief van 20 februari 2023 heeft de inspecteur wederom nadere vragen gesteld. Bij e-mail van 6 april 2023 heeft de inspecteur gevraagd op deze brief te reageren.

15. Bij e-mail van 17 april 2023 is namens belanghebbende hierop gereageerd.

16. Bij e-mail van 1 mei 2023 heeft de inspecteur aangegeven dat hij het belastbaar bedrag hoger vaststelt. De inspecteur heeft de volgende berekening bijgevoegd:

Aangegeven belastbaar bedrag € 260.918-/-

meer liquidatieverlies [bedrijf 3] € 359.075-/-

correctie afwaardering vordering € 101.877

correctie afwaardering vordering € 601.732

belastbaar bedrag na correctie € 83.616

17. De inspecteur heeft met dagtekening 3 juni 2023 de aanslag Vpb 2020 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 83.616.

Beoordeling door de rechtbank

18. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb 2020 te hoog en het verlies voor het jaar 2020 te laag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

19. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  • Kan belanghebbende in 2020 een verlies op de geldverstrekking aan [bedrijf 2] tot 1 januari 2018 in aanmerking nemen?
  • Dient het in 2020 in aanmerking te nemen liquidatieverlies hoger te worden vastgesteld, omdat het verlies op de geldverstrekkingen aan [bedrijf 2] vanaf 1 januari 2018 voor de toepassing van de liquidatieverliesregeling tot het opgeofferde bedrag kan worden gerekend?

20. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de geldverstrekking tot 1 januari 2018 geen onzakelijke lening is en dat het bedrag van € 196.208 als afwaarderingsverlies in mindering kan worden gebracht op de winst. Belanghebbende stelt verder dat de geldverstrekkingen vanaf 1 januari 2018 weliswaar onzakelijk zijn, maar dat de vorderingen voor de toepassing van de liquidatieverliesregeling tot het opgeofferde bedrag kunnen worden gerekend. Zij had op het moment van geldverstrekking namelijk al plannen om aandeelhouder te worden van [bedrijf 2]. De hoedanigheid waarin het debiteurenrisico is geaccepteerd, is daarom die van aandeelhouder.

21. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is onderbouwd dat de vordering niet voor verwezenlijking vatbaar was. De leningen die zijn verstrekt zowel voorafgaand aan 1 januari 2018 als daarna zijn onzakelijk. Dit volgt uit het feit dat de aandelen in [bedrijf 2] kort voor de liquidatie voor € 1 zijn aangekocht; kennelijk zat er niets van waarde in deze vennootschap. Dit blijkt ook uit het feit dat [bedrijf 2] ultimo 2017 een negatief eigen vermogen van meer dan een half miljoen euro had. Het debiteurenrisico is dus zo ernstig dat het niet met een risico-opslag kan worden gecompenseerd. De aanvaarding van het debiteurenrisico vond zijn oorzaak in het feit dat de bij de lening betrokken vennootschappen een gezamenlijke aandeelhouder hebben. De inspecteur heeft zich onder verwijzing naar het Kennisgroepstandpunt van 8 mei 2025, met nummer KG:023:2025:5, op het standpunt gesteld dat het verlies op de geldverstrekkingen aan [bedrijf 2] niet tot het opgeofferde bedrag kan worden gerekend, omdat geen sprake is van een lening ‘omlaag’ als aandeelhouder maar van een onzakelijke lening om motieven bovenlangs via de aandeelhouder. Beslissend is het moment waarop het onzakelijke debiteurenrisico is aanvaard en niet het moment waarop de lasten die voortvloeien uit het aanvaarden van dat risico tot uitdrukking komen.

22. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en de aanslag moet worden verminderd tot nihil en het verlies moet worden vastgesteld op -€ 22.385 (negatief). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Tussen partijen niet in geschil

23. Tussen partijen is niet in geschil dat:

  • de geldverstrekkingen door belanghebbende aan [bedrijf 2] naar civielrechtelijke maatstaven zijn aan te merken als leningen;
  • belanghebbende vier afzonderlijke leningen heeft verstrekt aan [bedrijf 2], te weten:

 een lening van in totaal € 196.208, die is verstrekt vóór 1 januari 2018;

 drie leningen van in totaal € 495.731, die na 1 januari 2018 zijn verstrekt;

- de drie leningen van na 1 januari 2018 reeds bij het aangaan als onzakelijke leningen moeten worden aangemerkt, omdat sprake was van verliesfinanciering.

Omdat partijen het over deze feiten eens zijn, gaat de rechtbank bij de beoordeling hiervan uit. De rechtbank zal de lening die vóór 1 januari 2018 is aangegaan hierna aanduiden als de Lening en de overige leningen aanduiden als de Onzakelijk Leningen.

Verlies op de geldverstrekkingen

24. Het ligt op de weg van belanghebbende om de feiten te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die leiden tot de gevolgtrekking dat in 2020 een verlies op de leningen in aanmerking kan worden genomen.[_d386b990-38ac-41c5-9a9c-da62da65bcbe]

25. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat met de ontbinding van [bedrijf 2] in 2020 definitief vaststaat dat de leningen niet zullen worden terugbetaald en dat de leningen daarom in beginsel kunnen worden afgewaardeerd. Omdat verliesneming niet mogelijk is voor de onzakelijke leningen, geldt dit uitsluitend voor de Lening.

26. De inspecteur heeft daartegenover gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat de leningen niet voor verwezenlijking vatbaar waren en dat ook de Lening onzakelijk is en daarom afwaardering niet mogelijk is.

27. De rechtbank oordeelt als volgt.

28. Met de ontbinding van [bedrijf 2] in 2020 stond definitief vast dat de Lening niet zou worden terugbetaald. Belanghebbende kan daarom in 2020 het op de Lening openstaande bedrag op de winst in mindering brengen. De inspecteur heeft niet gesteld dat belanghebbende het verlies in een eerder jaar in aanmerking had moeten nemen en de rechtbank ziet ook geen reden voor een dergelijk oordeel.

29. Het ligt vervolgens op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt dat de Lening bij aanvang onzakelijk was, dan wel in de loop van de tijd onzakelijk is geworden en dat om die reden het verlies niet in aanmerking kan worden genomen.[_d6a0566a-7aa4-44f9-a6bc-3caf5660f26d]

30. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daartoe onvoldoende feiten gesteld. Dat [bedrijf 2] eind 2017 een negatief eigen vermogen had, is daarvoor in dit geval onvoldoende. Het gaat in de eerste plaats namelijk om de beantwoording van de vraag of de Lening, die op 1 januari 2018 een omvang had van € 196.208, bij het aangaan ervan onzakelijk was. Dat het eigen vermogen eind 2017 negatief was, kan, zonder nadere feiten die niet zijn gesteld, niet tot die conclusie leiden. De inspecteur noemt ook de omstandigheden waaronder de lening is afgesloten, maar hij heeft niet nader geduid om welke omstandigheden het gaat. De inspecteur heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat een zakelijk handelende derde in soortgelijke omstandigheden als belanghebbende (waaronder de kennis die belanghebbende heeft van de debiteur), maatregelen zou hebben genomen om zijn rechten voortvloeiende uit de desbetreffende vordering veilig te stellen, op welk moment dit zou zijn gebeurd, waarin de maatregelen zouden hebben bestaan en in hoeverre de derde dan erin zou zijn geslaagd zijn rechten daadwerkelijk veilig te stellen.

31. Zowel in de heffings- als bezwaarfase heeft de inspecteur geen onderzoek gedaan naar de achtergronden van de leningen. Hij heeft op grond van de aangifte aangenomen dat de leningen onzakelijk waren, terwijl belanghebbende al in de brief van 7 november 2022 zich op het standpunt stelde dat hij van mening was dat de leningen zakelijk waren. De inspecteur had met gebruikmaking van zijn bevoegdheden alle informatie kunnen opvragen die voor hem noodzakelijk was om te beoordelen of de leningen zakelijk of onzakelijk waren. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat de inspecteur op dit punt vragen heeft gesteld of relevante informatie heeft opgevraagd. In de brief van 5 december 2022 heeft de inspecteur geschreven dat geen toelichting is gegeven op de vordering zodat hij ervan uitgaat dat dit een onzakelijke vordering betreft. De inspecteur heeft echter geen enkele vraag op dit punt gesteld.

