Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Gelderland, 1 april 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:5483Zaaknummer C/05/464890 / ZJ RK 26-242

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/05/464890 / ZJ RK 26-242
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Beschikking
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing in een gezinshuis. Noodzaak vanwege tekortschietende emotieregulatie van de vader, afwerende houding naar hulpverlening, signalen van onveilige hechting en het contact tussen de kinderen en de moeder dat niet vrijelijk kan plaatsvinden zolang zij bij de vader wonen.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 1 april 2026 tot 12 juni 2026;

7.2.

beëindigt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met gezag;

7.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door mr. F.G. van Arem, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 Het verweer van de vader
  4. 5 Het standpunt van de moeder
  5. 6 De beoordeling
  6. 7 De beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/464890 / ZJ RK 26-242

Datum uitspraak: 1 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [kind 1],

[naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [kind 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers uit Ulft,

[naam vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. B. Willemsen uit Lent.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 26 maart 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

2. De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2].

2.2.

[kind 1] en [kind 2] wonen bij hun vader.

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verlengd tot 12 juni 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [kind 1] en [kind 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag (de vader) tot 12 juni 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden tot 12 mei 2026 pro forma.

2.4.

De kinderrechter heeft bij afzonderlijke beschikking van 12 maart 2026 de schriftelijke aanwijzing van 14 november 2025 bekrachtigd en het verzoek om vervallenverklaring van die aanwijzing afgewezen. De schriftelijke aanwijzing hield in: “- De omgang vindt om de week plaats op vrijdagochtend van 10.00 uur tot 12.00 uur, op een onderling afgesproken locatie in [woonplaats] (bv buurtplein, speeltuin, bibliotheek).

- U houdt zich aan de gemaakte omgangsplanning vanuit de GI.

- Om meer zicht te krijgen op de thuissituatie en het gedrag van uw kinderen, is het belangrijk dat de begeleidster van SIUS minimaal twee keer per week bij u thuis komt. Op vrijdag van 12.00 tot 14.00 uur en op maandag en/of dinsdag i.o.m. SIUS. Dit zodat er een duidelijk beeld komt van het gedrag van uw kinderen in de weken dat er geen bezoek is en het gedrag van uw kinderen na het bezoek met hun moeder.”

2.5.

De kinderrechter heeft op 24 maart 2026 het verzoek om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een gezinsgerichte voorziening afgewezen. Daarbij heeft de kinderrechter bepaald dat het reguliere verzoek versneld behandeld wordt.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een gezinsgerichte accommodatie (de kinderrechter begrijpt: gezinsgerichte voorziening) te verlenen voor de duur van één jaar (de kinderrechter begrijpt: voor de duur van de ondertoezichtstelling) en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 Het verweer van de vader

4.1.

De vader vindt het verzoek van de GI niet proportioneel en prematuur. Eerder heeft een gezinsopname plaatsgevonden bij [jeugdzorgaanbieder] in [plaatsnaam]. Deze opname is positief afgesloten. [jeugdzorgaanbieder] heeft de vader uitdrukkelijk gecomplimenteerd over zijn functioneren als verzorger. [jeugdzorgaanbieder] concludeerde dat vader goed beschikbaar en alert is, dat er een mooi dagritme is, dat de kinderen goed slapen en eten en dat vader goed kookt. Op de zitting van 5 maart 2026 heeft de vader verklaard bereid te zijn opvoedondersteuning te accepteren, hetzij één dag per week en akkoord te gaan met aanmelding van [kind 2] bij [kinderdagverblijf] (medisch kinderdagverblijf). Er is een vertrouwensbreuk met de GI. De verhoudingen tussen de vader en de jeugdbeschermers staan op scherp. Het spoedverzoek uithuisplaatsing heeft dit nog verder verergert. Het vertrouwen was al geschaad, doordat de GI informatie heeft verstrekt aan de moeder over locaties waar de kinderen komen (gastouder/steungezin), zonder dat de vader hier vooraf van op de hoogte was gesteld. De vader heeft het steungezin vervolgens stopgezet, omdat het volgens hem niet veilig was.

4.2.

