Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Gelderland, 13 juli 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:5612Zaaknummer ARN 26/3002

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/3002
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening, last onder dwangsom, belangenafweging, toewijzing verzoek.

uitspraak mede te

ondertekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3002

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.L.P. Vulto),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom wegens het wonen in een bedrijfspand op zijn perceel aan de [adres] in [woonplaats].

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter (anders dan eerder aan partijen gecommuniceerd) uitspraak zonder zitting.[_9c3bf486-aba9-4ecd-b5b8-bf2815009c49] De zitting van 15 juli 2026 komt daarom te vervallen.

1.2.

De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Naast het beroep tegen de opgelegde last onder dwangsom, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de geweigerde omgevingsvergunning om het bedrijfsgebouw als pre-mantelzorgwoning te mogen gebruiken. De voorzieningenrechter is er vorige week bekend mee geworden dat de rechtbank voornemens is om deze beide beroepszaken op korte termijn, namelijk eind september dan wel begin oktober, gelijktijdig op zitting te behandelen.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft, mede naar aanleiding van deze nieuwe informatie, besloten om verzoek om een voorlopige voorziening niet op zitting te behandelen en het verzoek buiten zitting toe te wijzen. Het belang van verzoeker bij het afwachten van de uitkomst van deze bodemzaken acht de voorzieningenrechter namelijk groter dan het belang van het college bij het blijven controleren of dwangsommen zijn verbeurd. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat de behandeling van deze beroepen, ook in vergelijking met de doorlooptijden bij de rechtbank in andere zaken, snel plaatsvindt en het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter maar beperkt nadeel ondervindt van het (met terugwerkende kracht) schorsen van deze last onder dwangsom.

2.2.

De beslissing om de zaak alsnog buiten zitting af te doen, ondanks dat de uitnodigingen voor een zitting al waren verstuurd, is daarnaast ingegeven vanuit proceseconomische redenen en het feit dat er in de zomer(vakantie) maar beperkte zittingscapaciteit is voor het behandelen van verzoeken om voorlopige voorzieningen. De rechtbank houdt deze ruimte graag vrij voor zaken die zeer spoedeisend zijn, en die zich niet lenen voor een uitspraak buiten zitting.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit met terugwerkende kracht. Dat betekent dat verzoeker tot nu toe nog geen dwangsommen heeft verbeurd.

3.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het betaalde griffierecht ter hoogte van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook moet het college de proceskosten van verzoeker vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. De proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit met terugwerkende kracht;

- bepaalt dat het college het door verzoeker betaalde griffierecht ter hoogte van € 200,- moet vergoeden;

- veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is

verhinderd om deze

uitspraak mede te

ondertekenen.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.