Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Gelderland, 25 maart 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:5975Zaaknummer C/05/463360

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
12 augustus 2026
Zaaknummer
C/05/463360
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort gedin. Gevorderd verbod op concurrende activiteiten. Duur- of distributieovk staat onvoldoende vast. Geen toerekenbare tekortkoming, geen onrechtmatige daad.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van HAC af,

5.2.

veroordeelt HAC in de proceskosten van CO van in totaal € 4.449,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HAC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. M.M.K.J. Steketee op 25 maart 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/463360 / KG ZA 26-77

Vonnis in kort geding van 25 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap

HAC B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: HAC,

advocaat: mr. L.M. Ravestijn,

tegen

de besloten vennootschap

CONCEPT ONLINE B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Hoevelaken,

gedaagde partij,

hierna te noemen: CO,

advocaat: mr. L.H.E. Drenthe.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11 van HAC- de producties van 12 tot en met 17 van HAC - de conclusie van antwoord van CO- de producties 1 tot en met 19 van CO- de mondelinge behandeling van 11 maart 2026- de pleitnota van HAC - de pleitnota van CO.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende niet weersproken feiten.

2.2.

HAC is een (groot)handelsonderneming in – met name – huishoudelijke apparatuur en consumer electronics. Directeur van HAC is de heer [directeur].

2.3.

Ook CO is een onderneming die handelt in huishoudelijke apparatuur en consumer electronics. Aandeelhouders van CO zijn de heren [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2].

2.4.

Begin maart 2022 is HAC, via haar directeur de heer [directeur], in contact gekomen met CO. Sindsdien heeft CO regelmatig producten bij HAC ingekocht.

2.5.

Op 4 december 2022 heeft [directeur] een opzet samenwerking / intentieverklaring naar CO gestuurd. In die opzet is onder meer de afspraak opgenomen dat HAC en CO samen de labels/merken “SHINE” en “QLT” in de markt zouden zetten. Voor Shine zouden voornamelijk schoonmaak gerelateerde producten in de markt worden gezet en voor QLT artikelen die meer in- en om het huis gebruikt worden. HAC heeft op 31 mei 2022 de merken Shine en QLT op haar naam geregistreerd.

2.6.

Met een e-mail van 15 mei 2023 reageert [aandeelhouder 1] dat hij de laatste alinea van deze opzet graag zou willen vervangen door zijn tekstvoorstel.

2.7.

Nadien hebben partijen overleg gehad over de conceptovereenkomst en hebben zij daar over en weer commentaar op gegeven.

2.8.

Op 15 juli 2024 mailt [directeur] naar [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1]:

“Beste [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1],

Ik heb geen inhoudelijke reactie meer gehad op de laatste versie van onze overeenkomst. In de bijlage is die laatste versie opgenomen. Dit is de versie waarin jullie commentaar van begin dit jaar is verwerkt. Op basis van deze versie werken wij met elkaar samen. Zonder andersluidend tegenbericht binnen 5 dagen na vandaag, ga ik ervan uit dat deze versie ook volgens jullie de afspraken bevat die tussen ons gelden maar dit heeft niet geleid tot een definitieve door partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst.”

2.9.

Diezelfde dag reageert [aandeelhouder 2] per e-mail:

“Beste [directeur],

Dat klopt, zoals destijds aangeven gingen wij dit overdragen naar de Jurist met onze commentaren, dit is vorige week gedaan en hij is met vakantie tot medio Augustus, dus het ligt nu daar met onze aantekeningen.

Dus 5 dagen is voor ons onmogelijk, dit is dan het tegenbericht dat we niet akkoord kunnen gaan met de huidige versie.

Zodra wij terugkoppeling hebben melden wij ons uiteraard.”

2.10.

Nadien is geen definitieve door partijen ondertekende overeenkomst tot stand gekomen.

3 Het geschil

3.1.

HAC vordert – verkort weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

CO te bevelen om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, iedere schending van de tussen partijen geldende non-concurrentieverplichting(en), althans iedere onrechtmatige concurrerende handeling jegens HAC, te staken en gestaakt te houden, onder meer maar niet beperkt tot het verkopen aan retailers in Nederland van alle producten die vermeld zijn op de productenlijst Shine en QLT;

3.1.2.

CO te verbieden om, direct of indirect, al dan niet via aan haar gelieerde

vennootschap(pen) en/of (een) derde(n):

a. activiteiten te ontplooien die gelijk, soortgelijk of concurrerend zijn aan de onderneming van HAC, in ieder geval inhoudende het verkopen van producten/ artikel-soorten aan retailers in Nederland, die gelijk- of gelijksoortig zijn aan de producten die vermeld zijn op de productenlijst Shine en QLT, en concurrerend zijn aan de onderneming van HAC;

b. klanten, opdrachtgevers of relaties van HAC direct of indirect - buiten HAC om - te benaderen, te bedienen of daartoe pogingen te ondernemen;

3.1.3.

te bepalen dat CO een dwangsom verbeurt van € 10.000,-- voor iedere overtreding van het onder 3.1.1. en 3.1.2. gevorderde, en voorts een bedrag van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,--;

3.1.4.

