Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 12 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:8710Zaaknummer C/09/694766 / JE RK 25-1965
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 maart 2026
- Publicatiedatum
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- C/09/694766 / JE RK 25-1965
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
machtiging tot uithuisplaatsing
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 17 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 17 juni 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder, de advocaat en [minderjarige] voor een kindgesprek dienen te worden opgeroepen.
gelast de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting aan de kinderrechter en de belanghebbenden een schriftelijke update toe te zenden waarin zij ook haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek;
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/694766 / JE RK 25-1965
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], [land],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. B.J. de Bruijn uit Den Haag,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 december 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 17 maart 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 26 februari 2026.
Op 12 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en een tolk in de taal Urdu;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 17 december 2025.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Het screeningstraject voor het netwerkpleeggezin heeft vertraging opgelopen, maar inmiddels is dit gestart. De jeugdbeschermer heeft wekelijks contact met [minderjarige] en heeft meerdere huisbezoeken afgelegd waardoor er zicht is op het sociale netwerk, de dagbesteding en de verblijfssituatie van [minderjarige]. De gecertificeerde instelling schat de plaatsing van [minderjarige] bij haar schoonmoeder en vriendje op dit moment voldoende veilig en passend in, maar ziet ook dat deze setting op de lange termijn onvoldoende houdbaar is, onder andere vanwege de lichamelijke klachten van de schoonmoeder, de financiële beperkingen en de kleine woonruimte. De jeugdbeschermer kijkt met [minderjarige] naar een passende plek voor haar. [minderjarige] wil op dit moment niet terug naar haar ouders en staat niet open voor een groepssetting, maar wil mogelijk wel naar een mentorhuis of een vorm van begeleid zelfstandig wonen. Bij het trainingshuis is momenteel geen wachtlijst. Gelet op het weglooprisico bij [minderjarige] is het van belang dat er stap voor stap naar een andere plek wordt toegewerkt. Tot die tijd dient het verblijf van [minderjarige] bij haar schoonmoeder en vriendje gecontinueerd te worden.
4 De standpunten
De vader heeft naar voren gebracht dat de ouders liever niet willen dat [minderjarige] bij haar schoonmoeder en vriendje verblijft. De vader heeft nu beter contact met [minderjarige] en spreekt haar dagelijks. Er komen veel hulpverleners over de vloer, maar de vader heeft het ook druk met zijn werk. De advocaat heeft namens de ouders naar voren gebracht dat zij verweer voeren tegen de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoeken om die voor kortere duur toe te wijzen. De ouders hebben de wens dat [minderjarige] weer naar huis komt en willen daar komende periode naartoe werken.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_86debe14-4f24-40aa-a4e5-84f7579ae46a]
[minderjarige] verblijft op dit moment nog in het netwerkpleeggezin bij haar schoonmoeder en vriendje, maar deze plek is op de lange termijn niet houdbaar. [minderjarige] wil op dit moment echter ook nog niet terug naar huis toewerken. Er wordt daarom met [minderjarige] gekeken naar een passende plek voor de langere termijn waarbij rekening wordt gehouden met de wensen en behoeften van [minderjarige]. De afgelopen periode zijn er kleine positieve stappen gezet in het contact tussen de ouders waardoor [minderjarige] nu goed contact heeft met de vader en af en toe thuis langskomt. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] gaat echter nog moeizaam. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van drie maanden en aanhouden voor het overige zodat [minderjarige] in het netwerkpleeggezin kan blijven om van daaruit naar een passende plek voor haar toe te werken. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting een schriftelijke update te verzenden waarin zij de kinderrechter nader informeert over bovenstaande onderwerpen hiervoor overwogen en haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 17 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 17 juni 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader, de moeder, de advocaat en [minderjarige] voor een kindgesprek dienen te worden opgeroepen.
gelast de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting aan de kinderrechter en de belanghebbenden een schriftelijke update toe te zenden waarin zij ook haar standpunt kenbaar maakt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek;
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.