Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 22 september 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7245Zaaknummer ARN 26/4136

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
30 september 2026
Zaaknummer
ARN 26/4136
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo, kennelijk ongegrond, geen spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/4136

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (derde-partij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de derde-partij opgelegde last onder dwangsom wegens het realiseren van een tweede woning in het hoofdgebouw aan de [adres] in [woonplaats] zonder omgevingsvergunning.

1.1.

Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft het college deze last onder dwangsom opgelegd. Hoewel de last onder dwangsom niet aan verzoeker is opgelegd, is hij het hier niet mee eens. Hij stelt namelijk dat hij, als gevolg van deze last, uit zijn huurwoning aan de [adres] in [woonplaats] wordt gezet door de derde-partij. Hij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.[_0d2c705a-c77f-401d-9c3f-3cdc657c77a5] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van de Awb gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar van het college niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóórdat dat besluit genomen is onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. Bij een last onder dwangsom is daar in de regel sprake van als de begunstigingstermijn verstrijkt (of reeds verstreken is) vóórdat de beslissing op bezwaar is genomen.

2.1.

Bij besluit van 10 augustus 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat zich geen onomkeerbare gevolgen zullen voordoen vóórdat de beslissing op bezwaar is genomen. De conclusie is daarom dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.

2.2.

Verzoeker heeft op 24 augustus 2026 de voorzieningenrechter verzocht om de zaak wel inhoudelijk op zitting te behandelen omdat – kort samengevat – sprake is van processabotage door het college. Verzoeker wordt op deze manier onthouden van een beoordeling door de voorzieningenrechter van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.3.

Voor spoedeisend belang is enkel van belang, zoals onder 2 is weergegeven, of zich vóórdat de beslissing op bezwaar is genomen onomkeerbare gevolgen zullen voordoen. Dat is hier niet het geval. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat als de beslissing op bezwaar niet tot het voor verzoeker gewenste resultaat leidt, hij tegen die beslissing beroep kan instellen en op dat moment eventueel een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening kan indienen. Er kan dan alsnog een rechterlijke toetsing plaatsvinden van de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.