Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Gelderland, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:4662Zaaknummer 26/2661
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Publicatiedatum
- 22 juni 2026
- Zaaknummer
- 26/2661
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Regeling opvang ontheemden Oekraïne, voorlopige voorziening; resultaatsverplichting; geen grondslag voor het beëindigen van opvang omdat er geen opvangplaatsen zijn.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 26 mei 2026 tot zes weken na de door het college te nemen beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200 aan haar dient te vergoeden;- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2661
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem
(gemachtigden: R.P.J. Hengeveld en J.T.H. Struker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college dat verzoekster en haar gezin geen recht meer hebben op gemeentelijke opvang binnen de gemeente Doetinchem. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Op het college rust een resultaatsverplichting om opvang te bieden aan ontheemde Oekraïners. Het gebrek aan opvangcapaciteit ontslaat het college niet van die verplichting. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college besloten dat verzoekster en haar gezin geen recht hebben op opvang binnen de gemeente Doetinchem. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 gelijktijdig met de behandeling van een ander verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster[_7880d6f7-da1b-4d7c-87f5-3ebdb102375f] op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekster en haar partner en minderjarige dochter zijn afkomstig uit Oekraïne. Zij hebben zich op 7 mei 2026 (via de gemachtigde) bij het college gemeld en verzocht hen toegang tot de gemeentelijke opvang voor Oekraïners te geven. Op dat moment verbleven zij bij de moeder van verzoekster in de opvang [naam opvang] in [plaats 1].3.1. Op 12 mei heeft het college verzoekster en haar gezin tijdelijk opgevangen in de noodopvang. Het Regionaal Coördinatiepunt Spreiding (RCVS) heeft vervolgens hen op 13 mei 2026 een opvangplek toegewezen in de gemeente Apeldoorn. Deze opvang heeft verzoekster niet geaccepteerd, waarna zij is teruggekeerd naar [plaats 1] waar zij verblijven bij de moeder van verzoekster.3.2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft het college het recht op gemeentelijke opvang in de gemeente Doetinchem beëindigd omdat verzoekster passende opvang in [plaats 2] heeft geweigerd. Het weigeren van een passende toegewezen opvangplaats wordt beschouwd als het niet meewerken aan de gemeentelijke opvang. In samenhang met de bevoegdheid tot beëindiging van opvang op grond van artikel 4 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO)[_38d88a9b-c5da-47fb-88b7-3e76b7137b7c] leidt dit er volgens het college toe dat het recht op gemeentelijke opvang komt te vervallen. In [plaats 1] is verder ook geen ruimte om verzoekster en haar gezin op te vangen. Alle opvangvoorzieningen zijn vol.
Verzoekster betwist dat zij passende opvang hebben geweigerd. De opvanglocatie in [plaats 2] is ongeschikt, zelfs voor korte tijd.
Mocht het college de opvang beëindigen? 4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college, hoewel het op de zitting twijfels heeft geuit over het recht van verzoekster op opvang, feitelijk toepassing heeft gegeven aan de RooO door opvang te verlenen. Het college baseert zijn besluit tot beëindigen van de opvang op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de RooO. Dit artikel bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders een ontheemde kan uitsluiten van de opvang, bedoeld in het artikel 2, eerste lid, indien (a) de ontheemde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen, (b) door de Minister belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 is geoordeeld dat betrokkene tijdelijke bescherming wordt geweigerd vanwege het bepaalde in artikel 28 van de Richtlijn, of (c) de ontheemde tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. Deze omstandigheden zijn niet aan de orde: het weigeren van andere opvang valt daar niet onder. Het college kon zijn besluit dan ook niet op dit artikel baseren.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij begrijpt dat het college voor een grote uitdaging staat om de ontheemden die zich melden opvang te bieden. Hij begrijpt ook dat gemeenten van elkaar en van het rijk afhankelijk zijn om de opvangproblematiek op te lossen. Uit de Europese Richtlijn tijdelijke bescherming vloeit echter voort dat elke lidstaat een resultaatsverplichting heeft om opvang te bieden aan ontheemden uit Oekraïne. In de nationale wet- en regelgeving is het college met die taak belast en om die reden kan het college aan die resultaatsverplichting gehouden worden. Het college kan daarom niet van de opvang van ontheemden uit Oekraïne af zien: het moet zorg dragen voor opvang van ontheemden. De bepalingen in de RooO bieden geen grondslag voor het beëindigen van opvang omdat er geen opvangplaatsen zijn.
Als de opvang vol is, kan tijdelijk alternatieve opvang worden geboden, zo staat in artikel 3 van de RooO. Artikel 3 van de Regeling bepaalt dat het college in uitzonderingsgevallen kan voorzien in alternatieve opvang. Hierbij gaat het om opvang anders dan in de gemeentelijke opvangvoorziening en waarvoor het college dan de kosten draagt. Ook kan het college financiële middelen ter beschikking stellen zodat de ontheemde zelf opvang kan regelen en betalen.
Artikel 3 van de RooO bevat dus een uitzondering op de hoofdregel en betekent niet dat het college opvang kan weigeren. Deze bepaling maakt het uitsluitend mogelijk om de opvangverplichting op een alternatieve wijze in te vullen als aan de hoofdregel van artikel 2 van de RooO niet kan worden voldaan.[_3993eeb3-71d0-4965-8ab7-37b23e8931dd]
Gelet op het voorgaande is het college niet bevoegd iedere vorm van opvang te beëindigen. Het betoog van verzoekster slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek daarom toe. Het besluit de opvang te beëindigen zal worden geschorst tot zes weken na de door het college te nemen beslissing op bezwaar. 5.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 907 per proceshandeling. Omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen leidt dit tot een totaal van € 1.814.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 26 mei 2026 tot zes weken na de door het college te nemen beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200 aan haar dient te vergoeden;- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.