Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Gelderland, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:6241Zaaknummer ARN 26/3524

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
ARN 26/3524
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Besluit tot beëindiging bijstand. Voorlopige voorziening hangende bezwaar afgewezen. Verzoeker heeft geen spoedeisend belang bij het verzoek, omdat de gestelde financiële noodsituatie niet aannemelijk is geworden. Proces-verbaal van mondelinge uitspraak.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter kan gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening en de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Het spoedeisend belang wordt aanwezig geacht, wanneer het bestreden besluit ertoe leidt dat er een noodsituatie dreigt te ontstaan of wanneer er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen.

2.1.

Verzoeker heeft aangegeven dat door de beëindiging van zijn recht op bijstand sprake is van een acute financiële noodsituatie, omdat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Central Raad voor Beroep van 4 juli 2019,[_e0cdb20b-d23f-46d6-a0bf-3b70704c39d0] stelt verzoeker dat sprake is van een dreigende broodnoodsituatie. Daarbij is volgens verzoeker vooral van belang dat het gaat om de beëindiging van bijstand, wat is bedoeld als een (laatste) vangnetvoorziening. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij over onvoldoende middelen beschikt heeft verzoeker recente bankafschriften overgelegd.

2.2.

De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om aan te nemen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. De ingediende bankafschriften leiden tot zoveel vragen die tijdens de zitting onbeantwoord zijn gebleven. De gestelde financiële noodsituatie is daarom niet aannemelijk geworden. Zo zijn er geen huurbetalingen zichtbaar op de bankafschriften en is niet duidelijk geworden of de pintransacties die zijn verricht zien op boodschappen. Bovendien zijn er gedurende nagenoeg twee maanden betalingen verricht in Ierland en Spanje, waarvoor geen onderbouwde en daarmee geloofwaardige verklaring is gekomen. Tot slot heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat recent na storting van de bijstand op de bankrekening van verzoeker nagenoeg het hele uitkeringsbedrag via een instantie in België (internationaal) is overgemaakt. De voorzieningenrechter kan daarom niet aannemen dat verzoeker financieel gezien in zodanig zwaar weer verkeert dat hij de bezwaarprocedure bij het college niet kan afwachten.

2.3.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang en komt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek dus niet toe.

Gevolgen

3. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

3.1.

Partijen zijn erop gewezen dat er geen hoger beroep of verzet mogelijk is tegen deze mondelinge uitspraak.

Deze mondelinge uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026 door

mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beslissing
  4. Overwegingen
  5. Gevolgen
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3524

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter

van 30 juli 2026

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede

(gemachtigde: mr. A. Klok).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college om – voor zover van belang – zijn bijstand vanaf 29 juni 2026 te beëindigen.

1.1.

Het college heeft deze beslissing genomen met het besluit van 29 juni 2026, omdat verzoeker niet meer woonachtig zou zijn op het door hem opgegeven uitkeringsadres. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college, bijgestaan door toezichthouder [toezichthouder]. Verzoeker is zonder bericht van afmelding niet op de zitting verschenen.

1.3.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter meteen uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter kan gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening en de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Het spoedeisend belang wordt aanwezig geacht, wanneer het bestreden besluit ertoe leidt dat er een noodsituatie dreigt te ontstaan of wanneer er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen.

2.1.

Verzoeker heeft aangegeven dat door de beëindiging van zijn recht op bijstand sprake is van een acute financiële noodsituatie, omdat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Central Raad voor Beroep van 4 juli 2019,[_e0cdb20b-d23f-46d6-a0bf-3b70704c39d0] stelt verzoeker dat sprake is van een dreigende broodnoodsituatie. Daarbij is volgens verzoeker vooral van belang dat het gaat om de beëindiging van bijstand, wat is bedoeld als een (laatste) vangnetvoorziening. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij over onvoldoende middelen beschikt heeft verzoeker recente bankafschriften overgelegd.

2.2.

De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om aan te nemen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. De ingediende bankafschriften leiden tot zoveel vragen die tijdens de zitting onbeantwoord zijn gebleven. De gestelde financiële noodsituatie is daarom niet aannemelijk geworden. Zo zijn er geen huurbetalingen zichtbaar op de bankafschriften en is niet duidelijk geworden of de pintransacties die zijn verricht zien op boodschappen. Bovendien zijn er gedurende nagenoeg twee maanden betalingen verricht in Ierland en Spanje, waarvoor geen onderbouwde en daarmee geloofwaardige verklaring is gekomen. Tot slot heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat recent na storting van de bijstand op de bankrekening van verzoeker nagenoeg het hele uitkeringsbedrag via een instantie in België (internationaal) is overgemaakt. De voorzieningenrechter kan daarom niet aannemen dat verzoeker financieel gezien in zodanig zwaar weer verkeert dat hij de bezwaarprocedure bij het college niet kan afwachten.

2.3.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang en komt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek dus niet toe.

Gevolgen

3. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst, bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

3.1.

Partijen zijn erop gewezen dat er geen hoger beroep of verzet mogelijk is tegen deze mondelinge uitspraak.

Deze mondelinge uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026 door

mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.