Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Gelderland, 2 september 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:6793Zaaknummer ARN 24/5307
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 24/5307
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning wijzigen pluimveehouderij. Relativiteitsvereiste. Aanhaakverplichting. MER-beoordeling.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5307
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland, uit Groenlo, eiseres
(gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Pluimveebedrijf Noordijk B.V. uit Noordijk (vergunninghouder)
(gemachtigde: ing. [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die aan vergunninghouder is verleend voor het wijzigen van de veehouderij. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder exploiteert op het perceel [adres] een agrarisch bedrijf waar vleeskuikens worden opgefokt. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland heeft aan het bedrijf op 23 juli 2013 een revisievergunning verleend en op 25 september 2017 een veranderingsvergunning. In die vergunningen zijn zes stallen vergund. De vergunde situatie met de bijbehorende ammoniak-, geur-, en fijnstofemissie bedraagt als volgt:
Het aantal vergunde vleeskuikens bedraagt (11.050 + 11.050 + 13.673 + 13.673 + 44.804 + 8700= ) 102.950.
Vergunninghouder heeft op 11 januari 2023 een vergunningaanvraag ingediend voor het wijzigen van de veehouderij. Deze wijziging ziet op het slopen van vier bestaande traditionele stallen om deze te vervangen door één nieuwe emissiearme stal met warmte heaters voor droging van de strooisellaag en positieve ionisatie door koolstofborsteltjes.
In de nieuwe situatie worden evenveel vleeskuikens (40.800 + 62.150 = 102.950) vergund als toegestaan in de vigerende revisievergunning. Onderdeel van deze aanvraag vormt de “Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu”, waarin door de vergunninghouder een onderbouwing wordt gegeven van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu. Omdat er meer dan 40.000 stuks pluimvee worden gehuisvest is er sprake van een IPPC-inrichting.
De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 7 december 2023 tot en met 17 januari 2024 ter inzage gelegen. De ontwerp-omgevingsvergunning ziet op de activiteiten “bouwen”[_fddea838-ae4d-426b-a417-e84dfcba05d4] en “milieu” (revisie)[_fe28f811-79a6-4ef4-b6fd-835ced7b187d]. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.
Op 28 maart 2024 heeft vergunninghouder het volgende verzoek gedaan aan het college:
“Ik verzoek om de aanvraag d.d. 11 januari 2023 (onderdelen "milieu" en "bouwen") te beschouwen als een aanvraag 1e fase. In een later stadium zal als fase 2 een aanvraag voor de natuurtoestemming (handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden / Natura 2000) worden ingediend.”
Het college heeft in het bestreden besluit van 17 juni 2024 aan vergunninghouder de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” en “milieu” (revisie).
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres [persoon 1] en mr. D. Delibes-Vermeulen deelgenomen, namens het college [persoon 2] en [gemachtigde] en namens vergunninghouder [persoon 3] en ing. [gemachtigde].
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op de omgevingsvergunning die in deze procedure voorligt is echter nog de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing omdat de aanvraag voor de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is ingediend.
Relativiteitsvereiste
4. Op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 maart 2024[_066e20f4-2f50-441c-8846-e0233bc6a42b] moet een rechtspersoon enige feitelijke werkzaamheden verrichten. Is dat niet het geval, dan kan het relativiteitsvereiste worden tegengeworpen, wat betekent dat niet inhoudelijk op de beroepsgronden worden ingegaan.
In een andere zaak bij de rechtbank over een wijziging van een veehouderij in de gemeente Oost-Gelre[_7ec89777-5b9c-4956-84b1-10212068195c] speelde de vraag of eiseres feitelijke werkzaamheden verricht en of zij dus als belanghebbende kan worden aangemerkt. Belanghebbendheid is in deze zaak niet van belang omdat eiseres een zienswijze heeft ingediend en zij daarom ontvankelijk is in haar beroep. Het vereiste van feitelijke werkzaamheden kan op grond van de onder overweging 4 aangehaalde uitspraak echter ook van belang zijn voor het aspect “relativiteit”. In de uitspraak in die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres feitelijke werkzaamheden verricht. Voor de rechtbank bestaat geen aanleiding daar in deze zaak anders over te oordelen. Dat betekent dat het relativiteitsvereiste in zoverre niet aan inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden in de weg staat. In overweging 6 zal de rechtbank nog wel specifiek ingaan op de vraag of dit ook geldt voor de beroepsgrond met betrekking tot het aspect “archeologie”.
