Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Gelderland, 23 september 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7240Zaaknummer AWB - 24 _ 7884

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23 september 2026
Publicatiedatum
30 september 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 7884
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

IB/PVV TOZO toerekenen aan belanghebbende. Beroep ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken op 23 september 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Feiten
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Is belanghebbende voor de helft rechthebbende op de TOZO-uitkering?
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/7884

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 september 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], te [woonplaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 september 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen, tevens belastbaar inkomen uit werk en woning, van € 17.031.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 15 belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en haar moeder, [moeder], beiden online, en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2].

Feiten

  • Belanghebbende was in 2020 gehuwd met de heer [partner] (de partner).
  • De partner was in 2020 zelfstandig ondernemer. Vanwege coronamaatregelen heeft hij zijn werkzaamheden tijdelijk moeten staken. De partner heeft een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) aangevraagd en deze uitkering is toegekend.
  • Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.832. Het door belanghebbende aangegeven inkomen uit werk en woning bestaat uit de volgende onderdelen:
LoonLoonheffingLoon
[moeder]€ 1.875€ 5.070
[persoon 3]€ 940€ 2.533
Uitkeringen
UWV€ 96€ 5.229
Belastbaar inkomen box 1€ 12.832

4. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 is de inspecteur afgeweken van de aangifte van belanghebbende. De inspecteur heeft een aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.031. Volgens gegevens die de Belastingdienst heeft ontvangen van de inhoudingsplichtigen, bestond het inkomen van belanghebbende in 2020 uit de volgende onderdelen:

LoonLoonheffingLoon
[moeder]€ 1.875€ 5.070
[persoon 3]€ 940€ 2.533
Uitkeringen
UWV€ 96€ 5.229
Gemeente Stichtse Vecht€ 757€ 2.900
Gemeente Utrecht€ 136€ 1.299
Belastbaar inkomen box 1€ 17.031

5. Volgens gegevens die de Belastingdienst heeft ontvangen van de uitkerende instanties hebben belanghebbende en haar partner in 2020 de volgende TOZO-uitkeringen ontvangen:

PeriodePartnerBelanghebbende
Gemeente Utrecht1 april - 17 mei€ 1.299€ 1.299
Gemeente Stichtse Vecht18 mei – 30 juni€ 1.091€ 1.218
Gemeente Stichtse Vecht1 oktober – 31 december€ 1.054€ 1.682
Bruto-uitkering€ 3.444€ 4.199
Af: Loonheffing€ 136€ 893
Netto-uitkering€ 3.308€ 3.306

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2020 tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tussen partijen is in geschil of de verstrekte TOZO-uitkeringen voor de helft behoren tot het belastbare inkomen van belanghebbende.

7. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2020 de TOZO-uitkeringen niet als belastbaar inkomen aangegeven. Zij stelt zich op het standpunt dat zij geen recht had op een TOZO-uitkering. Zij voldeed namelijk niet aan de voorwaarden om een TOZO-uitkering te ontvangen, omdat het door haar genoten inkomen in 2020 daarvoor te hoog was. Daarnaast was van een gezamenlijke huishouding geen sprake.[_d4fcfb2f-aaf2-4e03-9f47-880c5eacaee1] Volgens belanghebbende kon de partner in die periode niet bijdragen aan de huishouding. Om die reden heeft hij juist de TOZO-uitkering aangevraagd en ontvangen. De TOZO-uitkeringen dienen dan ook volledig te worden toegerekend aan de partner.

8. In beroep handhaaft de inspecteur zijn standpunt dat het belastbare inkomen van belanghebbende moet worden verhoogd met de helft van de TOZO-uitkeringen.

9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is belanghebbende voor de helft rechthebbende op de TOZO-uitkering?

