Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Gelderland, 2 februari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5778Zaaknummer 05-163501-25
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 2 februari 2026
- Publicatiedatum
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- 05-163501-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4 De beslissing
De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel af.
Aldus gegeven door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer: 05/163501-25
Datum uitspraak: 2 februari 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1947 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. C.A.C. Kooijmans, advocaat in Nijmegen.
1 De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 26.578,38.
2 De procedure
De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de ontneming hoofdelijk wordt toegewezen tot primair een bedrag van € 26.575,38, gebaseerd op drie oogsten, en subsidiair een bedrag van € 8.859,46, gebaseerd op één oogst.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat er nooit daadwerkelijk is geoogst en er dus ook geen voordeel is verkregen.
3 De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 2 februari 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De rechtbank overweegt dat er op 31 maart 2025 een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van veroordeelde. Veroordeelde heeft verklaard dat de hennepkwekerij drie maanden daarvoor is opgebouwd, maar pas enkele dagen operationeel was.
Uit het opnameformulier energiefraude van Liander blijkt dat er op 14 november 2024 en op 12 maart 2025 een monteur bij veroordeelde thuis is geweest. Er zijn door de monteur geen bijzonderheden gerapporteerd ten aanzien van de meterkast, waaruit de rechtbank afleidt dat er in ieder geval op 12 maart 2025 nog geen sprake was van een illegale elektriciteitsaansluiting. Verder blijkt uit de door de verdediging aangeleverde jaarnota van Eneco dat veroordeelde in 2024 iets meer stroom gebruikte dan een gemiddeld eenpersoonshuishouden. Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat de hennepkwekerij in ieder geval vóór 12 maart 2025 nog niet in werking was.
Uitgaande van een kweekcyclus van tien weken, betekent dit dat de rechtbank ervan uitgaat dat er nog geen eerdere oogsten zijn geweest toen de hennepkwekerij werd aangetroffen. Dit sluit aan bij de bevindingen in voornoemd opnameformulier energiefraude.
Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, wijst de rechtbank de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
4 De beslissing
De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel af.
Aldus gegeven door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.