Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Gelderland, 24 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7236Zaaknummer ARN 25/4572
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/4572
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Handhavingsverzoek is terecht afgewezen, omdat geen sprake is van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
De rechter is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4572
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026
in de zaak tussen
[eiser] , h.o.d.n. [x] , uit [plaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(gemachtigde: mr. I. Brink).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gall & Gall B.V., uit Zaandam
(gemachtigde: mr. M. Lagerweij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen de derde-partij. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 14 mei 2025 heeft de staatssecretaris het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De derde-partij heeft een reactie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. De derde-partij en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 21 maart 2025 heeft eiser bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gemeld dat de derde-partij in een advertentie in dagblad ‘De Gelderlander’ van
20 maart 2025 de indruk wekt dat alcoholhoudende drank met meer dan 25% korting wordt verkocht. Op 24 maart 2025 heeft eiser de staatssecretaris verzocht om handhavend op te treden tegen de derde-partij. Volgens eiser is met deze aanbieding sprake van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet.
Met het besluit van 14 mei 2025, gehandhaafd in het bestreden besluit van
29 augustus 2025, heeft de staatssecretaris het handhavingsverzoek afgewezen. De staatssecretaris legt hieraan ten grondslag dat een toezichthouder van de NVWA onderzoek heeft gedaan en heeft geconcludeerd dat de betreffende aanbieding geen overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet is. De prijsactie houdt in dat de tweede fles wijn met 50% korting wordt aangeboden. Dit betreft een korting van 25% op het totaalbedrag. Hiermee wordt niet de indruk gewekt dat meer dan 25% korting op een fles wijn wordt gegeven.
Is sprake van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet?
4. Op grond van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet is het verboden om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan te bieden of te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse waarbij de indruk wordt gewekt dat de prijs lager is dan 75% van de prijs die gewoonlijk wordt gevraagd.
In de totstandkomingsgeschiedenis[_b3c867b1-5587-4234-8411-5f22d5caecde] van de wijziging van de Alcoholwet is hierover het volgende opgenomen. Het wetsvoorstel verbiedt prijsacties met alcoholhoudende drank die de suggestie wekken van een prijsvoordeel van meer dan 25% ongeacht of de actie tijdgebonden is, zoals de situatie dat er een adviesprijs en verkoopprijs wordt gehanteerd, of een ‘van/voor’ prijs terwijl de verkoopprijs structureel van aard is.
5. Eiser betoogt dat sprake is van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet. De in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden van prijsacties die een voordeel suggereren van meer dan 25% zijn niet limitatief. Volgens eiser wekt ook de prijsactie van de derde-partij deze suggestie. In de advertentie van 20 maart 2025 wordt namelijk in groot letterformaat ‘50% korting’ weergegeven. Daarmee wordt de indruk gewekt dat er meer dan 25% korting wordt gegeven.
Het betoog slaagt niet. De bedoeling van de wetgever is duidelijk. Het is – kort gezegd – in zijn algemeenheid verboden om alcoholhoudende drank te verkopen met een korting van meer dan 25% op de gebruikelijke prijs. Dat staat in artikel 2a, eerste lid van de Alcoholwet. De wetgever heeft echter ook willen voorkomen dat consumenten door een prijsactie worden verleid tot het doen van een impulsaankoop van alcoholhoudende drank, omdat ze de indruk hebben dat het product met een korting van meer dan 25% wordt verkocht, terwijl dat feitelijk niet zo is. Dat staat in het tweede lid van artikel 2a van de Alcoholwet. Wanneer ‘die indruk wordt gewekt’ is door de wetgever niet nader gedefinieerd. Dat is ook niet goed mogelijk. Op voorhand is niet voorzienbaar op welke wijze en met welke middelen ondernemers bij consumenten de indruk wekken dat een bepaalde korting wordt gegeven. Dat kan op vele manieren. Uit de in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden, zoals vermeld onder 4.1, kan wél worden afgeleid dat de indruk dat een korting van meer dan 25% wordt gegeven in zekere zin moet worden geobjectiveerd. Zo is bijvoorbeeld objectief vast te stellen dat de indruk wordt gewekt van een voordeel van meer dan 25% als sprake is van een ‘van/voor’ prijs, terwijl de verkoopprijs structureel van aard is. De consument denkt in dat geval een korting te krijgen van meer dan 25%, maar feitelijk is dat niet zo. De objectivering van het begrip ‘de indruk wekken’ is ook logisch. Wat bij de één de indruk wekt, hoeft dat bij de ander niet te doen. En handhaving op basis van een louter subjectieve invulling van een begrip is niet mogelijk.
De rechtbank stelt vast dat in de advertentie van 20 maart 2025 staat vermeld dat gedurende vier dagen 50% korting wordt gegeven op de tweede fles wijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet objectief worden vastgesteld dat hiermee een voordeel van meer dan 25% wordt gesuggereerd. De omstandigheid dat een individueel persoon de advertentie wellicht verkeerd begrijpt (zeker omdat de aanduiding 50% sterk is uitvergroot), is uiteindelijk subjectief en dus onvoldoende voor de conclusie dat een voordeel van meer dan 25% wordt gesuggereerd. Denkbaar is immers dat het voor een andere consument direct duidelijk is dat in totaal (dus) 25% korting wordt gegeven.
6. Eiser betoogt verder dat de derde-partij in latere advertenties van 13 november 2025 en 29 januari 2026 prijsvoorbeelden noemt en dat de genoemde korting niet overeenkomt met 50% korting op de tweede (goedkopere) fles, maar met een korting van 25% op het totaalbedrag van de twee flessen.
De rechtbank stelt vast dat de advertenties van 13 november 2025 en 29 januari 2026 dateren van na het bestreden besluit en dat de staatssecretaris deze advertenties in de besluitvorming dus niet heeft beoordeeld. De vraag of deze prijsactie op grond van de Alcoholwet is verboden, kan in deze procedure dan ook niet worden beoordeeld.
7. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat geen sprake is van overtreding van artikel 2a, tweede lid, van de Alcoholwet. De staatssecretaris heeft het handhavingsverzoek dan ook terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
De rechter is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.