Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Gelderland, 1 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7629Zaaknummer C/05/466542 / FZ RK 26-1140

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
1 oktober 2026
Publicatiedatum
8 oktober 2026
Zaaknummer
C/05/466542 / FZ RK 26-1140
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing toegewezen na eerdere afwijzing. Artikel 1:253a lid 1 BW. Belangenafweging.

De rechtbank

8.1.

verleent de moeder vervangende toestemming om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1];

8.2.

verleent de moeder vervangende toestemming om [de minderjarige] uit te schrijven van haar huidige bassischool en in te schrijven op de [schoolnaam];

8.3.

bepaalt dat de toestemming onder 8.1. en 8.2. wordt verleend vanaf 25 oktober 2026;

8.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van Poecke (voorzitter), C.L. Pas en K. van der Lee, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Vlemmings als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: -door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, -door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 Het verweer
  5. 5 Het advies van de Raad
  6. 6 Het advies van de GI
  7. 7 De beoordeling
  8. Wat is de beslissing?
  9. 8 De beslissing

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/466542 / FZ RK 26-1140

Datum uitspraak: 1 oktober 2026

beschikking vervangende toestemming verhuizing

in de zaak van

[de moeder] (hierna: de moeder),

wonend in [woonplaats],

advocaat mr. P.K. de Blieck-Willemsen uit Vaassen,

tegen

[de vader] (hierna: de vader),

wonend in [woonplaats],

advocaat mr. M.A. Knobben uit Nijverdal,

de rechtbank merkt als informant aan:

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI),

de rechtbank heeft als adviseur uitgenodigd:

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift met producties, ontvangen op 29 april 2026;
  • het gewijzigde verzoekschrift met producties, ontvangen op 4 september 2026.
1.2.

Tijdens de zitting van 8 september 2026 zijn gehoord:

  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI (via beeldverbinding).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ). Zij hebben samen het gezag over haar. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.2.

Bij beschikking van 2 juni 2025 heeft de rechtbank – onder meer – het verzoek van de moeder voor vervangende toestemming om te mogen verhuizen met [de minderjarige] naar [plaats 1] afgewezen.

2.3.

Bij beschikking van 7 april 2026 is [de minderjarige] door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI tot 7 april 2027.

2.4.

Bij beschikking van 7 april 2026 heeft de rechtbank de zorgregeling voor het laatst gewijzigd. De geldende zorgregeling is nu dat [de minderjarige]:

  • bij de vader verblijft: eens per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] van school ophaalt en de moeder [de minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt;
  • de helft van de vakanties bij de moeder verblijft en de helft van de vakanties bij de vader verblijft.

3 Het verzoek

3.1.

De moeder vraagt – na wijziging – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  • haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] te verhuizen naar de woning aan de [adres 1] [plaats 1] en te bepalen dat deze toestemming in de plaats treedt van de benodigde toestemming van de vader;
  • haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] uit te schrijven van de huidige basisschool van [de minderjarige] ‘ [naam] ’ te [woonplaats] en in te schrijven op de basisschool [schoolnaam], gevestigd aan de [adres 2] [plaats 2] en te bepalen dat deze toestemming in de plaats treedt van de benodigde toestemming van de vader.

4 Het verweer

4.1.

De vader is het niet eens met het verzoek. Hij wil dat het verzoek wordt afgewezen. Het is namelijk niet goed onderbouwd. Er is niet onderbouwd waarom er wordt voldaan aan de criteria van de Hoge Raad waarnaar wordt verwezen. De wens om met de nieuwe partner samen te wonen en kinderen te krijgen geeft nog geen noodzaak om te verhuizen. Ook de stelling dat de partner niet dichterbij kan komen wonen is niet goed onderbouwd. Het hebben van een vast arbeidscontract is niet zonder meer reden om niet te kunnen verhuizen. Er zijn namelijk genoeg vacatures voor het beroep van de partner van de moeder (vrachtwagenchauffeur). De belangrijkste reden voor de vader om tegen de verhuizing te zijn is dat hij bang is dat hij [de minderjarige] dan op termijn niet meer ziet. Hij heeft onvoldoende vertrouwen in de moeder omdat zij meerdere keren afspraken niet is nagekomen. Ook heeft hij tot op heden die partner van de moeder niet ontmoet.