32. Omdat de inspecteur onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit volgt dat de Lening bij het aangaan onzakelijk was of gedurende de looptijd onzakelijk is geworden, komt de rechtbank tot het oordeel dat de Lening niet als een onzakelijke lening kwalificeert en het verlies op de Lening op de winst in mindering kan worden gebracht.

33. De vraag is hoe hoog het in aanmerking te nemen verlies is. De bewijslast hiervan ligt ook bij belanghebbende.

34. In 2020 is een bedrag van € 90.207 afgelost op de leningen vanwege de overdracht van enkele activa van [bedrijf 2] aan belanghebbende. De rechtbank leidt hieruit af dat vanwege de overdracht van de activa een verrekening heeft plaatsgevonden met één of meerdere leningen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld op welke van de leningen voor welk bedrag is afgelost. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende en [bedrijf 2] zijn overeengekomen de leningen in een rekening-courantvordering op te nemen. Belanghebbende heeft ook niet gesteld dat bij de verrekening is aangegeven aan welke leningen de betaling moet worden toegerekend.[_4ab45a0b-5270-4c8a-bd6e-33d189a120b9] In dat geval geldt de volgorde van verrekening zoals volgt uit artikel 6:43, tweede lid van het BW. Belanghebbende heeft niet gesteld dat en welke leningen (nog) niet opeisbaar zouden zijn en zij heeft ook niet gesteld dat één of meerdere leningen bezwarender waren dan andere leningen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat op de oudste lening is afgeboekt. De Lening is de oudste lening. Dit brengt met zich dat de rechtbank ervan uitgaat dat het bedrag van € 90.207 met de Lening is verrekend en dat de Lening op het moment van verliesneming nog een omvang had van € 106.001[_e06ec896-dbbe-4aa4-8198-a67e7b7a42b2].

35. De conclusie is dat deze beroepsgrond van belanghebbende slaagt en het belastbaar bedrag € 106.001 lager moet worden vastgesteld.

Liquidatieverlies: opgeofferd bedrag

36. De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden (liquidatieverlies). Het liquidatieverlies wordt gesteld op het bedrag waarmede het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie-uitkeringen overtreft.[_92249d2a-5628-4462-9a5b-d0b50973a1cf] Het liquidatieverlies wordt eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking genomen, mits – voor zover voor deze zaak relevant - (i) geen recht op een tegemoetkoming voor bij het ontbonden lichaam onverrekenbare verliezen bestaat, (ii) de onderneming van het ontbonden lichaam geheel is gestaakt dan wel geheel of gedeeltelijk is voortgezet uitsluitend door een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam, en (iii) de omvang van het liquidatieverlies is gebleken en tevens blijkt dat is voldaan aan de vorige twee voorwaarden.[_3746a41d-aaa8-49fc-8181-0a31a3c10a60] De bewijslast inzake de omvang van het liquidatieverlies rust op de belastingplichtige. Het gaat hier om een zware bewijslast (overtuigend aantonen).

37. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een verlies op een onzakelijke lening aan een deelneming tot het opgeofferde bedrag in de zin van artikel 13d van de Wet Vpb behoort:[_3d2cf50f-3da7-424b-8d08-e013abd0b3af]

“(…) 3.2.3. Ervan uitgaande dat de door belanghebbende aan GmbH verstrekte geldlening onzakelijk is in die zin dat de aanvaarding door belanghebbende van het debiteurenrisico berustte op aandeelhoudersmotieven, heeft te gelden dat het door belanghebbende bij de liquidatie van GmbH op die geldlening geleden verlies deel uitmaakt van het door belanghebbende voor de deelneming in GmbH opgeofferde bedrag in de zin van artikel 13d Wet Vpb 1969. Immers, dit verlies vloeit voort uit het door belanghebbende in haar hoedanigheid van aandeelhouder aanvaarde debiteurenrisico. Bijgevolg komt het debiteurenverlies op deze lening ten laste van de winst van belanghebbende van 2001. Gelet hierop slaagt middel 1 in zoverre. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. (…)”

