Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 21 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31765Zaaknummer NL24.26782

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 september 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL24.26782
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

VK regulier, afwijzing aanvraag verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst op grond van Besluit 1/80’ en afwijzing aanvraag verblijfsvergunning van gezinsleden ‘verblijf als familie- of gezinslid bij eiser’. In deze procedure kan eiser niet procederen tegen de intrekking van een eerdere verblijfsvergunning. Hoorplicht niet geschonden. Beroep ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 91,-.

- veroordeelt de Staat tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 909,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.26782

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser

[eiseres], V-nummer: [nummer 2], eiseres

en hun minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], V-nummer: [nummer 3],

[minderjarige 2], V-nummer: [nummer 4],

samen te noemen eisers.

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Jacobs).

alsmede

de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).

Procesverloop

1.1.

Bij besluit van 27 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘arbeid in loondienst op grond van Besluit 1/80’, afgewezen.

Bij dit besluit heeft verweerder ook de aanvragen van eiseres en de kinderen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [eiser] ’ afgewezen.

1.2.

Bij het bestreden besluit van 4 juni 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

1.3.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben aanvullende gronden van beroep ingediend.

1.4.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

2. Eisers hebben de Turkse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘arbeid in loondienst op grond van Besluit 1/80’. Eiseres heeft voor haarzelf en haar kinderen een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [eiser] ’. Hun beoogde verblijfsdoel is dus afhankelijk van het verblijfsrecht van eiser.

Het bestreden besluit

3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat eiser met de door hem verleende arbeid niet de rechten heeft verkregen die behoren bij het eerste streepje van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80.[_e800149a-5304-4cbd-88aa-a36a129e2d98] Zijn aanvraag wordt getoetst aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst op nationale gronden (artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000). Er dient daarbij te worden beoordeeld of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door UWV WERKbedrijf aan de hand van een toetsing aan de aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod van arbeidskrachten op de Nederlandse arbeidsmarkt. Uit de overgelegde werkgeversverklaring van [bedrijf] B.V. blijkt dat eiser daar de functie van schoonmaakmedewerker bekleedt. De bij deze functie behorende werkzaamheden kunnen als on- of laaggeschoold worden geclassificeerd. Verweerder heeft gelet daarop geconcludeerd dat met het verrichten van de arbeid door eiser geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Er bestaat daarom geen verplichting de verblijfsvergunning onder de gevraagde beperking te verlenen. Nu de aanvraag van eiser is afgewezen, voldoen eiseres en de kinderen ook niet aan de voorwaarden voor hun beoogde verblijfsdoel. Volgens verweerder zijn er verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een reden kunnen vormen om van de regels af te wijken en de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alsnog in te willigen.

