Uitspraak · Burgerlijk procesrecht
Rechtbank Gelderland, 2 maart 2022
ECLI:NL:RBGEL:2022:1132Zaaknummer C/05/393775 / HA ZA 21-498
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 2 maart 2022
- Publicatiedatum
- 9 maart 2022
- Zaaknummer
- C/05/393775 / HA ZA 21-498
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Provisionele eis opheffing conservatoir beslag. Afwijzing. Eiser in incident vraagt opheffing van beslag. Dit betreft een definitieve maatregel die onomkeerbaar is, en dus geen voorlopige voorziening die voor de duur van het geding kan worden gegeven.
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt Ravestein in de kosten van het incident, aan de zijde van Trant tot op heden begroot op nihil,
in de hoofdzaak
verstaat dat de hoofdzaak al op de mondelinge behandeling op de rol is gezet van 16 maart 2022 voor vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2022.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/393775 / HA ZA 21-498
Vonnis in incident van 2 maart 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TRANT ENGINEERING LIMITED,
gevestigd te Southampton (Verenigd Koninkrijk),
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. B.B. van Vliet te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAVESTEIN B.V.,
gevestigd te Deest, gemeente Druten,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Trant en Ravestein genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 december 2021 in de hoofdzaak;
- de akte overlegging producties, tevens akte aanvulling van eis in reconventie houdende een provisionele eis van Ravestein;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte voorwaardelijke vermeerdering van eis van Trant;
- het (verkort) proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak en het incident, gehouden op 2 februari 2022.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De beoordeling in het incident
Ravestein vordert dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, inhoudende dat het door Trant ten laste van Ravestein gelegde conservatoir (derden)beslag voor de duur van het geding wordt opgeheven onder de voorwaarde dat Ravestein binnen 14 dagen (of een door de rechtbank te bepalen andere termijn) aan Trant een bankgarantie afgeeft overeenkomstig een door Ravestein in het geding gebrachte conceptgarantie. Trant voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Toewijzing van een voorlopige voorziening zoals door Ravestein gevraagd is alleen mogelijk wanneer het verzoek gericht is op een voorziening die voor de duur van de bodemprocedure kan worden gegeven. De rechtbank zal de provisionele vordering afwijzen, omdat daarvan in dit geval geen sprake is. De door Ravestein gevraagde voorziening (opheffing van het beslag) betreft namelijk een definitieve maatregel, die onomkeerbaar is, en dus geen voorlopige voorziening die voor de duur van het geding kan worden gegeven.
Ravestein zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Omdat de reactie op de provisionele eis door Trant in het kader van haar conclusie van antwoord in reconventie slechts een klein onderdeel uitmaakt van haar (meeromvattende) verweer in reconventie, worden de kosten van het incident aan de zijde van Trant begroot op nihil.
3 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt Ravestein in de kosten van het incident, aan de zijde van Trant tot op heden begroot op nihil,
in de hoofdzaak
verstaat dat de hoofdzaak al op de mondelinge behandeling op de rol is gezet van 16 maart 2022 voor vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2022.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.