38. De rechtbank is van oordeel dat het verlies op de Onzakelijke Leningen niet tot het opgeofferde bedrag in de zin van de liquidatieverliesregeling kan worden gerekend. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Voor de beantwoording van de vraag of een onzakelijke lening kan worden gerekend tot het opgeofferde bedrag is beslissend in welke hoedanigheid het debiteurenrisico is aanvaard. Het verlies op de Onzakelijke Lening kan alleen worden gerekend tot het opgeofferde bedrag als het debiteurenrisico door belanghebbende in de hoedanigheid van aandeelhouder is aanvaard omdat alleen dan sprake is van een voor de deelneming opgeofferd bedrag in de zin van artikel 13d van de Wet Vpb.

39. Belanghebbende heeft de Onzakelijke Leningen in de jaren 2018 en 2019 verstrekt. Zij was op dat moment geen aandeelhouder van [bedrijf 2], dat was zij pas vanaf 21 juli 2020. Belanghebbende kan het debiteurenrisico in zoverre daarom niet hebben aanvaard met de bedoeling het belang van [bedrijf 2] in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. De omstandigheid dat [persoon 1] vanaf oktober 2018 plannen had voor herstructurering in die zin dat belanghebbende de aandelen in [bedrijf 2] over zou nemen, leidt niet tot een ander oordeel. Het maken van plannen door [persoon 1] is onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende de Onzakelijke Leningen heeft verstrekt in de hoedanigheid van (toekomstig) aandeelhouder. Belanghebbende heeft ook niet met stukken of andere bewijsmiddelen onderbouwd dat het motief voor de verliesfinanciering in 2018 en 2019 is gelegen in de (toekomstige) verkrijging van de aandelen en om die reden aanvaarding van het debiteurenrisico toch berustte op aandeelhoudermotieven. Uit de gespreksnotitie van 24 oktober 2018 volgt dit niet; in deze gespreksnotitie wordt in het geheel niet over de verliesfinanciering gesproken. Uitgaande van de onzakelijkheid van deze leningen, kan het niet anders zijn dan dat belanghebbende het debiteurenrisico heeft aanvaard om het belang van haar aandeelhouder, [persoon 1], te dienen. Het op de onzakelijke leningen geleden verlies maakt daarom geen deel uit van het door belanghebbende voor de deelneming opgeofferde bedrag.

Tussenconclusie

40. Gelet op het voorgaande dient het belastbare bedrag te worden vastgesteld op -€ 22.385 (negatief).[_56af79fa-34ab-47d5-ac09-8cca64be22f9] De aanslag dient daarom te worden verminderd naar nihil.

41. Het aanslagbiljet zit niet in het dossier. Partijen hebben zich gezamenlijk op het standpunt gesteld dat op het aanslagbiljet een verliesvaststellingsbeschikking van nihil is vermeld. Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2005[_5a477490-66f1-4a19-b32f-89beaa7b0001] stelt de rechtbank het verlies vast op € 22.385.

Belastingrente

42. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Omdat de aanslag wordt verminderd tot nihil, vernietigt de rechtbank de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

43. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, de aanslag wordt verminderd, de belastingrentebeschikking wordt vernietigd en de verliesvaststellingsbeschikking hoger wordt vastgesteld.

44. Belanghebbende krijgt het griffierecht terug en zij krijgt een vergoeding van de proceskosten van € 1.868[_b8b6ecb4-7fe2-4fe5-8495-09c4d327e24b]. De inspecteur moet deze bedragen betalen.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag naar nihil;
  • vernietigt de belastingrentebeschikking;
  • wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking en stelt het verlies vast op € 22.385;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868;
  • bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 385 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 7 oktober 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.