CO te veroordelen tot betaling aan HAC van een voorschot op de schadevergoeding

ten bedrage van € 95.000,-- over het jaar 2026, althans een door de voorzieningenrechter in

goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

3.1.5.

CO te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

HAC legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

Er was sprake van een duurzame samenwerking tussen partijen in de vorm van een distributieovereenkomst. Daarbij hebben partijen afgesproken dat zij elkaar niet zouden beconcurreren of anderszins schade zouden aandoen. In strijd met deze afspraken doet CO het samenwerkingsverband wel concurrentie aan. Daardoor schiet CO toerekenbaar tekort in de nakoming van de duurovereenkomst tussen partijen. Voor het geval de voorzieningenrechter meent dat geen overeenkomst tot stand is gekomen geldt geheel subsidiair dat CO zich jarenlang als partner of distribiteur heeft gedragen waardoor de feitelijke partijbedoeling prevaleert boven het ontbreken van een handtekening op een veelbesproken en in grote mate geaccordeerde schriftelijke overeenkomst. Gelet op de bestaande en langdurige samenwerking is het handelen van CO in strijd met het hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De schade die voortkomt uit het onrechtmatig handelen van CO bestaat uit oplopende financieringslasten omdat CO in weerwil van gemaakte afspraken producten niet afneemt van HAC en uit misgelopen (en de komende jaren mis te lopen) winstmarge. Ook bestaat een zeer reëel risico dat het marktaandeel van Shine en QLT blijvende schade heeft opgelopen dan wel oploopt. Daarmee is ook het spoedeisend belang van HAC gegeven.

3.3.

CO voert verweer. CO concludeert tot niet-ontvankelijkheid van HAC, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van HAC in de kosten van deze procedure.

3.4.

CO voert – samengevat – het volgende aan.

De zaak leent zich niet voor kort geding, gelet op de juridisch complexe casus en omdat diepgaand onderzoek naar de feiten en bewijslevering via getuigenverhoren nodig is. Ook heeft HAC geen spoedeisend belang bij haar vorderingen. Er is geen sprake geweest van de door HAC gestelde samenwerking/distributieovereenkomst. Over het concept kwam tussen partijen geen wilsovereenstemming tot stand. CO heeft ook nooit gehandeld zoals kenmerkend is voor een distributieovereenkomst. Ook uit het handelen van HAC zelf blijkt dat partijen niet gebonden waren aan of dat zij handelden vanuit een (duur)overeenkomst met elkaar. Tussen partijen bestond/bestaat enkel een handelsrelatie. Nu geen sprake was van een doorlopende verbintenis die tot wederzijdse rechten en plichten voor partijen leidden, is ook geen sprake van een toerekenbare tekortkoming of van enig maatschappelijk onbetamelijk handelen van CO. HAC heeft ook geen enkel causaal verband aangetoond tussen de door haar gestelde schade en de (ten onrechte) aan CO verweten gedragingen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat HAC daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

4.2.

In de aard van de vorderingen (het staken van onrechtmatig concurrerende handelingen en een verbod op ontplooiing van concurrerende activiteiten) is een voldoende spoedeisend belang gelegen zodat HAC ontvankelijk is in haar vorderingen.

Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst

4.3.

HAC legt primair aan haar vorderingen ten grondslag dat CO toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de tussen hen geldende duurovereenkomst. HAC stelt dat sprake was van een duurzame samenwerking tussen partijen in de vorm van een distributieovereenkomst, waarbij CO als distributeur producten van HAC als importeur binnen een bepaald gebied (in casu Nederland) verkoopt. CO heeft daarbij steeds uit eigen naam gehandeld en de verkopen met retailers tot stand gebracht. HAC heeft op haar beurt – op basis van forecast of orders van CO – de import van goederen uit eigen naam en voor eigen rekening/risico gedaan en de goederen opgeslagen, waarna partijen steeds – na verkoop van de producten aan de retailers – de winst met elkaar hebben gedeeld en de wederzijdse kosten hebben verrekend. Ook hebben zij samen geïnvesteerd in producten en was het de bedoeling dat zij samen de merken Shine en QLT in de markt zouden zetten. In het kader van die overeenkomst hebben partijen afgesproken dat zij elkaar niet zouden beconcurreren of anderszins schade zouden aandoen. In weerwil daarvan heeft CO online identieke – of op de Shine en QLT producten sterk gelijkende – producten op de markt gezet bij de veelal dezelfde retailers als die door partijen gezamenlijk worden bediend, maar dan onder haar eigen label Nexxt.

4.4.

