Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Gelderland, 3 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5774Zaaknummer 05-092889-25
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 3 april 2026
- Publicatiedatum
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- 05-092889-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 99,95 gram cocaïne (artikel 2 onder C van de Opiumwet) tot een taakstraf van 150 uur met aftrek van voorarrest. Vrijspraak feiten 1 en 3.
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd het bedrag van € 1.445,- met goednummer PL0600-2024580348-G3356182.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- 1 De inhoud van de tenlastelegging
- 3 De bewezenverklaring
- 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
- 5 De strafbaarheid van het feit
- 6 De strafbaarheid van de verdachte
- 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
- 8 De beoordeling van het beslag
- 9 De toegepaste wettelijke bepalingen
- 10 De beslissing
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/092889-25
Datum uitspraak: 3 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres] in [woonplaats].
Raadsman: mr. D. van der Beek, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 december 2024 tot en met
17 december 2024 te Nijmegen, in/vanuit een woning gelegen op/aan [adres], althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, dealer- en/of gebruikers-hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 2] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Nijmegen, in/vanuit een woning gelegen op/aan [adres], althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, dealer- en/of gebruikers-hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 03 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Nijmegen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichting heeft verschaft, door zijn (huur)woning, gelegen op/aan [adres] beschikbaar te stellen voor het bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of af te leveren en/of verstrekken van voornoemde
hoeveelheden cocaïne en/of heroïne;
2.
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 149,26 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld (1445,- euro) heeft verworven, voorhanden gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [_cebc72f0-f927-43a8-af81-c2b86fbd1401]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair en onder 3 tenlastegelegde.
Verder heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde.
Als de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet kan bewijzen dat er vanuit de woning is gedeald, is de tenlastelegging voldoende afgebakend om in ieder geval bewezen te kunnen verklaren dat verdachte in Nijmegen, althans in Nederland, drugs heeft gedeald in de tenlastegelegde periode.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de feiten die hem ten laste zijn gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Verdachte woont aan [adres] in Nijmegen. Volgens zijn buurvrouw was het bij zijn woning een komen en gaan van mensen. Uit onderzoek van de politie blijkt dat meerdere van die mensen zich op één of andere manier bezig houden of hebben gehouden met verdovende middelen.
Op een aantal van de onderzochte telefoons zijn gesprekken aangetroffen die verband houden met verdovende middelen. Maar daarin werden bijvoorbeeld geen afspraken gemaakt voor het dealen van verdovende middelen. Er is geen buurtonderzoek verricht. De politie heeft ook geen (vermoedelijke) afnemers gehoord als getuige.
Bij verder gebrek aan bewijs, zoals hierboven omschreven, is dit onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat het verdachte is geweest die zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het dealen uit de woning aan [adres] in Nijmegen.
Ook blijkt uit het procesdossier niet dat verdachte zijn woning met dat doel beschikbaar heeft gesteld aan medeverdachte [medeverdachte 2].
Volgens de officier van justitie kan in de tenlastelegging als pleegplaats worden gelezen ‘in Nijmegen, althans in Nederland’. Los van het feit dat het procesdossier hiervoor te weinig bewijs bevat, is de rechtbank van oordeel dat dit neer komt op het denatureren van de tenlastelegging. Het was immers de bedoeling om duidelijk te maken dat er drugs werd gedeald uit de woning van verdachte.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte integraal vrij van het onder 1 tenlastegelegde.
Feit 2
De bewijsmiddelen
Op 17 december 2024 zag de politie dat twee personen op een fatbike op [adres] in Nijmegen reden. Ze reden via de oprit in de richting van perceel nummer [nummer], waar verdachte woont. Beide personen gingen de woning binnen. Enige tijd later werd de voordeur open gedaan door een man die met een rugzak in een Toyota Prius met kenteken [kenteken] stapte en wegreed.[_58571672-20e5-4fef-8b0b-71b4549d38bd]
De politie zag door het raam dat er mensen door de woonkamer en de keuken liepen, maar de deur niet openden toen de politie die opdracht gaf. Toen de politie de woning betrad, werden daar medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden.[_4bbd6727-8cae-4a0c-af81-9b4f112e81d6]
Op de eetkamertafel lagen onder andere de volgende goederen: een plastic zakje met wit poeder, twee klein sealbags met wit, kristallig poeder, een geknoopt, doorzichtig zakje met onbekende inhoud, drie kleine zakjes met wit poeder, een tasje van de Smartshop met daarin een klein, geknoopt zakje met wit poeder en een grote, witte brok in een doorzichtig plastic zakje.[_fd3298e9-5c6f-4d55-9e83-2d8f03df14ee]
In totaal ging dit om 99,95 gram cocaïne.[_4416db9a-b584-4889-8270-b3f56eb1cebc]
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de cocaïne die op tafel lag van hem is.[_a39e4a9f-7ec8-4f26-99ef-6cd7b8e14efa]
Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij hem sliep. Verdachte kent [medeverdachte 2] van festivals en van het uitgaan. Hij heeft wel eens verdovende middelen gekocht van [medeverdachte 2] en wist dat [medeverdachte 2] in die wereld zat. Toen [medeverdachte 2] kwam slapen, heeft verdachte duidelijk de regels uitgelegd, dat er vanuit zijn woning niet gehandeld mocht worden. Die dag zat verdachte boven achter zijn computer toen hij stemmen hoorde. [medeverdachte 2] en één van diens vrienden waren in de ochtend in de woning van verdachte. Toen verdachte naar beneden kwam, zag verdachte hen beneden aan de tafel zitten. Verdachte zag toen een weegschaaltje op tafel liggen. Daarna is verdachte in de auto gestapt en weggereden. Verdachte leent de sleutels van zijn auto, een Toyota Prius met kenteken [kenteken], nooit uit.[_7ff4376a-9dca-4b8b-a1c6-af3122278dd4]
De beoordeling door de rechtbank
Hoewel de tijdstippen van de observaties door de politie niet helemaal overeen lijken te komen met tijdstippen die elders in het procesdossier worden genoemd, heeft de rechtbank geen enkele twijfel, dat verdachte de persoon is die medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft binnengelaten en die vervolgens in zijn auto is gestapt en weg is gereden. Daarbij betrekt de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij zijn autosleutel nooit uitleent.
Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat medeverdachte [medeverdachte 2] in de drugswereld zit, dat verdachte wel eens drugs bij hem koopt en dat hij expliciet tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd, dat [medeverdachte 2] niet vanuit de woning van verdachte mocht dealen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte kennelijk rekening hield met deze mogelijkheid. Toch heeft verdachte hem en medeverdachte [medeverdachte 1] alleen gelaten in zijn woning. Daarbij is verdachte langs de tafel gelopen, waar hij een weegschaal zag liggen. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat hij alleen de weegschaal heeft zien liggen, maar niet de cocaïne, en de rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat verdachte, die zelf drugsgebruiker is, tegen de achtergrond van het voorgaande niet wist waar de weegschaal voor diende.
Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] verdovende middelen aanwezig zouden hebben. Daarmee had verdachte ten minste voorwaardelijk opzet op het tenlastegelegde.
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte wetenschap van en dus de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de diepvries zijn aangetroffen. In zoverre zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem tenlastegelegde. Dat betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte met één of meer anderen in totaal 99,95 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 3
Voor een veroordeling voor witwassen moet de rechtbank een onderliggend gronddelict kunnen vaststellen. Dat kan in dit geval niet, want uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Hoewel het aangetroffen geld overduidelijk geen legale herkomst heeft, bevat het procesdossier geen bewijs dat verdachte enige handeling heeft verricht die kan leiden tot een veroordeling voor witwassen.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 99,95 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5 De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een voorwaardelijke taakstraf, en anders een lichte onvoorwaardelijke taakstraf, bepleit. Verdachte heeft verder geen bezwaar tegen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft bijna honderd gram cocaïne aanwezig gehad. Het bezit van harddrugs is slecht voor de volksgezondheid. Niet alleen omdat het gebruik van drugs niet goed is voor de gezondheid en leidt tot verslavingen, maar ook omdat de productie van en handel in drugs vaak onderdeel is van de georganiseerde criminaliteit en gepaard gaat met allerlei andere strafbare feiten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van deze vorm van criminaliteit.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft in verband met deze verdenking twee dagen vast gezeten.
Hij heeft een blanco strafblad.
Reclassering Nederland heeft op 14 oktober 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering zijn er aanwijzingen dat verdachte emotioneel wordt belast. Hoewel er geen directe relatie kan worden vastgesteld, is het mogelijk dat die belasting zijn functioneren ten tijde van de verdenking heeft beïnvloed, omdat verdachte minder draagkracht en zelfregulatie had. Verdachte gebruikt softdrugs. Dit lijkt voort te vloeien uit zijn psychosociaal functioneren, maar levert geen problemen op voor zijn dagelijks functioneren. Er zou geen sprake zijn van een negatief sociaal netwerk. Op praktisch gebied heeft verdachte zijn leven op orde. De reclassering schat de risico’s op letsel en onttrekken aan voorwaarden in als laag, maar kan het risico op recidive niet inschatten. Al met al adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Mocht de rechtbank een voorwaardelijke straf opleggen, dan kunnen daarbij de meldplicht en een ambulante behandelverplichting worden opgelegd als bijzondere voorwaarden.
Conclusie
De rechtbank sluit aan bij de LOVS-oriëntatiepunten en veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.
8 De beoordeling van het beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aangetroffen geld verbeurd moeten worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het geld niet aan verdachte toebehoort en dat niet kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort. Daarom zal worden overgegaan tot verbeurdverklaring.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
10 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd het bedrag van € 1.445,- met goednummer PL0600-2024580348-G3356182.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.