Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 3 april 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:7854Zaaknummer NL26.17103

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL26.17103
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring volgberoep/kennisgeving. Zicht op uitzetting ontbreekt niet, de minister handelt voldoende voortvarend en geen aanleiding voor een lichter middel. Beroep ongegrond.

De uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.17103

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 9 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw[_efb45c9e-09e0-40bf-8a6a-f54748fe57b2] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

1.1.

De minister heeft de rechtbank op 27 maart 2026 van de voortduring van de bewaring in kennis gesteld en de rechtbank verzocht een rechtmatigheidsbeoordeling te verrichten.[_c23f4068-4b36-448f-ada7-c9d007a00fdc] Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep in die zin dat eiser geacht wordt een verzoek om schadevergoeding te hebben ingediend als de voortduring van de maatregel onrechtmatig wordt bevonden.

1.2.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

1.3.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft[_2546c53f-d351-4196-ba7f-bf748af7f09e] en het onderzoek op 31 maart 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 20 januari 2026.[_f5cb1e5b-8548-438b-9061-599713c4afa4] In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 16 januari 2026 is gebeurd.

Wat vindt eiser?

3. Eiser stelt dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Eiser heeft al op

10 december 2025 een kopie van zijn paspoort verstrekt aan de minister en heeft in diezelfde maand een vrijwilligersbrief ondertekend, waarin hij verzoekt om een spoedige afgifte van een lp.[_711a1f72-b9bd-47fc-aa14-08818eadb0f0] Desondanks is er sindsdien niets van de Marokkaanse autoriteiten vernomen. Ook op het rappel op dossierniveau van de minister van 16 maart 2026 is geen enkele reactie gekomen. Het zicht op uitzetting ontbreekt dan ook.

3.1.

Eiser stelt daarnaast dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen om de uitzetting van eiser te bespoedigen. De minister had volgens eiser veel eerder op dossierniveau kunnen en moeten informeren naar de stand van zaken.

3.2.

Tot slot stelt eiser dat de belangenafweging vanwege het voorgaande in zijn voordeel dient uit te vallen.

Oordeel van de rechtbank

4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat de lp-aanvraag op

15 december 2025 aan de Marokkaanse autoriteiten is verzonden. Dit is niet zodanig lang geleden dat zicht op uitzetting om die reden ontbreekt. De omstandigheid dat door de Marokkaanse autoriteiten nog niet is gereageerd op het verzoek om informatie op dossierniveau, geeft ook geen aanleiding voor dat oordeel. De minister heeft dit verzoek immers vrij recent gedaan, namelijk op 16 maart 2026. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo hebben er sinds het sluiten van het vorige onderzoek twee vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden en is er vier keer gerappelleerd aan de lp-aanvraag, waarvan één keer op dossierniveau. Dat dit eerder had gemoeten, volgt de rechtbank niet.

4.1.

De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Eiser voert aan dat hij meewerkt door in december 2025 een kopie van zijn paspoort over te leggen en een vrijwilligersbrief te ondertekenen. Hoewel het positief is dat eiser meewerkt, zijn dit geen nieuwe omstandigheden ten opzichte van de onder 2. genoemde uitspraak en vormen daarom geen aanleiding voor het oordeel dat een lichter middel nu wel zou volstaan of dat de belangenafweging in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen.

4.2.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.[_254fa848-6f7e-444f-9bba-b9ec3f2c8772]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.