Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 31 maart 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:7317Zaaknummer NL26.15872

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.15872
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – voortvarend handelen – beroep ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.15872

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.[_dfe31f3d-a921-4940-acf2-9b38fd0bc6ab]

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 23 maart 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend. Op 25 maart 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Op 27 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1983 en heeft de Poolse nationaliteit.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd in het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden[_d00f946b-ae39-4b76-a558-bc61084ede23] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:

  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

En als lichte gronden[_6bfca1ed-d71d-4505-be65-052ee7ff1e4c] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:

  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring

ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden

feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van

bewaring om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal

onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Voortvarend handelen

4. Eiser voert aan dat geen belemmeringen voor uitzetting bestaan en dat, wegens het ontbreken van stukken, niet kan worden vastgesteld of verweerder voortvarend handelt, zodat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is. Indien verweerder de vluchtaanvraag pas heeft gedaan op de dag van het vertrekgesprek, werkt verweerder volgens eiser onvoldoende voortvarend aan de uitzetting.

5. De rechtbank is van oordeel dat voldoende inzicht bestaat in de door verweerder verrichte uitzettingshandelingen en dat verweerder voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 23 maart 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Daarnaast heeft verweerder het OM[_563888eb-0482-48e5-8ec3-26621842e6e6] gevraagd of het kon instemmen met de voorgenomen uitzetting, waarop het OM expliciet toestemming heeft verleend. Voorts is op diezelfde dag een vluchtaanvraag gedaan, waarop eveneens die dag akkoord is gekomen. Hieruit volgt dat eiser op 31 maart 2026 zal worden uitgezet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toets

6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van

bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.