Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Gelderland, 5 augustus 2024

ECLI:NL:RBGEL:2024:5340Zaaknummer C/05/438866 / JE RK 24-769

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
5 augustus 2024
Publicatiedatum
16 augustus 2024
Zaaknummer
C/05/438866 / JE RK 24-769
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Beschikking
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader toegewezen. Opvoedperspectief voor de minderjarigen ligt bij de vader. De vader heeft in een andere procedure ook wijziging van de hoofdverblijfplaats verzocht, maar dit verzoek is nog niet behandeld. Verhouding tussen artt. 1:265a en 1:265c BW en hoofdverblijfplaats minderjarige.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (de vader) tot 7 februari 2025;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2024 door mr. J.T. van Belzen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2024.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Arnhem

Zaaknummer: C/05/438866 / JE RK 24-769

Datum uitspraak: 5 augustus 2024

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Eindhoven, locatie Helmond,

hierna te noemen de GI,

over

[de minderjarige 1], geboren [geboortedatum] in [geboorteplaats],

hierna te noemen [de minderjarige 1],

[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

hierna te noemen [de minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M. Bos te Heerlen.

[naam vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juli 2024.

1.2.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft een e-mail naar de kinderrechter gestuurd.

2 De feiten

2.1.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 januari 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 7 februari 2025.

2.2.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 januari 2024 de machtiging verlengd [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder (vader) met gezag tot 7 augustus 2024.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (de vader) te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4 De standpunten

4.1.

Namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de uithuisplaatsing. De moeder vindt het moeilijk dat er geen perspectief op thuisplaatsing bij haar is. Tegelijkertijd heeft de moeder zich te verhouden tot de omstandigheden zoals die voorliggen. Voor de moeder is het belangrijkste dat er een duurzame omgangsregeling is met de kinderen. Daar ligt haar focus nu op.

4.2.

De vader is het eens met het verzoek. Wel benadrukt hij dat het belangrijk is dat de moeder geen nare dingen schrijft op bijvoorbeeld verjaardagskaarten en dat zij geen negatieve dingen plaatst op social-media. Het gaat goed met de kinderen, maar zij worden daar wel verdrietig van.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). Gebleken is dat de kinderen zich bij de moeder thuis niet goed kunnen ontwikkelen, omdat zij belast worden met de angsten van de moeder ten opzichte van de vader. Het perspectief ligt volgens de GI niet meer bij de moeder, hoewel de moeder wel aan hen blijft trekken. Ook dwarsboomde de moeder de ontwikkeling van de kinderen door toestemmingen te weigeren als breekijzer voor thuisplaatsing. Voor de kinderen is het noodzakelijk dat zij duidelijkheid hebben over hun opvoedperspectief. Dat is bij hun vader. De moeder zal daarvoor – hoe moeilijk dat ook is – emotionele toestemming moeten geven. Daar past geen berichtgeving bij die de kinderen in verwarring brengt. Bovendien kan dit averechts werken voor het duurzame en uitgebreide contact met de kinderen dat zij zo graag wil.

5.2.

De kinderrechter begrijpt uit de stukken van de GI dat de vader wijziging van de hoofdverblijfplaats heeft verzocht en dat dit verzoek op 26 augustus 2024 door de rechtbank wordt behandeld. Totdat de hoofdverblijfplaats bij de vader is bepaald, is voor de plaatsing bij de vader een machtiging nodig. Dat moet namelijk op basis van artikel 1:265a BW. Daarin staat dat voor een plaatsing ‘buiten het gezin’ – in dit geval een plaatsing elders dan bij de moeder waar de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben – een machtiging tot uithuisplaatsing vereist is. De kinderrechter zal de machtiging om die reden verlengen. Wel merkt de kinderrechter op dat na de wijziging van de hoofdverblijfplaats de machtiging tot uithuisplaatsing feitelijk zijn werking verliest en zal vervallen na verloop van drie maanden. Dat blijkt uit artikel 1:265c lid 3 BW.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (de vader) tot 7 februari 2025;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2024 door mr. J.T. van Belzen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2024.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.