Het oordeel van de rechtbank

Intrekkingsprocedure

4. Aan eiser is op 22 februari 2017 een verblijfsvergunning arbeid in loondienst op grond van Besluit 1/80 toegekend. Deze vergunning is bij besluit van 14 juli 2022 met terugwerkende kracht tot 1 november 2019 ingetrokken omdat eiser vanaf 1 november 2019 niet meer als werknemer tot de legale arbeidsmarkt van Nederland behoorde. Na ongegrondverklaring van het bezwaar is eiser tegen deze beslissing in beroep gegaan. Eisers voeren aan dat zij in de eerdere beroepszaak over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser (NL23.17206) een beroep hebben gedaan op het recht om fouten te mogen maken. De rechtbank heeft die beroepsgrond over het hoofd gezien en daarover in de uitspraak van 10 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17539) niets beslist. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is hier in haar uitspraak in het hoger beroep van 5 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5294) niet op ingegaan. In de onderhavige zaak wordt dit punt opnieuw aangevoerd. Eiser heeft (slechts) één kapitale fout gemaakt door zijn arbeid als werknemer te beëindigen en zijn arbeid als zelfstandige voort te zetten. Hij heeft daarbij niet beseft en niet geweten welke verstrekkende gevolgen dat zou hebben voor zijn verblijfsrecht en dat van zijn familieleden. Het is in strijd met het evenredigheidsbeginsel eisers aan de gevolgen van de door eiser gemaakte fout te houden. Dit geldt te meer nu die fout door eiser is hersteld doordat hij zijn arbeid als zelfstandige heeft gestaakt en inmiddels al geruime tijd weer als werknemer werkzaam is. Er heeft volgens eisers ten onrechte geen unierechtelijke evenredigheidstoets plaatsgevonden. Het bestreden besluit, waarbij is geconcludeerd dat eiser zijn status als werknemer heeft verloren en daardoor ook zijn verblijfsrecht, is volgens eisers onevenredig gelet op enerzijds hun zwaarwegende belangen en anderzijds de minder zwaarwegende belangen van verweerder. Weliswaar gaat het om een verlies dat van rechtswege intreedt, maar desalniettemin kan daarbij een evenredigheidstoetsing plaatvinden zoals die ook binnen het EU-recht plaatsvindt bij verlies van een declaratoir verblijfsrecht door een Unieburger, aldus eisers.

4.1.

Bij uitspraak van 10 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17539) heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Uit die uitspraak volgt dat de beroepsgronden van eisers niet leiden tot het oordeel dat verweerder ten onrechte eisers verblijfsvergunning heeft ingetrokken. De uitspraak van de rechtbank is op 5 november 2025 bevestigd door de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2025:5294). De uitspraak van de rechtbank staat dus in rechte vast. Eiser kan in deze procedure niet tegen de intrekking procederen. Het standpunt van eiser dat hem nu toch een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst verleend moet worden omdat de intrekking van zijn eerdere verblijfsrecht onevenredig was of in strijd met het recht om een fout te maken, slaagt alleen daarom al niet.

4.2.

Daarnaast volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de beroepsgronden van eisers betreffende de evenredigheid van de intrekking en het recht om fouten te maken in het geheel niet zijn betrokken in de uitspraken van 10 januari 2025 en 5 november 2025. De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 januari 2025 overwogen dat eiser had kunnen en moeten weten dat het stoppen met arbeid in loondienst en het gaan verrichten van arbeid als zelfstandige gevolgen kon hebben voor zijn verblijfsrecht (r.o. 3.5) en dat eiser na het beëindigen van zijn arbeid in loondienst niet binnen een redelijke termijn nieuw werk in loondienst is gaan verrichten en naar dergelijk werk ook helemaal niet heeft gezocht (r.o. 3.6). Daaruit volgt dat de rechtbank de intrekking niet als onevenredig aanmerkte. Indien de rechtbank op grond van de stelling van eisers van oordeel was geweest dat de intrekking wel onevenredig was had hij (met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb) naar verwachting in plaats van artikel 4:84 van de Awb waarop eiser zich beriep het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel toegepast. In het voorgaande ligt besloten dat het intrekkingsbesluit niet in strijd is genomen met het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel en ook geen sprake is van strijd met het door eiser aangevoerde algemeen rechtsbeginsel om fouten te maken.