De kinderen verblijven veilig bij de vader. Er zijn geen concrete aanwijzingen van lichamelijk letsel, verwaarlozing of acute bedreiging van hun veiligheid. De peuteropvang ( [peuteropvang]) meldt weliswaar zorgen over de ontwikkeling van [kind 2], maar die betreffen zijn plaatsing op een medisch kinderdagverblijf – niet zijn veiligheid bij de vader thuis. De door de GI aangehaalde WhatsApp-berichten van de vader (12–13 maart 2026) zijn een emotionele reactie op het feit dat de GI de locaties van het steungezin en andere plaatsen waar de kinderen verblijven heeft gedeeld met de moeder. De e-mail van 20 maart 2026 is een emotionele uitlating in de context van een escalerend conflict over de werkwijze van de jeugdbeschermers. De vader drukt daarin uit dat hij bereid is mee te werken aan omgang, zodra er andere jeugdbeschermers worden ingezet. Verbale uitlatingen richting de GI betreffen de relatie met de GI en niet de opvoedkundige situatie van de kinderen bij vader thuis. Overigens zal vader gewoon meewerken aan de omgang tussen moeder en de kinderen. De vader heeft inmiddels een eigen steungezin gevonden dat zijn gezin meer passende hulp kan bieden. Hij staat open voor continuering van steungezinopvang, maar dan via een gezin dat hij vertrouwt en waar de veiligheid van zijn kinderen is gewaarborgd. De band tussen een vader die al meer dan een jaar alleen voor zijn kinderen zorgt verdient bijzondere bescherming. Dit klemt temeer omdat de kinderen al veel hebben meegemaakt. De breuk van hun ouders, het gegeven dat hun moeder niet voor hun kon zorgen (een traject bij [plaatsnaam] met moeder mislukte al snel) een pleeggezin dat de zorg niet kon volhouden voor de kinderen, omdat zij veel aandacht vroeg en de uiteindelijke plaatsing bij de vader.

5 Het standpunt van de moeder

5.1.

De moeder is het eens met het verzoek. Zij maakt zich al langer zorgen over het perspectief bij de vader. De vader heeft emotieregulatie problematiek. De kinderen krijgen daar veel van mee. Alle conflicten die de vader heeft, de spanningen, de agressie hebben hun weerslag op de kinderen. De moeder wil dat niet voor haar kinderen. Ze wil rust voor de kinderen. Vorige zitting is gesproken over uitbreiding van de omgang, toen gaf de vader aan dat hij dat wel wilde, maar hij handelt er vervolgens niet naar. Ook wat hij over de moeder zegt, is daarmee in strijd. Bovendien stelt hij de omgang afhankelijk van het vertrek van de jeugdbeschermers. De vader wordt continu gecorrigeerd, ook door zijn advocaat. Daarna zegt hij weer dat hij gaat meewerken, maar zodra hij los wordt gelaten en er moet iets geregeld worden dan lukt het hem niet meer. Dan komen er dreigementen. Ook ter zitting maakt de vader gebaren naar de moeder en haar advocaat (tong uitsteken), terwijl er ook parketpolitie in de zaal zit. De vader kan zich emotioneel niet handhaven. Voor de kinderen is dat niet goed. Er zijn signalen van onveilige hechting volgens de GI. Ook op de lange termijn ziet de moeder niet in dat het goed gaat met de kinderen bij de vader.

6 De beoordeling

6.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_1ac176e6-7122-4927-8217-d9244d1a0ada] De conclusie van de kinderrechter is dat een uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk is. De redenen daarvoor zijn de gevolgen van de tekortschietende emotieregulatie van de vader, zijn chronische afwerende houding naar hulpverlening, de signalen van onveilige hechting en het contact tussen de kinderen en de moeder dat niet vrijelijk kan plaatsvinden.

6.2.

