Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Gelderland, 30 januari 2025

ECLI:NL:RBGEL:2025:633Zaaknummer AWB-23_6107

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
AWB-23_6107
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar van eiser te beperkt opgevat. Het bezwaar heeft ook betrekking op een ander besluit. Voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de besluiten wel op de juiste wijze zijn bekendgemaakt. De rechtbank legt in het kader van de bekendmaking artikel 32e van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen uit. Verweerder heeft niet alle besluiten per post bekend mogen maken. Beroep gegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het UWV niet heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van de uitkering;
  • draagt het UWV op een nieuw besluit op het bezwaar over de terugvordering te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van

M. Gasseling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] uit [plaats] , eiser
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 23/6107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [naam gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het

bestreden besluit van het UWV van 10 augustus 2023 waarbij het UWV het bezwaar

van eiser tegen het besluit van 4 april 2023 over de oplegging van de boete niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser had eerder bezwaar gemaakt dat voornoemd besluit, maar ook tegen een besluit van gelijke datum over een terugvordering.

1.1.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld.

Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

1.3.

De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 1 augustus 2024

geschorst en het UWV in de gelegenheid gesteld om een nadere uiteenzetting te geven. Het UWV heeft de gevraagde uiteenzetting ingediend, waarna eiser daarop heeft gereageerd.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 nogmaals op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Het UWV heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard

omdat eiser zijn bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend en eiser daar geen goede

reden voor heeft meegedeeld. De rechtbank beoordeelt daarom in deze uitspraak of het UWV het bezwaar van eiser al dan niet terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is.

Het besluit voor zover dat ziet op het bezwaar tegen de terugvordering wordt vernietigd. Het blijft wel in stand voor zover dat ziet op het bezwaar tegen de boete. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.

Het bezwaar van eiser voor zover gericht tegen de terugvordering van zijn WW-uitkering

4. De rechtbank stelt vast dat het UWV in het bestreden het bezwaarschrift

van eiser alleen heeft opgevat als gericht tegen het besluit van 4 april 2023 over de opgelegde boete. Dat is onvolledig. In de formulering van het bezwaarschrift heeft het UWV namelijk moeten lezen dat eiser ook bezwaar heeft willen maken tegen het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van zijn WW-uitkering.

4.1.

Het UWV heeft het bezwaar van eiser voor zover gericht tegen het

besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van zijn WW-uitkering ten onrechte

niet meegenomen in het bestreden besluit. Dat lijkt het UWV niet te hebben onderkend. Het beroep van eiser is daarom gegrond. Het UWV moet over dat onderdeel van het bezwaar van eiser daarom alsnog een besluit nemen.

4.2.

Wel gaat de rechtbank hieronder ook in op de bekendmaking van het

besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van de WW-uitkering van eiser. Dat zal de rechtbank dan ook bij haar beoordeling betrekken.

Toetsingskader

5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.[_0608488c-8e07-4f96-98a6-a4b956bbdc87]

De termijn vangt aan vanaf de eerste dag na de dag waarop het bestuursorgaan het besluit op de juiste wijze bekend heeft gemaakt.[_53777729-5253-4559-b2e0-1e234bd33cb7]

5.1.

Als iemand een bezwaarschrift niet tijdig indient, kan het bestuursorgaan

het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het bestuursorgaan het niet

tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar vindt. Dan laat het bestuursorgaan

niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.[_3c13858b-fe95-4dd7-b210-efcec37bd89e]

5.2.

In het verkeer tussen burgers en het UWV wordt op grond van artikel

32e, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) een bericht uitsluitend elektronisch verzonden, tenzij er naar het oordeel van het

UWV sprake is van groepen burgers voor wie en berichten of omstandigheden waarvoor communicatie langs andere dan elektronische weg is aangewezen.[_cee92ce6-28db-4cd1-be41-e44c654bba13]

5.3.

In artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel elektronische communicatie

UWV (Beleidsregel) is bepaald dat het verkeer tussen burgers en het UWV als bedoeld

in artikel 32e van de Wet SUWI elektronisch plaatsvindt, voor zover dat artikel elektronisch verkeer voorschrijft, en voor zover het verkeer betreft als opgenomen in de bijlage bij

deze beleidsregel. In het tweede lid, aanhef en onder c, van dat artikel staat dat in afwijking van het eerste lid het verkeer tussen burgers en het UWV niet verplicht elektronisch plaatsvindt voor zover het verkeer betrekking heeft op het opleggen van een maatregel of bestuurlijke boete door het UWV, of op het verrekenen met de uitkering van op grond van een terugvordering of boete te betalen bedragen.