5 Het advies van de Raad

5.1.

De Raad is niet tegen de verhuizing. [de minderjarige] zit al in twee werelden. De rol van de vader blijft beperkt tot een weekend om de week. Er verandert in dat opzicht weinig als de moeder met [de minderjarige] zou verhuizen. [de minderjarige] is nu nog jong, er zal steeds meer in haar wereld ontwikkelen. Een verhuizing is daardoor nu minder zwaar dan in de toekomst. Voor de vader verandert er niet veel, maar hij heeft wel angst, en die angst moet worden weggenomen. Bijvoorbeeld door een ouderschapstraject. De Raad vindt een verhuizing daarom nu nog te vroeg. Er is bij de ouders nog sprake van oud zeer. De communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam. De ouders moeten dan ook eerst een ouderschapstraject en de speltherapie van [de minderjarige] afronden voordat wordt besloten over een verhuizing.

6 Het advies van de GI

6.1.

Volgens de GI gaat het redelijk goed met [de minderjarige]. Bij de speltherapie wordt nog gewerkt aan het verwerken van dingen uit het verleden. De moeder is volgens de GI redelijk goed in contact met de GI. Hoewel zij soms boos kan zijn op de hulpverlening, kan zij dit wel benoemen en uitpraten. Of het wenselijk is dat de moeder met [de minderjarige] verhuist, is voor de GI een moeilijke vraag. [de minderjarige] heeft ouders nodig die kunnen samenwerken, maar die samenwerking is er niet. Een verhuizing verandert dat niet. Het is voor de ouders heel moeilijk om samen te werken en elkaar te vertrouwen terwijl dat wel is wat [de minderjarige] nodig heeft. De GI begrijpt het wantrouwen van de vader, maar begrijpt ook dat de moeder een nieuw leven wil opbouwen.

7 De beoordeling

Wat is de beslissing?

7.1.

De rechtbank beslist dat de moeder toestemming krijgt voor de verhuizing. Hierna wordt de beslissing toegelicht.

Vervangende toestemming verhuizing

7.2.

Vooropgesteld staat het de moeder in beginsel vrij om haar eigen woonplaats te wijzigen en te gaan wonen waar zij dat wil. Deze vrijheid wordt echter beperkt doordat de ouders samen het gezag over [de minderjarige] hebben en de moeder mét [de minderjarige] wil verhuizen. Een wijziging van de woonplaats van [de minderjarige] vereist de toestemming van de vader. Omdat die toestemming ontbreekt kan de moeder het geschil aan de rechtbank voorleggen en verzoeken om vervangende toestemming.[_6d56cc50-5b70-4fa2-8e14-af131005845f] Dat heeft zij eerder gedaan en toen is dat verzoek afgewezen. Omdat de moeder al was verhuisd, heeft zij met [de minderjarige] terug moeten verhuizen. Nu doet de moeder het verzoek opnieuw. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet de rechtbank, met inachtneming van het belang van [de minderjarige] als eerste overweging, alle (relevante) omstandigheden van het geval beoordelen in een belangenafweging.[_e9e5ae36-12e6-40bd-9ea2-b49c92caac03]

7.3.