CO heeft gemotiveerd betwist dat tussen partijen ooit een duurovereenkomst of distributieovereenkomst heeft bestaan. CO stelt dat zij na de kennismaking in maart 2022 bij HAC is gaan inkopen, zoals zij dat ook al jaren bij andere partijen doet. CO voerde daarvoor al een eigen productengamma en dat is zij altijd onafhankelijk van HAC blijven voeren. HAC heeft voorgesteld gezamenlijk haar merken Shine en QLT op te bouwen, maar partijen zijn het niet eens geworden over de voorwaarde van CO dat die merken dan gezamenlijk eigendom zouden moeten worden. Een ander breekpunt was het door HAC gewenst non-concurrentiebeding. Dit was voor CO onaanvaardbaar, omdat [aandeelhouder 1] naast aandeelhouder in CO ook aandeelhouder is in Best Direct B.V., een partij die in soortgelijke producten handelt als HAC en CO. [aandeelhouder 1] heeft zich volgens CO daarom vanaf het begin op het standpunt gesteld dat een non-concurrentiebeding voor hem onaanvaardbaar was. HAC mocht om die reden aan de intentieverklaring of de conceptovereenkomst dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat CO zich van concurrentie zou onthouden. Ook omdat die concurrentie gebruikelijk was in de “open producten branche” waarin zij beiden opereerden. Partijen zijn wel altijd zaken blijven doen en daarin is de rol van HAC als voorraad houdende importeur nooit veranderd. CO stelt dat zij in die handelsrelatie heeft geïnvesteerd wanneer zij dat in haar voordeel achtte, maar dat zij zich nooit tot vaste afspraken heeft verplicht. Ook HAC heeft zich nooit gebonden gevoeld aan enige overeenkomst nu zij in meerdere gevallen op eigen initiatief en zonder overleg met CO heeft gehandeld.

4.5.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting door CO staat het door HAC gestelde ten aanzien van de duur-/distributieovereenkomst onvoldoende vast. Er ligt geen door partijen ondertekende (distributie)overeenkomst. Partijen verschillen ook van mening over de vraag in hoeverre zij al akkoord hadden bereikt over essentiële punten in de conceptovereenkomst zoals onder andere het non-concurrentiebeding. Hoewel niet in geschil is dat partijen vanaf maart 2022 hebben samengewerkt in die zin dat CO regelmatig bij HAC inkoopt en partijen (in sommige gevallen) de winst en de kosten hebben gedeeld, vergt de wijze waarop die samenwerking moet worden gekwalificeerd (als een duurovereenkomst dan wel als een gewone handelsrelatie) met name in deze specifieke branche, een nader onderzoek en wellicht bewijslevering hetgeen het bestek van dit kort geding te buiten gaat. Binnen het beperkte kader van dit kort geding is dan ook niet vast te stellen wat partijen precies zijn overeengekomen, hoe zij zich feitelijk in de samenwerking tot elkaar hebben verhouden en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daardoor is in dit kort geding vooralsnog dan ook niet gebleken van een toerekenbare tekortkoming door CO en van een grond voor een bevel om concurrerende handelingen te staken.

Verbod op concurrerende activiteiten.

4.6.

Ook bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands geen grond om CO te verbieden om concurrerende activiteiten te ontplooien. Daarvoor is van belang dat CO ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat zij die activiteiten ten aanzien van de door HAC in de dagvaarding genoemde concurrerende producten ook al voor hun kennismaking ontplooide, dan wel dat zij bepaalde door HAC genoemde producten in het geheel niet verkoopt of heeft verkocht. Daarnaast is zoals hiervoor overwogen onvoldoende gebleken dat CO op basis van een tussen partijen geldende overeenkomst wordt beperkt in haar activiteiten ten aanzien van bepaalde producten of artikelsoorten, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

Onrechtmatige daad

4.7.

Ter zitting heeft HAC aan de vordering ten grondslag gelegd dat CO onrechtmatig handelt door inbreuk te maken op de door HAC geregistreerde merken Shine en QLT. Dit betreft echter een wijziging van de grondslag die alleen schriftelijk kan worden gedaan en waartegen CO ter zitting bezwaar heeft gemaakt. Deze gewijzigde grondslag kan om die reden dan ook niet worden meegewogen en zal door voorzieningenrechter buiten beschouwing worden gelaten. Voor het overige heeft HAC geen onrechtmatig handelen van CO gesteld, buiten het handelen in strijd met een overeenkomst die gelet op het voorgaande onvoldoende is komen vast te staan.

Voorschot schadevergoeding

4.8.

Ten aanzien van het door HAC gevorderde geldbedrag als voorschot op haar schade, geldt dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.

4.9.

Zoals hiervoor overwogen is vooralsnog onvoldoende komen vast te staan dat CO toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van enige overeenkomst dan wel dat zij op enige andere wijze onrechtmatig heeft gehandeld jegens HAC. Ook heeft CO terecht gesteld dat zowel de hoogte van het gevorderde schadebedrag als het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van CO onvoldoende onderbouwd is. Nu voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening voor HAC is vereist wordt ook de vordering tot veroordeling van CO tot een voorschot op de schadevergoeding afgewezen.

Proceskosten

4.10.

HAC is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CO worden begroot op:

- griffierecht€3.083,00
- salaris advocaat€1.177,00
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€4.449,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van HAC af,

5.2.

veroordeelt HAC in de proceskosten van CO van in totaal € 4.449,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HAC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. M.M.K.J. Steketee op 25 maart 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.