Heeft het UWV de besluiten van 4 april 2023 op de juiste wijze bekend gemaakt?

6. In het beroepschrift voert eiser aan dat hij alle brieven van het UWV

normaal gesproken ook digitaal in zijn berichtenbox ontvangt. Eiser begrijpt dan ook

niet waarom het UWV de besluiten van 4 april 2023 alleen per post heeft toegestuurd en niet ook digitaal in zijn berichtenbox heeft geplaatst. Eisers standpunt ziet daarmee op de manier waarop de besluiten van 4 april 2023 zijn bekendgemaakt. Daarom beoordeelt de rechtbank eerst of het UWV de besluiten van 4 april 2023 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt.

6.1.

Met de bekendmaking van de besluiten van 4 april 2023 heeft het

UWV toepassing gegeven aan artikel 32e van de Wet SUWI. In dat artikel staat dat berichten tussen het UWV en de burger uitsluitend elektronisch worden verzonden, zonder dat het UWV de toestemming nodig heeft van de burger.[_69868044-b947-4c00-93aa-2978673d61c1] Wel zijn daarop enkele uitzonderingen. In dat geval geldt verplichte elektronische communicatie niet. In

de Beleidsregel elektronische communicatie UWV (Beleidsregel) en de daarbij behorende toelichting[_61e541d0-d2a8-49a1-a45b-dc1603d09db7] heeft het UWV nader uitgewerkt in welke gevallen berichten juist wel en wanneer juist niet elektronisch moeten worden verzonden.

Artikel 32e van de Wet SUWI en de Beleidsregel

6.2.

Artikel 32e van de Wet SUWI is per 1 juli 2012 in werking getreden.[_42b47803-7240-45e7-84b8-c6a949d881d7]

Het UWV heeft vervolgens de Beleidsregel vastgesteld en van een toelichting voorzien.

Per 1 januari 2015 is artikel 32e van de Wet SUWI gewijzigd. Daarbij zijn verschillende elementen uit het oude artikel weggelaten. Zo worden onder andere de in het oude

artikel genoemde wetten en taken weggelaten. Daardoor kan het UWV ook berichtstromen bij de uitvoering van andere wetten en taken digitaliseren. Ook is niet langer in het

artikel opgenomen dat besluiten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over de toekenning, herziening of intrekking van een uitkering wel per post moeten worden verzonden. Daardoor kan het UWV in beginsel alle soorten berichtstromen digitaliseren.[_854100e7-e7ef-48b2-8174-8ebfc37b944c]

6.2.1.

Het UWV heeft de Beleidsregel, die ziet op toepassing van het oude

artikel 32e van de Wet SUWI, na deze wetswijziging niet aangepast. Dat maakt dat de weggelaten elementen uit het oude artikel nog wel in de toelichting van de Beleidsregel staan vermeld. Daardoor sluit de (toelichting op de) Beleidsregel niet meer volledig aan bij het huidige artikel 32e van de Wet SUWI.

Het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van de WW-uitkering van eiser

6.3.

Het UWV betoogt dat het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van de WW-uitkering van eiser onder de in de toelichting bij de Beleidsregel genoemde uitzondering valt met betrekking tot besluiten over de toekenning, herziening of intrekking van een uitkering en het UWV het besluit daarom per post aan eiser heeft mogen toezenden.

6.3.1.

Uit 6.2 volgt dat de in de toelichting bij de Beleidsregel genoemde

uitzondering niet meer in artikel 32e van de Wet SUWI is opgenomen. De uitzondering

kan daarom geen grond (meer) zijn voor verzending per post. Daarom beoordeelt de rechtbank of het UWV heeft mogen volstaan met bekendmaking van het besluit van

4 april 2023 over de terugvordering van de WW-uitkering per post of dat de bekendmaking van het besluit onder verplichte elektronische communicatie valt.

6.3.2.

De bekendmaking van een besluit over de terugvordering van een

WW-uitkering valt onder het bereik van artikel 32e van de Wet SUWI. Voor verplichte elektronische communicatie geldt in de Beleidsregel de voorwaarde dat het

berichtenverkeer in de bijlage[_356928ce-a16f-42b3-a8d2-68abae9e8b1f] bij deze beleidsregel moet staan vermeld. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Het ontvangen van beslissingen over de WW-uitkering

staat namelijk uitdrukkelijk in de bijlage vermeld. In dat geval geldt verplichte elektronische communicatie, tenzij het berichtenverkeer valt onder een van de uitzonderingen in het tweede lid van artikel 2 van de Beleidsregel. Van een van deze uitzonderingen is hier geen sprake.