De vader kampt al sinds voor de aanvang van de ondertoezichtstelling met forse emotieregulatieproblematiek. Daarvoor wordt hulpverlening en therapie al langer noodzakelijk gevonden. De vader weigert die hulp echter te accepteren. Er is geen intrinsieke motivatie. Anders dan de vader, vindt de kinderrechter niet dat is gebleken dat de vader in staat is om op een goede manier voor de kinderen te zorgen. De conclusie vanuit [plaatsnaam], waar de gezinsopname plaatsvond is duidelijk: “Het inhoudelijk vormgeven van het traject is door afwezigheid van intrinsieke motivatie onvoldoende van de grond gekomen.” En “De inhoudelijke interventies om aan deze doelen te werken zijn gedurende het traject onvoldoende van de grond gekomen.” De vader is niet ingegaan op het hulpaanbod en voor zover hij dit wel doet stelt hij daaraan voorwaarden of is hij bereid alleen het minimale aan hulpverlening toe te laten. Daarnaast is de vader niet in staat tot samenwerking met de GI. Er zijn regelmatig uitspattingen van de vader richting de jeugdbeschermers, zoals belediging, bedreiging en doxing. De vader laat zich hierin niet duurzaam corrigeren. Dat corrigeren lukt slechts tijdelijk, door de enorme moeite die zijn advocaat voor hem doet. De vader blijft de strijd met de GI echter vergroten en betrekt daar ook de moeder en de kinderen bij. Bijvoorbeeld door de omgang afhankelijk te stellen van het vertrek van de jeugdbeschermers. Maar ook door het steungezin stop te zetten, omdat hij het niet eens is dat de moeder daar contact met de kinderen had. De inzet van een steungezin is bij uitstek een maatregel die bedoeld is om de noodzaak van een uithuisplaatsing te voorkomen. De houding van de vader is niet in het belang van de kinderen. Duidelijk is dat zodra het tegenzit, de vader zijn emoties onvoldoende onder controle heeft. De kinderen krijgen dit mee en gaan dit mogelijk overnemen. De vader is immers hun voorbeeldfiguur. Dat levert in dit geval ook een concrete bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen op. Als zij niet leren hoe zij op een gezonde manier met hun emoties om kunnen gaan, hebben zij daar mogelijk ook later in hun leven last van.

6.3.

In de beschikking van 12 maart 2026 is voor zover hier relevant het volgende overwogen: “Tijdens de zitting heeft de vader verklaard dat hij alsnog bereid is om opvoedondersteuning te accepteren voor één keer per week, omdat hij het belangrijk vindt dat de kinderen bij hem kunnen blijven wonen. Daarnaast heeft de vader ingestemd met een aanmelding van [kind 2] bij een medisch kinderdagcentrum, onder de voorwaarde dat ook voor [kind 1] een plaatsing mogelijk is. Verder heeft de vader toegelicht dat hij het verblijf van de kinderen bij het steungezin heeft beëindigd, omdat de moeder daar een kennismakingsgesprek heeft gehad. De vader wil de verblijfplaatsen van de kinderen geheim houden voor de moeder.” En “Tot op heden heeft de vader geen opvoedondersteuning geaccepteerd. De kinderrechter acht dit zorgelijk. Tijdens de zitting heeft de vader echter verklaard dat hij bereid is om opvoedondersteuning te accepteren, zij het één keer per week. De kinderrechter beschouwt dit als een eerste stap in de goede richting en spreekt de hoop uit dat de vader deze ondersteuning daadwerkelijk zal toelaten. Indien in de komende periode blijkt dat de vader hieraan geen medewerking verleent, is de kinderrechter van oordeel dat de GI moet onderzoeken of een andere woonplek voor [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is.” Gebleken is dat de vader nog steeds voorwaarden stelt aan de inzet van hulpverlening, de omgang met de moeder en niet bereid of niet in staat is om samen te werken met de GI. Ook de bekrachtigde schriftelijke aanwijzing heeft onvoldoende geholpen. De kinderrechter vindt daarom niet voorzienbaar dat de situatie nog verbeterd zolang de kinderen bij de vader wonen. Hij gebruikt hen immers als drukmiddel in zijn strijd met de GI. Dit is absoluut niet in het belang van de kinderen.

6.4.

In de beschikking van 12 maart 2026 (C/05/457570 / ZJ RK 25-817) is de beslissing deels aangehouden, namelijk het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De nog lopende machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wordt per datum van deze beschikking echter beëindigd. De beslissing is pro forma aangehouden tot 12 mei 2026. Het vervolg zal echter op zitting moeten worden gepland, wat dan nog voorligt is de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 12 november 2026. Als de GI ook verlenging wenst van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] en [kind 1] in een gezinsgerichte voorziening, dan dient zij een aanvullend verlengingsverzoek te doen. De kinderrechter zal de situatie dan opnieuw beoordelen.

6.5.

De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat en het gerechtshof niet anders beslist.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 1 april 2026 tot 12 juni 2026;

7.2.

beëindigt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij de vader met gezag;

7.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door mr. F.G. van Arem, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.