De moeder heeft geen goed onderbouwd verzoekschrift ingediend. Het verzoekschrift bevat veel kopieer- en plakwerk vanuit het verzoekschrift van 2025. Zo staat er bijvoorbeeld nog steeds in dat [de minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, terwijl dat wel zo is. Bovendien wordt er om vervangende toestemming verzocht om [de minderjarige] op de huidige basisschool uit te schrijven. Ook wordt verwezen naar een appwisseling met de vader van anderhalf jaar geleden, terwijl dit niet duidelijk blijkt uit de toelichting. Ook werd pas enkele dagen voor de zitting duidelijk op welk adres de moeder feitelijk wil gaan wonen met [de minderjarige] en naar welke basisschool [de minderjarige] dan zal gaan. De rechtbank vindt ook dat de moeder na het eerdere afgewezen verzoek niet heeft laten zien dat zij geïnvesteerd heeft in de ouderrelatie, terwijl zij nog steeds wil verhuizen en dit in het belang van [de minderjarige] wel noodzakelijk was en is. Zij heeft bovendien onvoldoende inzicht laten zien in het belang van het gezamenlijk ouderschap met de vader; zij betrekt hem weinig bij de beslissingen die zij neemt of wil nemen, met wantrouwen van de vader tot gevolg. Het niet laten kennis maken – en het nut daarvan niet zien – van haar partner met de vader is daar een voorbeeld van. De moeder heeft rekening te houden met de belangen van de vader en dient hem te betrekken bij belangrijke beslissingen. De proceshouding van de moeder en de wijze van procederen laat daarom veel te wensen over.

7.4.

De rechtbank constateert daarnaast dat het bezwaar van de vader tegen de verhuizing in de kern erop neer komt dat hij ‘gewoon tegen’ is. Zeker nadat de moeder eerder verhuisd is zonder zijn toestemming. De vader heeft bij de Raad en op zitting aangegeven dat hij in zijn algemeenheid niet tegen een verhuizing is, maar omdat de moeder eerder niet eerlijk is geweest over haar plannen hij de moeder niet meer vertrouwt. Ook voor de vader geldt dat hij weinig investeert in de ouderrelatie. Daarnaast onderneemt de vader weinig initiatief om goed op de hoogte te zijn van wat er in [de minderjarige] ’s leven speelt en met wie zij omgaat. Zo volgt hij niet de berichten in het berichtensysteem van school en is hij, gelet op de huidige reisafstand van circa 50 minuten, niet bereid om oudergesprekken of andere bijeenkomsten doordeweeks bij te wonen. De rechtbank merkt hierbij overigens op dat bij de vader sprake is van een verstandelijke beperking. Mogelijk wordt het voorgaande (mede) hierdoor verklaard.

7.4.

Tegen bovenstaande achtergrond moet de rechtbank alle relevante belangen afwegen. Beide ouders hebben de voor hen belangrijke argumenten naar voren gebracht tijdens de zitting. De rechtbank gaat hierna die argumenten/belangen beoordelen.

De belangenafweging

7.5.

De rechtbank begrijpt uit de stukken en de toelichting ter zitting dat zij de volgende belangen moet afwegen:

- de noodzaak/wens om te verhuizen:

De moeder wil samenwonen met haar partner in [plaats 1]. Hij heeft daar een eigen huurwoning en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De moeder leunt veel op het netwerk dat zij via haar partner in die regio heeft. Zij is bovendien in die regio opgegroeid en wil een gezin stichten met haar partner.

De vader vindt dat de moeder de noodzaak niet onderbouwd heeft. Zij heeft wel een wens tot samenwonen, maar dat is geen noodzaak. Bovendien werkt de partner van de moeder als vrachtwagenchauffeur en kan hij overal aan de slag. Het is onduidelijk waarom de partner van de moeder niet kan verhuizen.

