Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31689Zaaknummer NL26.59036

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.59036
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep bewaring art. 59 Vw. Zicht op uitzetting ontbreekt niet, de minister werkt voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Beroep ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op

[geboortedag] 1986.

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.[_b5868c05-fd12-40db-91e1-f7a848ba5523]

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 juli 2026 (zaak NL26.41200) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 28 juli 2026, rechtmatig is.

5. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Het laissez passer-verzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog en er zijn verder ook geen signalen dat Marokko niet bereid is een laissez passer te verstrekken ten behoeve van eiser. Eiser kan het onderzoek bespoedigen door zijn volledige medewerking te verlenen, bijvoorbeeld aan de afname van zijn vingerafdrukken of door het onderbouwen van zijn nationaliteit en identiteit met documenten en/of inlichtingen. Hiervan is vooralsnog niet gebleken. Het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn mag daarom worden aangenomen.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Er wordt op regelmatige basis gerappelleerd op het laissez passer-verzoek bij de Marokkaanse autoriteiten en de minister tracht maandelijks een vertrekgesprek te voeren met eiser. Dat eiser een aantal van die gesprekken niet wenste te voeren omdat er geen tolk Spaans aanwezig was komt voor zijn rekening en risico.

7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond voor het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.59036

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. Met het besluit van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

1.1.

De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld vervolgberoep.[_2768ebcf-7b8f-410f-8897-f54db2cad722] Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

1.2.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en V. Duivesteijn als tolk.

1.4.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op

[geboortedag] 1986.

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.[_b5868c05-fd12-40db-91e1-f7a848ba5523]

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 juli 2026 (zaak NL26.41200) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 28 juli 2026, rechtmatig is.

5. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Het laissez passer-verzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog en er zijn verder ook geen signalen dat Marokko niet bereid is een laissez passer te verstrekken ten behoeve van eiser. Eiser kan het onderzoek bespoedigen door zijn volledige medewerking te verlenen, bijvoorbeeld aan de afname van zijn vingerafdrukken of door het onderbouwen van zijn nationaliteit en identiteit met documenten en/of inlichtingen. Hiervan is vooralsnog niet gebleken. Het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn mag daarom worden aangenomen.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Er wordt op regelmatige basis gerappelleerd op het laissez passer-verzoek bij de Marokkaanse autoriteiten en de minister tracht maandelijks een vertrekgesprek te voeren met eiser. Dat eiser een aantal van die gesprekken niet wenste te voeren omdat er geen tolk Spaans aanwezig was komt voor zijn rekening en risico.

7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond voor het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

  1. Dit volgt uit artikel 96a, eerste lid, van de Vw.
  2. Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.