6.3.3.

Het UWV heeft het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van

de WW-uitkering van eiser dan ook elektronisch aan eiser moeten bekendmaken door plaatsing van dat besluit in mijn UWV. Het UWV heeft het besluit door verzending per post niet op de juiste wijze bekend gemaakt. Dat heeft de onderstaande gevolgen.

6.3.4.

Onder 4.1 staat al dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen

omdat het UWV in het besteden besluit niet ook het bezwaar van eiser tegen het besluit

van 4 april 2023 over de terugvordering van zijn WW-uitkering heeft meegenomen. Daarbij moet het UWV bovenstaande overwegingen betrekken.

Het besluit van 4 april 2023 over de opgelegde boete

6.4.

Het UWV betoogt dat het besluit van 4 april 2023 over de opgelegde boete

onder uitzonderingen in artikel 2, tweede lid, onder c, van de Beleidsregel valt en het UWV het besluit daarom per post aan eiser moest bekendmaken.

6.4.1.

De rechtbank laat in het midden of het UWV op grond van het eerste lid

van artikel 2 van de Beleidsregel gehouden is tot elektronische communicatie. Want al zou dat zo zijn, uit overweging 5.3 volgt al dat de verplichting op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, (toch) niet geldt. Het UWV moest daarom het besluit van 4 april 2023 over de opgelegde boete per post aan eiser bekendmaken. Het UWV heeft het besluit dus op de juiste wijze bekendgemaakt.

6.4.2.

Dat maakt dat de bezwaartermijn voor wat betreft het besluit van

4 april 2023 over de opgelegde boete wel is begonnen. Eiser heeft zijn bezwaar voor

zover gericht tegen het besluit van 4 april 2023 over opgelegde boete dan ook wel buiten de bezwaartermijn heeft ingediend.

Is het te laat indienen verontschuldigbaar?

7. Eiser heeft bij het UWV verklaard dat hij regelmatig voor langere perioden

in het buitenland verblijft en daardoor zijn post niet heeft kunnen bekijken. Eiser heeft

ook niemand aan wie hij zijn post toevertrouwt. Dat heeft hij in het verleden ook al aan het UWV kenbaar gemaakt.

7.1.

Het UWV vindt de reden van eiser geen goede reden. Het UWV geeft

daartoe aan dat het eiser duidelijk mag zijn hij over zaken aangaande zijn uitkering schriftelijk wordt geïnformeerd. Verder heeft eiser ook een woon- en postadres. In dat geval moet het voor zijn rekening en risico komen dat hij zijn post niet op tijd ontvangt. Verder geeft het UWV aan dat bij het UWV geen afspraken bekend zijn over het enkel ontvangen van berichten per post of afgeschermde e-mail.

7.2.

De rechtbank vindt de door eiser gegeven reden geen goede reden

voor het te laat indienen van het bezwaarschrift. Het gaat bij eiser om een (gepland) langdurig verblijf in het buitenland. In dat geval geldt dat eiser zelf de nodige maatregelen moet treffen voor het bijhouden van zijn post. Daarin ligt het uitgangspunt besloten dat eiser zelf de verantwoordelijkheid draagt voor het op tijd reageren op belangrijke poststukken. Dat eiser zijn post aan niemand toevertrouwt, maakt dat niet anders. Ook blijkt nergens uit dat eiser contact heeft opgenomen met het UWV en bij het UWV heeft gevraagd naar andere mogelijkheden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het UWV het bezwaar van eiser te beperkt

heeft opgevat. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd voor zover het UWV

niet heeft beslist op het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van zijn WW-uitkering. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. Het UWV heeft het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 4 april 2023 over de opgelegde boete namelijk terecht niet-ontvankelijk verklaard.

8.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van

de Awb dat het UWV alsnog een besluit moet nemen op het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van zijn WW-uitkering. Daarbij moet het UWV deze uitspraak in acht nemen.

8.2.

Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan

eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV

moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het UWV niet heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2023 over de terugvordering van de uitkering;
  • draagt het UWV op een nieuw besluit op het bezwaar over de terugvordering te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van

M. Gasseling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.