Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 18 maart 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:9888Zaaknummer C/09/700699 / FA RK 26-2148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/09/700699 / FA RK 26-2148
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing aansluitende zorgmachtiging tot het verlenen van verplichte zorg.

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 maart 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Afwijzing aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
  2. Standpunten ter zitting
  3. Beoordeling
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnr.: C/09/700699 / FA RK 26-2148

Datum beschikking: 18 maart 2026

Afwijzing aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene],

hierna te noemen: betrokkene,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. R.G. van der Laan te Leiden.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 maart 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- een op 25 februari 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1], psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;

- een zorgkaart van 25 februari 2026;

- een zorgplan van 24 februari 2026;

- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 4 maart 2026;

- een brief van de officier van justitie van 13 februari 2026, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn en betrokkene geen justitiële documentatie heeft.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

- de psychiater, [naam 2];

- de sociaal psychiatrisch verpleegkundige, [naam 3].

Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Betrokkene heeft naar voren gebracht dat het goed gaat en dat hij geen zorgmachtiging wil, omdat dit hem een beklemmend gevoel geeft. Betrokkene wil een zelfbindingsverklaring opstellen en is hierover in contact met zijn behandelaren. Betrokkene wil een nieuwe opname koste wat het kost voorkomen.

De advocaat bepleit primair afwijzing van het verzoek en subsidiair toewijzing van het verzoek voor een kortere duur dan verzocht, te weten drie maanden. Er is geen sprake van verzet. Betrokkene is wilsbekwaam en er is geen sprake van ernstig nadeel. Toewijzing van het verzoek is in strijd met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel.

De psychiater heeft naar voren gebracht dat het inderdaad goed gaat met betrokkene, maar dat er vorig jaar sprake was van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld. De reden voor de aanvraag van de zorgmachtiging is dat de medicatie wordt afgebouwd en dat het wenselijk is dat er een vangnet is waarmee snel kan worden ingegrepen indien dat nodig zou zijn. Betrokkene heeft een stevig sociaal vangnet. De behandelrelatie is goed en betrokkene wil graag autonomie.

De sociaal psychiatrisch hulpverlener heeft naar voren gebracht dat er een signaleringsplan is gemaakt, de zelfbindingsverklaring zit in het verlengde daarvan maar het kost nog wat tijd om die rond te krijgen.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is onvoldoende gebleken dat sprake is van verzet. Het toestandsbeeld is stabiel en betrokkene werkt actief mee aan zijn behandeling. Het is belangrijk dat betrokkene blijft samenwerken met de behandelaren en de zorg blijft accepteren en dat de zelfbindingsverklaring wordt opgesteld. Het is belangrijk voor betrokkene dat hij regie heeft in zijn behandeling, want hij weet wat er op het spel staat als er niet tijdig wordt ingegrepen. Het opstellen van de zelfbindingsverklaring is een minder bezwarend alternatief dan de zorgmachtiging en heeft hetzelfde beoogde effect. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de zelfbindingsverklaring binnen afzienbare tijd zal zijn opgesteld en ondertekend, zodat de benodigde zorg ook op die manier kan worden gegarandeerd.

Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 maart 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.