Hoorplicht

5. Eisers voeren aan dat zij, anders dan in de intrekkingsprocedure, in bezwaar tegen de afwijzing van de onderhavige aanvraag niet zijn gehoord. De eerdere procedure ging over intrekking van de verblijfsvergunning en de onderhavige procedure over de afwijzing van een aanvraag. Er hoeft daarom niet met ‘nieuwe gronden’ te worden gekomen. Verder is voor de werking van het vertrouwensbeginsel in relatie tot de hoorplicht niet zo zeer relevant of daarop een geslaagd beroep kan worden gedaan, maar of er twijfel over kan zijn dat dit mogelijk is. Verder heeft verweerder twee arbeidsmarktadviezen van het UWV over 2023 en 2024 voor het eerst bij toezending van het besluit op bezwaar overgelegd. De mogelijkheid om daarop nog te reageren is daarmee illusoir. Met betrekking tot de arbeidsmarktadviezen merken eisers op dat dit algemene adviezen zijn. Er is dus geen individueel arbeidsmarktadvies gebaseerd op de individuele situatie van eiser. Welke inlichtingen verweerder over de arbeid van eiser aan het UWV heeft verschaft blijkt niet uit het advies. Het advies is slechts in algemene bewoordingen gesteld en de aanname lijkt te zijn dat de aldaar beschreven arbeid de arbeid is die eiser verricht. Gelet op het voorgaande menen eisers dat de hoorplicht is geschonden.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval van het horen van eisers heeft kunnen afzien. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Naar het oordeel van de rechtbank kon wat eisers in bezwaar hebben aangevoerd niet leiden tot een andere uitkomst dan reeds verwoord in het primaire besluit. Eisers hebben in bezwaar een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, hebben aangegeven dat de arbeidsmarktadviezen niet zijn overgelegd en verder hebben eisers verwezen naar de gronden in de intrekkingsprocedure.

5.2.

Hoewel de arbeidsmarktadviezen inderdaad pas bij het bestreden besluit aan eisers zijn toegezonden en zij dus niet de mogelijkheid hebben gehad om daar in bezwaar op te reageren, is de rechtbank niet gebleken dat eisers hierdoor in hun belangen zijn geschaad. In het primaire besluit heeft verweerder verwezen naar het algemeen arbeidsmarktadvies van het UWV WERKbedrijf van 17 januari 2023 en dat daaruit volgt dat er op aanvragen om een vergunning voor arbeid in on- en laaggeschoolde functies afwijzend wordt beslist. Daartegen heeft eiser in bezwaar geen gronden gericht. Eisers hebben in beroep de mogelijkheid gehad om te reageren op de arbeidsmarktadviezen maar daartegen enkel aangevoerd dat het geen individueel advies is. Ten aanzien van het standpunt van eisers hierover (zie hiervoor onder 5) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling wordt onderzocht of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van de algemene arbeidsmarktadviezen van het UWV WERKbedrijf. Alleen in het geval dat de werkzaamheden niet onder dit advies vallen, wordt een individueel advies gevraagd. Uit de arbeidsmarktadviezen van het UWV van 17 januari 2023 en 21 december

2023 volgt dat bij een tewerkstellingsvergunningen of verzoeken om advies voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) voor on- en laaggeschoolde functies in principe afwijzend wordt beslist. De werkzaamheden van eiser in de functie van schoonmaakmedewerker kunnen volgens verweerder als on- of laaggeschoold worden beschouwd. Nu eisers dit standpunt niet hebben betwist vallen de werkzaamheden van eiser, zoals die in de werkgeversverklaring van [bedrijf] B.V. staan, onder het algemene

arbeidsmarktadvies. Verweerder heeft om die reden geen individueel arbeidsmarktadvies hoeven vragen. Dit standpunt van verweerder hebben eisers in beroep niet bestreden.

5.3.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder van het horen van eisers in bezwaar mogen afzien. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

Overschrijding van de redelijke termijn

6. Eisers verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige zaak.

6.1.

In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

6.2.

In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 23 oktober 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. Dit betekent dat op het moment van het doen van deze uitspraak de tweejaarstermijn met 11 maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eisers hebben daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding.

6.3.

De behandeling van het bezwaar heeft (iets meer dan) zeven maanden in beslag genomen. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar met (iets meer dan) een maand overschreden. Daarom wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor een deel aan verweerder toegerekend. Het overige deel wordt aan de rechtbank toegerekend. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 91,- aan eisers en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 909,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. In dit verband bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

8. De rechtbank zal eisers wel een vergoeding toekennen voor de door hen gemaakte proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 91,-.

- veroordeelt de Staat tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 909,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.