Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Den Haag, 18 februari 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:6049Zaaknummer C/09/691624 / HA RK 25-496

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/09/691624 / HA RK 25-496
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

vaststelling staatloosheid. Palestijnse gebieden en Syrië. verzoek toegewezen

De rechtbank:

*

stelt vast dat

  • [verzoeker], geboren op [geboortedatum 2] 1981 te [geboorteplaats], [geboorteland], en
  • [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], [geboorteland],

staatloos zijn.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Vaststelling van staatloosheid
  2. Procedure
  3. Verzoek en het advies van de Staat
  4. Feiten
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 25-496

Zaaknummer: C/09/691624

Datum beschikking: 18 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 16 september 2025 ingekomen en het op 5 januari 2026 gewijzigde verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,

mede in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], [geboorteland],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F. Engelbertink te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de Staat”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg.

[de moeder],

de moeder van de [minderjarige],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het (gewijzigde) verzoekschrift;

- de brief van 29 oktober 2025 van de Staat;

- een e-mailbericht van 12 november 2025, met bijlage, van verzoeker;

- een brief van 18 november 2025 van verzoeker;

- een e-mailbericht van 5 januari 2026, met bijlage, van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker en de [minderjarige].

De Staat adviseert verzoeker en [minderjarige] ontvankelijk te verklaren en het verzoek toe te wijzen.

De moeder stemt in met toewijzing van het verzoek ten aanzien van de [minderjarige].

Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.

  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum 2] 1981 te [geboorteplaats], [geboorteland].
  • [minderjarige] is geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], [geboorteland].
  • [de moeder], echtgenote van verzoeker, geboren op [geboortedatum 3] 1985, van Syrische nationaliteit, heeft op 21 september 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
  • Bij besluit van 18 augustus 2022 is de asielaanvraag ingewilligd.
  • Vervolgens heeft [de moeder] op 1 september 2022 een nareis-aanvraag ingediend voor verzoeker en hun kinderen, waaronder [minderjarige]. Op 10 november 2023 is de machtiging voorlopig verblijf (mvv) ingewilligd.
  • Verzoeker is vervolgens naar de ambassade van [plaats] ([land]) afgereisd voor de afgifte van de mvv. Hiervoor is gebruik gemaakt van Syrische reisdocumenten. Bij de ambassade in [plaats] zijn de Syrische reisdocumenten van verzoeker ingenomen en zijn vervolgens de mvv stickers (visumsticker, type D) in de reisdocumenten geplakt. Met de Syrische reisdocumenten zijn verzoeker en [minderjarige] naar Nederland gereisd.
  • Op 4 januari 2024 is aan verzoeker en [minderjarige] ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend als gezinsleden van [de moeder], dit op grond van artikel 29, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000.
  • Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, door Bureau Documenten van de IND onderzocht en echt bevonden:

o Een individueel uittreksel bevolkingsregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten, van verzoeker;

o Een individueel uittreksel bevolkingsregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten, van [minderjarige];

o Een uittreksel uit het geboorteregister (geboorteakte) afgegeven door de Syrische autoriteiten, van verzoeker;

o Een uittreksel uit het geboorteregister (geboorteakte) afgegeven door de Syrische autoriteiten, van [minderjarige];

o Een uittreksel familieregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten;

o Een UNRWA familieregistratiekaart.

Beoordeling

Juridisch kader

Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).

Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verzoeker en [minderjarige] in Nederland wonen. Verder is niet in geschil dat verzoeker en [minderjarige] onmiddellijk belang hebben bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.

Relevante landen

De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en [geboorteland] in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker en [minderjarige] te betrekken. Verzoeker stelt dat [minderjarige] en hij van Palestijnse afkomst zijn en dat zij hun hele leven in [geboorteland] hebben gewoond.

Worden verzoeker en [minderjarige] als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?

Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoeker en [minderjarige] van Palestijnse afkomst zijn. Voor zover zij de Palestijnse nationaliteit hebben, geldt het volgende.

Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.

Worden verzoeker en [minderjarige] als onderdaan van [geboorteland] beschouwd?

Op grond van de nationaliteitswetgeving van [geboorteland] (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht [geboorteland]’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in [geboorteland] en de vader het kind niet heeft erkend. Van beide situaties is in dit geval geen sprake, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker en [minderjarige] de Syrische nationaliteit via hun vader of moeder hebben verkregen.

Verzoeker beschikt ook over een individueel uittreksel uit het bevolkingsregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten van zichzelf en [minderjarige], zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoeker en [minderjarige] beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.

Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in [geboorteland] in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.

Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker en [minderjarige] beschikken over de nationaliteit van [geboorteland].

Conclusie

De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker en [minderjarige] vast.

Beslissing

De rechtbank:

*

stelt vast dat

  • [verzoeker], geboren op [geboortedatum 2] 1981 te [geboorteplaats], [geboorteland], en
  • [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats], [geboorteland],

staatloos zijn.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.