10. De TOZO-uitkering is gebaseerd op de Participatiewet (PW). Dit volgt uit artikel 78f van de PW. Voor zover de TOZO niet anders bepaalt, zijn de bepalingen van de PW dan ook van toepassing. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van hen geen recht op bijstand heeft.[_edbe6562-5aec-4ed4-9682-290f68315f1d] Het betoog van belanghebbende dat zij in 2020 geen recht heeft gehad op bijstand omdat zij in 2020 inkomen ontving, volgt de rechtbank niet. De gevallen waarin iemand geen recht op bijstand heeft, zijn limitatief opgesomd in artikel 13 van de PW. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die in detentie zitten, personen die minderjarig zijn of personen die langere tijd buiten Nederland verblijven. Het ontvangen van een inkomen wordt in artikel 13 van de PW niet genoemd als reden waarom iemand geen recht op bijstand zou hebben. Het inkomen van belanghebbende in 2020 stond in die zin dan ook niet in de weg aan haar recht op de TOZO-uitkering. De omstandigheid dat een TOZO-uitkering is toegekend, brengt bovendien mee dat het (gezins)inkomen kennelijk niet te hoog was. Daar komt voor de periode tot 1 oktober 2020 nog bij dat het inkomen van de echtgenoot van de zelfstandige tot die datum helemaal niet in aanmerking werd genomen bij de toekenning van de TOZO-uitkering. Dit is tot 1 oktober 2020 namelijk uitdrukkelijk bepaald in de TOZO-regeling in afwijking van de PW.[_6e92e043-7cb4-4d90-845d-e2a742edb63b]

11. Ook het betoog van belanghebbende dat zij en haar partner in 2020 geen gezamenlijke huishouding voerden, kan haar niet baten. Belanghebbende wijst ten onrechte op artikel 3 van de PW. Artikel 3 van de PW geeft aan in welke gevallen niet-gehuwden moeten worden gelijkgesteld met gehuwden. Dat is onder meer het geval indien de ongehuwde met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Het begrip ‘gezamenlijke huishouding’ is dus alleen relevant om te bepalen of een gelijkstelling met gehuwden aan de orde is. Omdat belanghebbende en haar partner zijn gehuwd, hoeft niet te worden beoordeeld of zij moeten worden gelijkgesteld met gehuwden. Of belanghebbende en haar echtgenoot een gezamenlijke huishouding voerden is daarom niet relevant.

12. Het recht op de TOZO-uitkering komt dan ook aan belanghebbende en haar partner gezamenlijk toe.[_1f724ece-b5d4-4f89-89d0-505491fe3399] Dat betekent dat belanghebbende voor de helft rechthebbende is op de TOZO-uitkering. Daarom hoort die helft tot haar belastbaar inkomen en heeft de inspecteur het inkomen van belanghebbende terecht verhoogd met die helft.

Overige beroepsgronden van belanghebbende

13. Het betoog van belanghebbende dat zij de TOZO-uitkering zelf niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Nu belanghebbende voor de helft rechthebbende is op de uitkering, moet de aan haar toekomende helft als door haar genoten worden aangemerkt. Dat het bedrag feitelijk op de rekening van haar partner is uitbetaald, staat daaraan niet in de weg.

13. Ook het standpunt van belanghebbende dat de TOZO-regeling niet voor het algemeen publiek toegankelijk is en daarom niet aangemerkt kan worden als publiekrechtelijk, leidt niet tot een ander oordeel. Periodieke uitkeringen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling behoren tot de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.[_a6437e71-c352-4287-a101-5bb014333a86] De TOZO-uitkering vindt haar grondslag in de PW en is daarom een uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling.

15. Tijdens de zitting heeft belanghebbende nog aangevoerd dat zij van de uitkerende instanties geen jaaropgave van de TOZO-uitkering heeft ontvangen en dat zij deze daarom niet heeft kunnen gebruiken bij het doen van aangifte IB/PVV 2020. De rechtbank merkt hierover op dat zij belanghebbende hierover niets verwijt en dat het voor de uitkomst van de zaak ook niet uitmaakt hoe het komt dat belanghebbende de helft van de TOZO-uitkering niet in haar aangifte heeft vermeld. Belanghebbende moet belasting betalen over de helft van de TOZO-uitkering omdat deze volgens de wet aan haar toekomt.

15. Tot slot begrijpt de rechtbank dat de verhoging van het inkomen als gevolg van de aan belanghebbende toegerekende TOZO-uitkering gevolgen kan hebben voor haar inkomensafhankelijke toeslagen en mogelijk kan leiden tot een terugvordering van al ontvangen toeslagen. De rechtbank vindt dit heel vervelend, maar kan daar niets aan veranderen.

Moet de beschikking belastingrente worden verminderd?

16. Het beroep wordt geacht ook betrekking te hebben op de opgelegde beschikking belastingrente van € 15. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de beschikking belastingrente.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken op 23 september 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.