Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Den Haag, 15 april 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:9335Zaaknummer 11663507 \ CV EXPL 25-1226

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
11663507 \ CV EXPL 25-1226
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Leiden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstek. Achteraf betalen met Klarna. Eerlijk bik-beding.

3 Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 69,98, vermeerderd met de wettelijke rente over € 29,98 vanaf de vervaldatum van de factuur/facturen tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 320,28, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Sluymer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Verloop van de procedure
  2. 2 Verdere beoordeling
  3. (on)eerlijk beding
  4. 3 Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

MvN

Rolnr.: 11663507 \ CV EXPL 25-1226

Datum: 15 april 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de vennootschap naar buitenlands recht Alektum Capital II AG,

gevestigd te Zug (Zwitserland),

eisende partij,

gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith B.V.,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 1 oktober 2025 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is verstek verleend tegen gedaagde partij en is eisende partij in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de (on)eerlijkheid van een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden van Klarna.

1.2.

Eisende partij heeft op de rol van 29 oktober 2025 een akte genomen.

1.3.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 Verdere beoordeling

(on)eerlijk beding

2.1.

Eisende partij heeft zich bij akte uitgelaten over het betreffende beding en stelt dat dit beding niet oneerlijk is, omdat het niet ten nadele van de consument afwijkt. Daartoe voert zij het volgende aan. Het gaat in deze consumentenprocedures altijd om de door de consument gekozen betaalwijze “betalen binnen 30 dagen” waarbij de vorderingen nooit hoger zijn dan € 2.500,00. Dus zijn de juiste kosten in het beding aangezegd. Er kan op grond van het beding ook geen bedrag worden gevorderd dat opgeteld hoger is dan hetgeen wettelijk bij gedaagde partij in rekening mag worden gebracht. Dit is tekstueel niet in het beding te lezen. De woorden ‘deze kosten’ in de zin ‘Blijft betaling uit dan kunnen deze kosten voor bedragen tot € 2.500,00 oplopen tot 15% van het factuurbedrag, met een minimum van € 40,-’ verwijzen naar de genoemde kosten in de zin ‘Bij die tweede herinnering zal Klarna € 13,50 aanmaningskosten in rekening brengen. Bij aankopen onder € 20,- wordt € 7,50 aanmaningskosten in rekening gebracht’. Hieruit volgt dat de kosten niet meer kunnen bedragen dan wettelijk is toegestaan, want zij kunnen oplopen tot 15% van het factuurbedrag hetgeen bij de betaaloptie “betaal binnen 30 dagen” voor de vorderingen van eisende partij (à maximaal € 2.500,00) ook correct is. Aldus eisende partij.

2.2.

De kantonrechter volgt de stellingen van eisende partij en acht het beding voor vorderingen tot een bedrag van € 2.500,00, zoals in onderhavige zaak, niet oneerlijk. Eisende partij heeft het vermoeden van de kantonrechter met betrekking tot de oneerlijkheid van het betreffende beding in deze procedure voldoende weerlegd. Daarom wordt het beding in stand gelaten.

conclusie en proceskosten

2.3.

Voor het overige blijft de kantonrechter bij wat in het tussenvonnis is overwogen. Daarin is geoordeeld dat een sanctie zal worden toegepast vanwege het schenden van de (pre)contractuele informatieplichten, in die zin dat de betalingsverplichting van de gedaagde partij wordt verminderd met 20%. Dat betekent dat een bedrag van (€ 29,98 x 80% =) € 23,98 aan hoofdsom zal worden toegewezen.

2.4.

De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende. De gevorderde rente zal worden toegewezen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.

2.5.

Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:

- dagvaarding € 120,78

- griffierecht € 135,00

- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)

- nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening

zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 320,28

3 Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 69,98, vermeerderd met de wettelijke rente over € 29,98 vanaf de vervaldatum van de factuur/facturen tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 320,28, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Sluymer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.