Ingetrokken beroepsgronden
5. Eiseres heeft op de zitting de beroepsgrond over het buiten behandeling laten van de aanvraag, de beroepsgrond over de strijdigheid van het MER-beoordelingsbesluit met artikel 7.17, derde lid, onder b, van de Wet milieubeheer en de beroepsgrond over Beste Beschikbare Technieken ingetrokken.
Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan?
6. Eiseres betoogt dat voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”[_16c2481d-b0b8-4bff-90de-5b67e4298ae4] vereist is. Volgens eiseres is het bouwplan namelijk in strijd met artikel 29.2.1 en 29.2.3 van het bestemmingsplan “Buitengebied”, omdat voor een deel van de stal niet de bestaande fundering wordt benut. Volgens eiseres had er daarom een archeologisch onderzoek moeten worden overgelegd.
Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:
“De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.”
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht[_340b1f5f-f747-4c7b-be8e-f565d4f38e32] blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin een appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
Op grond van artikel 2 van de statuten heeft de stichting als doel:
“a. de leefbaarheid, de gezondheid en welzijn van mens en dier in het buitengebied Gelderland, de kwaliteit van het leefgenot, het milieu, de natuur en het agrarisch landschap van de provincie Gelderland te bevorderen, te beschermen en de verrommeling van het landschap te voorkomen; en
b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”
Artikel 29 van de planregels strekt ter bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. De bescherming van archeologische waarden valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder de statutaire doelen van eiseres. Omdat het relativiteitsvereiste aan inhoudelijke behandeling in de weg staat zal de rechtbank niet ingaan op deze beroepsgrond.[_caefee9c-b381-4b8b-908b-7a202f708808]
Is voor de activiteit “natura 2000” een VVGB van gedeputeerde staten vereist?
7. Eiseres betoogt dat voor het project een natuurvergunning is vereist, zodat het college van gedeputeerde staten op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) had moeten verlenen.
Vast staat dat door vergunninghouder alleen een aanvraag is ingediend voor de activiteiten “bouwen” en “milieu” en dat geen aanvraag voor de activiteit “natuur” is ingediend. Vergunninghouder heeft de activiteit “natuur” dus niet aan laten haken bij de andere Wabo-omgevingsvergunningen. In dat geval geldt volgens overweging 25.1 van de uitspraak van 18 december 2024[_48a408d7-35db-432e-9292-72413ea0c5bc] het volgende:
“Bij een beslissing op de aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning, of bij de beoordeling in (hoger) beroep van een betoog dat de Wabo-omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ten onrechte niet is aangehaakt bij de aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning wordt beoordeeld of ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning (dat is altijd voor 1 januari 2024) op grond van de voor deze uitspraak geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was voor de activiteit waarop de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning ziet. Als de uitkomst van die beoordeling is dat op grond van de voorheen geldende rechtspraak geen natuurvergunning nodig was, dan bestond er ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning geen procedurele verplichting om de Wabo-omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aan te haken bij de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning. (…).”
Niet in geschil is dat de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie afneemt zodat op grond van de eerder geldende rechtspraak over intern salderen geen natuurvergunning nodig was. In dat geval bestaat geen procedurele verplichting om de Natura 2000-activiteit aan te haken.
De beroepsgrond slaagt niet.
MER-beoordelingsbesluit is niet gepubliceerd
8. Eiseres betoogt dat het MER-beoordelingsbesluit niet op de daartoe bestemde wijze bekend is gemaakt.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat het MER-beoordelingsbesluit niet is gepubliceerd. De beroepsgrond slaagt.
De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat het niet aannemelijk is dat belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld, nu het MER-beoordelingsbesluit samen met de andere stukken ter inzage heeft gelegen en eiseres daar dus gronden tegen heeft kunnen inbrengen (en dat ook heeft gedaan). Evenmin is aannemelijk dat anderen, die ook een zienswijze naar voren hadden kunnen brengen over de ontwerp-omgevingsvergunning, hierdoor zijn benadeeld.
Is het MER-beoordelingsbesluit actueel?
