Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 1 april 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:9374Zaaknummer 26/1465

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
26/1465
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening afgewezen. Afwijzing aanvraag om een uitkering en bedrijfskapitaal op grond van de Bbz. Geen financiële noodsituatie want er is een voorschot op de bijstandsuitkering toegekend.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/1465

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: J.A. Boogaards).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering en bedrijfskapitaal op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz). Verzoeker is het daarmee niet eens. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 6 januari 2026 een Bbz-uitkering en bedrijfskapitaal aangevraagd. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen en het op 12 januari 2026 verleende voorschot ter hoogte van € 200,- teruggevorderd.

2.1.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het griffierecht niet kan betalen. Daarom is terecht afgezien van het heffen van griffierecht.

3.1.

Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.

3.2.

Verzoeker heeft op 11 februari 2026 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd. Het college heeft op 5 maart 2026 een voorschot toegekend ter hoogte van € 989,06. De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat het college ambtshalve om de vier weken een voorschot verstrekt zolang er nog geen besluit is genomen op eisers aanvraag om een bijstandsuitkering. Ook heeft de gemachtigde van het college toegezegd dat het voorschot van € 200,- niet zal worden ingevorderd zolang er nog geen beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit is genomen.

3.3.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

4. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.