Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:5312Zaaknummer NL25.32299
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Publicatiedatum
- 13 maart 2026
- Zaaknummer
- NL25.32299
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Asiel – Zuid-Afrika – bescherming autoriteiten – ongegrond – geen proceskostenveroordeling
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32299
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.[_cfc4b773-823d-4b36-9810-45e123247c92]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting in Breda behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
- Eiser is geboren op [datum] 1971 en heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Hij heeft op 26 april 2024 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden van zwarte mannen. Zo is eiser door hen mishandeld en zijn winkel is beroofd. In 2019 is eiser op straat door een groep zwarte jongens aangevallen, bestolen en mishandeld. In 2021 is eiser door een grotere groep mannen beroofd in zijn eigen winkel en is zijn winkel in brand gestoken. In 2023 is eiser door vier jongens beroofd in zijn eigen winkel. Deze aanhoudende incidenten hebben de aanleiding gevormd voor eisers vertrek uit Zuid-Afrika.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij volgt verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst nu deze met een echt bevonden paspoort zijn onderbouwd. De incidenten in de winkel van eiser en op straat in Zuid-Afrika worden door verweerder geloofwaardig geacht. Dit kan echter niet leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel dat dit voldoende zwaarwegend is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen bescherming kan krijgen van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten en dat hij niet in een ander deel van Zuid-Afrika zou kunnen wonen.
- Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser heeft in Zuid-Afrika niet de mogelijkheid en vrijheid om zijn beroep uit te oefenen en loopt bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade. Eiser is na de diverse berovingen, mishandelingen en de brandstichting stelselmatig naar het politiebureau gegaan. Ter zitting vult eiser deze beroepsgrond aan met de vaststelling dat verweerders motivering op dit punt geen stand kan houden. Eiser stelt ter zitting dat verweerders motivering dat eiser zich elders in Zuid-Afrika kan vestigen, niet deugdelijk stand kan houden. Eiser stelt meermaals aantoonbaar te zijn verhuisd. Tot slot erkent verweerder in het bestreden besluit dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten door de president van de Verenigde Staten worden beschuldigd van het plegen van een genocide. Gelet op deze beschuldiging heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd hoe eiser bescherming kan inroepen van dezelfde autoriteiten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft aan eiser terecht tegengeworpen dat hij in het nader gehoor heeft verklaard slechts één keer aangifte te hebben gedaan na het incident in 2021, ondanks dat hij structureel incidenten stelt te hebben ondervonden tussen 2019 en 2023. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard na het incident in 2019 niet naar het politiebureau te zijn gegaan of aangifte heeft gedaan. Eiser heeft verklaard dat er geen specifieke reden is waarom hij voor de overige incidenten geen aangifte heeft gedaan.[_5f666b02-053b-4b2c-98e3-68cc942ff677] Eiser verklaart ter zitting meermaals te hebben gebeld naar de politie in Zuid-Afrika, maar dat zij niet kwamen. Verweerder heeft in dit kader terecht overwogen dat eiser, door zich te beperken tot het bellen en door niet langs te gaan bij het politiebureau, onvoldoende heeft ingespannen om de autoriteiten om bescherming te vragen. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de incidenten onvoldoende zwaarwegend zijn om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Zuid-Afrika een reëel risico loopt op ernstige schade.
5. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat eiser bescherming kan inroepen van autoriteiten die worden beschuldigd van het plegen van een genocide, heeft verweerder in het bestreden besluit en ter zitting voldoende gemotiveerd dat de Amerikaanse president de Zuid-Afrikaanse autoriteiten beschuldigt van een genocide van witte boeren. Eiser behoort niet tot deze groep. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat heel Zuid-Afrika voor hem onveilig is vanwege deze beschuldiging van de Amerikaanse president. Ter zitting heeft de rechtbank partijen erop gewezen dat het haar ambtshalve bekend is geworden dat in Zuid-Afrika het leger wordt ingezet bij het bestrijden van georganiseerde misdaad. In dit kader heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het verweerder sterkt in zijn standpunt dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten op deze wijze georganiseerde misdaad willen tegengaan. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het vragen van bescherming bij voorbaat zinloos is.
6. Voor zover eiser voor het eerst ter zitting aanvoert dat hij binnen Zuid-Afrika meerdere malen is verhuisd en ook daar problemen heeft ondervonden, leidt dit niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt hiertoe dat, zoals reeds besproken in rechtsoverweging vier, verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat eiser bescherming kan inroepen van de autoriteiten in Zuid-Afrika.
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond wordt verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.