9. In paragraaf 2.3 van het advies van de omgevingsdienst Achterhoek van 17 april 2024, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, staat het volgende over de milieueffectrapportage:
“De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd heeft betrekking op het wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 62.150 dierplaatsen voor vleeskuikenouderdieren in opfok. Dit leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bij besluit van 20 april 2018 heeft het college van Berkelland besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen. De op 20 maart 2017 ingediende aanmeldingsnotitie wijkt enigszins af van de nu aangevraagde activiteiten. Ten opzicht van de aanmeldnotie zijn er in de aanvraag 4004 vleeskuiken- ouderdieren in opfok verplaatst van stal 1 naar stal 2. Het totale aantal dieren van stal 1 en stal 2 blijft wel gelijk. Verder is in stal 2 een andere nageschakelde techniek toegepast om fijnstof te reduceren. Tot slot wordt in de aanmeldnotitie en het besluit hierop alleen de veranderingsvergunning van 25 september 2017 genoemd terwijl de onderliggende revisievergunning van 23 juli 2013 is. Er is in de beoordeling wel uitgegaan van de juiste vergunde rechten. De afwijkingen geven geen aanleiding om vooraf een nieuw besluit op de aanmeldnotitie te nemen.”
Eiseres betoogt dat de gegevens in het MER-beoordelingsbesluit van 20 april 2018 niet meer actueel zijn, zodat het besluit in strijd is met artikel 7.36a, onder b, van de Wet milieubeheer (Wm). Volgens eiseres is er sprake van een andere stal dan in de eerdere aanvraag in 2017 en is de emissie van fijnstof ten opzichte van de aanvraag uit 2017 toegenomen van 1,84 ton per jaar naar 1,93 ton per jaar. Ultra-fijnstof is volgens eiseres eerder helemaal niet beoordeeld. Ook nieuwe wetenschappelijke inzichten met betrekking tot negatieve effecten op milieu en volksgezondheid in de pluimveehouderij zijn genegeerd, aldus eiseres. Verder wijst eiseres erop dat in de tussentijd door de Afdeling op 19 mei 2019 de PAS-uitspraak is gedaan, het bestemmingsplan is gewijzigd en zowel rechtbanken als de Afdeling uitspraken hebben gedaan over emissiereducerende stalsystemen, zoals ook toegepast in de voorliggende vergunning. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar overweging 5.2 uit de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 17 mei 2016.[_b7db7c11-7a94-439b-bb6e-4d58f42b47c1] Op de zitting heeft eiseres nog gewezen op overweging 11.8 uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2025[_7fb6a9f9-8813-43a7-b4ca-b5b3ba23d9bc] en een uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023.[_8b3584fa-c1c3-4890-88d4-1511f2f5a185]
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting in de al vergunde situatie als uitgangspunt dienen te worden genomen bij de vraag of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Als de wijziging er ten opzichte van de al vergunde situatie toe leidt dat de milieugevolgen vanwege de inrichting afnemen, althans niet toenemen, bestaat geen ruimte voor het oordeel dat de wijziging belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.[_efb9f5c1-7cd2-410b-b807-7c9661dd0e6c]
In dat geval is een milieueffectrapport dus niet nodig.
Op de zitting is vastgesteld dat eiseres niet betwist dat de milieusituatie beter wordt dan de vergunde situatie, nu het aantal dieren niet toeneemt en er ten opzichte van de vergunde situatie emissiereducerende technieken worden toegepast. Omdat eiseres niet betwist dat er sprake is van een afname van de milieueffecten en dat een milieueffectrapport dus niet nodig is, ziet de rechtbank ook niet in wat voor nut het heeft om een nieuw MER-beoordelingsbesluit te verlangen. De uitspraken die eiseres heeft aangehaald zijn niet vergelijkbaar omdat er in die gevallen wél sprake was van grotere milieugevolgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college terecht geen nieuwe MER-beoordeling heeft verricht.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de omgevingsvergunning een gebrek kent, namelijk met betrekking tot de publicatie van het MER-beoordelingsbesluit. Dit gebrek kan echter worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals in 7.2 is toegelicht. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding om te bepalen dat het college de door eiseres gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook moet het college het betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
| griffier | voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo
- Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en artikel 2.6 van de Wabo.
- ECLI:NL:RVS:2024:1139.
- Zaaknummer 26/1688.
- Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
- Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 18-20.
- Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2623).
- ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac).
- Rechtbank Zeeland-West Brabant 17 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1066.
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2577.
- ECLI:NL:RVS:2023:3689.
- Zie onder meer de uitspraak van 30 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3072).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.