- de leeftijd van [de minderjarige] /worteling:

Omdat [de minderjarige] pas net op de basisschool is gestart heeft zij naar verwachting nog weinig last van een schoolwissel. Ook doet zij nog niet aan sport en heeft zij nog geen, dan wel heel beperkt, sociaal contact in de buurt. [de minderjarige] is in zekere zin al gewend aan het wonen op meerdere plekken en het lange reizen dat daarbij hoort. De moeder gaat namelijk al regelmatig met [de minderjarige] naar haar partner in [plaats 1]. Dat [de minderjarige] volgens de moeder zelf “heel graag” bij de partner van moeder wil wonen en daar continu naar vraagt weegt de rechtbank niet mee. [de minderjarige] is namelijk pas vier. Haar mening is in zoverre niet doordacht of autonoom ten opzichte van de mening van haar moeder. Wel is haar leeftijd belangrijk, in die zin dat zij op dit moment nog weinig verliest door de verhuizing. Zij is bijvoorbeeld nog nauwelijks gewend aan haar huidige klas en school en gaat nog niet naar buitenschoolse activiteiten. Ook het sociale netwerk van [de minderjarige] is nog beperkt.

- het toekomstperspectief van [de minderjarige]:

Mede gelet op de verstandelijke beperking van de vader is het aannemelijk dat de moeder de hoofdverzorger van [de minderjarige] zal blijven. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat zij een eigen netwerk en leven op kan bouwen vanuit één duidelijke standplaats. Die duidelijkheid heeft zij nu nog niet, omdat zij op en neer reist tussen drie adressen. Hoewel zij daar nu nog geen last van heeft, zal die last binnen een of enkele jaren wel ontstaan. Bijvoorbeeld omdat zij na school wil afspreken met vriendjes of naar een sportles wil.

- het contact tussen [de minderjarige] en de vader/de angst voor contactverlies:

De vader ziet [de minderjarige] om de week een weekend. Daarnaast is [de minderjarige] de helft van de vakanties bij hem. De bedoeling van beide ouders is dat deze regeling blijft doorlopen, ongeacht de verhuizing. De vader is echter bang dat hij [de minderjarige] uiteindelijk helemaal niet meer ziet. Hij heeft geen vertrouwen in de moeder, omdat zij eerder een keer het contact tussen hem en [de minderjarige] heeft afgehouden en eerder zonder zijn toestemming met [de minderjarige] is verhuisd. Daar staat tegenover dat de vader tijdens de zitting heeft aangegeven dat de moeder al langere tijd zich aan alle afspraken houdt. De moeder vindt de angst dan ook onterecht, omdat zij de regeling altijd nakomt en dit ook zal blijven doen. Sterker nog, zij is bereid om na een verhuizing het halen en brengen op zich te nemen. Ook als [de minderjarige] straks in de weekenden een activiteit heeft (bijvoorbeeld voetbal), wil zij de vader en [de minderjarige] wel ophalen, zodat de vader ook kan komen kijken.

- de verstandelijke beperking van de vader:

Voor de vader is het erg moeilijk te overzien wat de gevolgen van een verhuizing zijn voor zijn contact met [de minderjarige] en zijn rol als vader. [de minderjarige] woont nu ook al ver weg. Het is voor de vader ingewikkeld om met het openbaar vervoer te reizen. Hij is voor vervoer afhankelijk van zijn moeder of zus, maar die kunnen niet altijd. Deze omstandigheid verandert naar alle verwachting echter niet. Dat betekent dat zowel de moeder als [de minderjarige] als zij ouder is daar rekening mee moeten gaan houden. En hoewel de verhuizing de afstand langer maakt, maakt die de uitdaging op zichzelf niet anders.

7.6.

