Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Gelderland, 2 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7439Zaaknummer ARN 25/3291

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Publicatiedatum
7 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/3291
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om omzetting prestatiebeurs in een gift vanwege bijzondere omstandigheden (artikel 4.14 Wsf 2000). Verklaring onderwijsinstelling ontbreekt. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C.M. Pijnenburg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/3291

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO [_c81e39c8-6cec-4875-b559-702411a97bf1] ), de minister

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om omzetting van de prestatiebeurs in een gift op grond van bijzondere omstandigheden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van dit verzoek door de minister. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het verzoek terecht heeft afgewezen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 23 april 2025 heeft de minister het verzoek van eiseres om omzetting van de prestatiebeurs in een gift op grond van bijzondere omstandigheden afgewezen.

2.1.

Met het bestreden besluit van 13 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft hieraan deelgenomen. De gemachtigde van de minister heeft door middel van een digitale beeldverbinding deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft van juli 2007 tot en met februari 2010 ingeschreven gestaan bij de BOL-opleiding Commercieel medewerker bank- en verzekeringswezen (MBO niveau 4) bij het [college]. Eiseres heeft studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen. Zij heeft deze studie niet met een diploma afgerond. De prestatiebeurs is om die reden niet omgezet in een gift.

3.1.

Op 19 februari 2025 heeft eiseres de minister verzocht om omzetting van de prestatiebeurs in een gift op grond van bijzondere omstandigheden van medische aard. Zij stelt dat in haar studieperiode sprake was van medische en psychische beperkingen waardoor zij haar studie niet kon voortzetten, maar de diagnoses zijn pas (ver) na haar studie gesteld. In 2015 is bij eiseres een colloïd cyste in de hersenen ontdekt en operatief verwijderd. In 2025 is de diagnose ADHD vastgesteld. Eiseres heeft informatie van een neurochirurg overgelegd en een verklaring van een verpleegkundig specialist GGZ. Ook heeft zij een e-mailbericht overgelegd van 28 januari 2025 van het [college]. Hierin staat dat de onderwijsinstelling geen informatie in haar dossier heeft kunnen vinden om te onderbouwen dat eiseres de opleiding vijftien jaar geleden heeft moeten beëindigen vanwege later gediagnosticeerde factoren. Om die reden kan de onderwijsinstelling het formulier ‘Verzoek voorziening beroepsonderwijs bij bijzondere omstandigheden’ niet ondertekenen.

3.2.

De minister is overgaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje ‘Procesverloop’.

3.3.

De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de bijzondere omstandigheden niet zijn aangetoond met een verklaring van de onderwijsinstelling. Uit de door eiseres overgelegde e-mail van de onderwijsinstelling blijkt dat zij in het dossier van eiseres geen informatie kunnen vinden om te onderbouwen dat zij de opleiding vijftien jaar geleden heeft moeten beëindigen vanwege late gediagnosticeerde factoren. De onderwijsinstelling kan dus geen causaal verband vaststellen tussen de bijzondere omstandigheid en het beëindigen van de opleiding. Volgens de minister is de verklaring van de onderwijsinstelling op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk en consistent. Tot slot wijst de minister erop dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat er geen informatie (meer) beschikbaar is bij de onderwijsinstelling.

Omzetting prestatiebeurs in gift

4. Eiseres betoogt dat de minister geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. De minister heeft namelijk geen contact opgenomen met het [college]. Daarnaast kan het ontbreken van een verklaring waarin de onderwijsinstelling een causaal verband vaststelt tussen de klachten van eiseres en het niet behalen van een diploma, niet aan eiseres worden tegengeworpen. Dit ligt buiten haar macht, de onderwijsinstelling heeft geen informatie (meer). De diagnoses speelden al een rol tijdens haar studieperiode, maar zijn pas (ver) na het beëindigen van haar studie vastgesteld. Eiseres kon dus niet eerder gebruik maken van de regeling en het kan niet voor haar rekening en risico komen dat de verklaring om die reden ontbreekt.

4.1.

Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij de grond dat een medische verklaring wettelijk gezien zou volstaan en een verklaring van de onderwijsinstelling niet nodig is, niet langer handhaaft.

4.2.

De rechtbank stelt vast, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat eiseres haar diploma niet heeft behaald binnen de in artikel 4.9 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) genoemde termijn van tien jaren. De rechtbank moet beoordelen of de minister terecht het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift heeft afgewezen.

4.3.

Op grond van artikel 4.14, derde lid, van de Wsf 2000 wordt de toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift als sprake is van bijzondere omstandigheden van structurele aard waardoor de student niet in staat is om binnen de diplomatermijn het afsluitend examen van een opleiding te behalen. In het vijfde lid staat dat de bijzondere omstandigheden uitsluitend kunnen worden aangetoond door een verklaring van een arts en een verklaring van de onderwijsinstelling. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over omzetting van de prestatiebeurs naar een gift volgt dat het niet aan de minister is om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de voorgeschreven verklaring van de onderwijsinstelling op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inzichtelijk en consistent is.[_d6038d37-86b5-4285-aa6b-94e8b7cddbe4]

4.4.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het onderzoek van de minister niet onzorgvuldig is geweest. De minister heeft conform de in 4.3. benoemde rechtspraak van de CRvB de verklaring van de onderwijsinstelling beoordeeld. De rechtbank volgt de minister in haar standpunt dat de verklaring van de onderwijsinstelling op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De onderwijsinstelling heeft op verzoek van eiseres onderzocht of er informatie beschikbaar was, maar er is geen informatie gevonden. Er is vanuit het [college] bovendien nog contact opgenomen met DUO voor advies. Daarnaast heeft de minister de verklaring voldoende inzichtelijk en consistent kunnen achten. Er is eenvoudigweg geen informatie beschikbaar om te onderbouwen dat eiseres de opleiding heeft moeten beëindigen vanwege de later gediagnosticeerde factoren. Om die reden was er ook geen aanleiding voor de minister om nog contact op te nemen met het [college].

4.5.

Gelet op het voorgaande was de minister op grond van artikel 4.14, vijfde lid, van de Wsf 2000 gehouden de aanvraag van eiseres af te wijzen, omdat er geen verklaring van de onderwijsinstelling was, die de aanvraag van eiseres ondersteunde. De rechtbank volgt daarbij de minister in het standpunt dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat de benodigde informatie bij de onderwijsinstelling niet (meer) beschikbaar is, aangezien zij dit pas vijftien jaar na het beëindigen van haar studie heeft opgevraagd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C.M. Pijnenburg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.