De rechtbank vindt, na het beoordelen van de bovenstaande belangen dat de moeder met [de minderjarige] mag verhuizen. Een absolute noodzaak voor de verhuizing is, anders dan namens de vader gesuggereerd, geen onvoorwaardelijk vereiste om te mogen verhuizen. Uit het beoordelingskader zoals onder 7.2. weergegeven volgt dat de rechtbank al de relevante omstandigheden moet afwegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onjuist om de opsomming van ‘verhuiscriteria’ daadwerkelijk als onvoorwaardelijke criteria te zien. Het gaat enkel om niet-bindende en niet-limitatieve richtinggevende factoren voor een belangenafweging. De (ontbrekende) noodzaak van een verhuizing kan bijvoorbeeld relevant zijn wanneer de voorgenomen verhuizing naar het buitenland is én die verhuizing een grote impact heeft op de zorgregeling, maar daarvan is hier geen sprake. Enkel het ontbreken van een noodzaak om te verhuizen vindt de rechtbank daarom in dit geval onvoldoende om het verzoek af te wijzen. Die verhuizing is voor de moeder heel belangrijk. Zij wil een nieuw leven opbouwen na de scheiding van de vader. Die wens is op zichzelf begrijpelijk. Wel moet de moeder rekening houden met de andere helft van [de minderjarige]; namelijk haar vader. En juist op dat gebied heeft de moeder fouten gemaakt. Er is wederzijds wantrouwen ontstaan tussen de ouders. Toch vindt de rechtbank het aannemelijk dat er voor de vader en [de minderjarige] relatief weinig verandert door de verhuizing. In ieder geval de aankomende jaren niet. Dat heeft ermee te maken dat de afstand voor [de minderjarige] tot haar vader nu ook al groot is en dat zijn rol in het leven van [de minderjarige] ook grotendeels beperkt is en blijft tot het weekend eens in de twee weken. De moeder heeft toegezegd zorg te dragen voor het halen en brengen van [de minderjarige] naar de omgangsmomenten. De rechtbank benadrukt dat de moeder ook verplicht is om haar best te doen [de minderjarige] een betekenisvolle band met haar vader te laten houden. Dat is namelijk belangrijk voor haar identiteitsontwikkeling. De rechtbank ziet hierin ook een rol voor de GI en de hulpverlening binnen de lopende ondertoezichtstelling.

7.7.

De rechtbank vindt niet dat de verhuizing pas kan plaatsvinden als de speltherapie van [de minderjarige] en het ouderschapstraject is afgerond, zoals door de Raad is geadviseerd. Hoewel de rechtbank het ook belangrijk vindt dat de ouders gaan werken aan hun onderlinge verstandhouding, staan zij nog op een wachtlijst voor een ouderschapstraject. Ook de einddatum van de speltherapie is onbekend. Hierop wachten, zou een te lange periode van onzekerheid met zich meebrengen. De rechtbank vindt het belangrijk voor [de minderjarige] dat zij voor de lange termijn één duidelijke woonplaats heeft vanuit waar zij haar eigen netwerk en leven kan opbouwen. Wanneer het verzoek zou worden afgewezen is het bovendien nog maar de vraag of de moeder zich daarbij zou neerleggen of dat er toch continu op en neer wordt gereden naar het huis van de partner van de moeder (zoals nu ook het geval). Dat vindt de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige].

7.8.

De moeder krijgt daarom vervangende toestemming om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1] en om haar in te schrijven op de basisschool [schoolnaam] (en uit te schrijven bij de huidige basisschool). De rechtbank zal die toestemming geven vanaf 25 oktober 2026, als logisch wisselmoment in verband met de schoolvakantie en de benodigde voorbereidingen voor de verhuizing en het afscheid van de huidige school. De rechtbank gaat er in ieder geval van uit dat de moeder voor die datum zorgdraagt voor een kennismaking tussen de nieuwe school en de vader en een kennismaking tussen de partner van de moeder en de vader. Op die manier wordt de vader betrokken in de verhuizing van zijn dochter en kan ook hij zich voorbereiden op deze volgende stap.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

7.9.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat en het gerechtshof nog niet (anders) heeft beslist.

8 De beslissing

De rechtbank

8.1.

verleent de moeder vervangende toestemming om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1];

8.2.

verleent de moeder vervangende toestemming om [de minderjarige] uit te schrijven van haar huidige bassischool en in te schrijven op de [schoolnaam];

8.3.

bepaalt dat de toestemming onder 8.1. en 8.2. wordt verleend vanaf 25 oktober 2026;

8.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M. van Poecke (voorzitter), C.L. Pas en K. van der Lee, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Vlemmings als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: -door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, -door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.