Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 15 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31669Zaaknummer NL26.21733
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.21733
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Dublin Frankrijk. Interstatelijk vertrouwensbeginsel; opvangvoorzieningen. AIDA-rapport (update 2025). Afhankelijkheid. Discretionaire bevoegdheid. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21733
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Procesverloop
1. Met het besluit van 16 april 2026 (bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk – gelet op de Verordening EU nr. 604/2013 (Dublinverordening) – volgens de minister verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2. Eiser heeft op 16 april 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep – tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.21734) – op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk voor eiser is verschenen R. Zeino (40321). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
4. Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2006. Hij heeft op 9 november 2025 bij de minister een asielaanvraag ingediend. De minister heeft naar aanleiding van die asielaanvraag onderzoek in – onder meer – EU-Vis verricht. Hieruit bleek dat Frankrijk een visum heeft verleend aan eiser met een geldigheidsduur van 21 oktober 2025 tot 12 november 2025. Daarop heeft de minister bij de Franse autoriteiten een claim gelegd, die op 19 maart 2026 is geaccordeerd op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
5. De minister heeft een aanmeldgehoor gehouden met eiser op 12 januari 2026. Tijdens dit gehoor heeft eiser – voor zover voor het bestreden besluit van belang – het volgende verklaard. Eiser zegt dat hij met een (toeristen)visum afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk op 1 november 2025 Europa is ingereisd. Hij heeft vervolgens vier of vijf dagen in Frankrijk verbleven met zijn familie voor vakantie, omdat het niet goed ging met de gezondheid van zijn broer. Het doel was altijd om naar Nederland te komen. Eiser zegt dat ze bewust als gezin niet samen een visum hebben aangevraagd voor Nederland, dit omdat zij politieke problemen hebben met de Jordaanse inlichtingendienst. Om de inlichtingendienst te misleiden heeft eiser een Frans visum aangevraagd. Het visum was alleen nodig om te kunnen doorreizen naar Nederland en hier asiel aan te vragen. In het kader van bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk geeft eiser aan dat hij met zijn gezin hier naartoe is gekomen en dat het moeilijk is om afstand te nemen van elkaar. In Frankrijk heeft hij verder geen persoonlijke problemen ondervonden.
Het bestreden besluit
6. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Dit besluit geldt ook als overdrachtsbesluit. De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, waarbij hij verwijst naar verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling),: waaronder de uitspraak van 13 maart 2026[_77e39c61-12d9-47fa-87ab-afa8bb4b23a0] (). Er is volgens de minister geen reden om aan te nemen dat in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 19 maart 2019[_8884b6c9-ce47-4096-8c87-2e1b99e6ca99]. Ten aanzien van de rapporten die eiser in de zienswijze heeft genoemd – het USDOS-rapport van 2025 en het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024) – overweegt de minister dat de Afdeling hierover al heeft geoordeeld dat uit deze rapporten volgt dat er problemen zijn geweest in de Franse asielopvang, maar dat hieruit niet blijkt dat deze problemen dermate structureel en ernstig zijn dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Met zijn verklaringen heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat de situatie in Frankrijk door de ondergrens zakt. Daarbij wijst de minister erop dat eiser de kwaliteit van de asielprocedure en de asielopvang niet zelf heeft ervaren, nu hij nog geen asiel heeft aangevraagd in Frankrijk. Verder stelt de minister dat Frankrijk met het claimakkoord heeft beloofd om eisers asielaanvraag inhoudelijk in behandeling te nemen. Mocht eiser problemen ervaren in Frankrijk, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is voor eiser. Eiser voldoet verder niet aan de in artikel 16 van de Dublinverordening neergelegde voorwaarden voor afhankelijke personen. Hij heeft niet laten zien dat er een familieband is, dat zijn vader zorg nodig heeft, hoe de hulp of zorg aan zijn vader eruit ziet en dat eiser de enige is die deze zorg kan verrichten. De minister vindt tenslotte dat er geen reden is om de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. Dat de gestelde ouders en broers van eiser in Nederland asiel hebben aangevraagd is volgens de minister niet bijzonder genoeg. Het bijeenhouden en bijeenbrengen van het gezin is namelijk al geregeld in verschillende bepalingen uit de Dublinverordening. Eiser voldoet niet aan deze voorwaarden, omdat hij vanwege zijn meerderjarigheid geen gezinslid is. Als eiser bij zijn familie wenst te verblijven, dient hij hiervoor een aparte verblijfsaanvraag in te dienen. De Dublinprocedure is hiervoor niet bedoeld. Daar komt bij dat Frankrijk akkoord is gegaan met de overname van de oudere broer van eiser. Eiser hoeft dus niet alleen naar Frankrijk te gaan.
Beoordeling rechtbank
Niet onderbouwde beroepsgronden
7. Eiser heeft allereerst in zijn gronden van beroep opgemerkt dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank merkt dit niet aan als concrete beroepsgrond waarop zij moet ingaan. De minister heeft in het bestreden besluit gereageerd op dat wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, en eiser heeft in beroep niet uitgelegd in welk opzicht die reactie onjuist of onvoldoende is. De enkele stelling dat het bestreden besluit in strijd is met verschillende beginselen van behoorlijk bestuur merkt de rechtbank zonder verdere onderbouwing evenmin als beroepsgrond aan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk
8. Eiser voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn volgens eiser in Frankrijk aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Er is immers sprake van een structureel tekort aan opvangcapaciteit. Eiser verwijst in dit kader naar het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025), waarin onder meer staat dat meer dan 60.000 asielaanvragers aan het einde van december 2025 geen opvang hadden in Frankrijk. Uit dit AIDA-rapport blijkt volgens eiser ook dat de autoriteiten zich stelselmatig aan hun verantwoordelijkheid onttrekken bij de aankomst van Dublinterugkeerders op het vliegveld van Parijs, door hen door te verwijzen naar een ngo. De steun en begeleiding van en voor Dublinterugkeerders blijft volgens het rapport van AIDA in verschillende opzichten problematisch. Volgens eiser is er gelet op de aantallen opvangplekken en aantallen asielaanvragen een groot tekort in de opvang. Over het geheel genomen is weliswaar sprake van enige verbetering in het kader van gehuisveste asielzoekers, maar dit geldt uitdrukkelijk niet voor Dublinterugkeerders. In het rapport staat dat asielzoekers die in Frankrijk onder Dublin vallen in 4.887 van de 24.174 gevallen opvang kregen, een percentage van 20.2%. In theorie hebben zij toegang tot de noodopvang, maar in de praktijk staan ze vaak op straat of verblijven in kraakpanden. Op deze nieuwe cijfers over Dublinterugkeerders is in de door de minister genoemde jurisprudentie nog niet ingegaan. Eén en ander maakt dat de kans dat eiser – als Dublinterugkeerder – geen opvang krijgt aanzienlijk groot is. Dit heeft tot gevolg dat er een reëel risico bestaat dat eiser in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie terecht zal komen, zoals is bedoeld in het arrest Jawo. Uit de cijfers uit het AIDA-rapport blijkt volgens eiser dat het risico hierop zowel ‘ernstig’ als ‘daadwerkelijk’ is. In dit kader wijst eiser er nog op dat in het arrest Jawo is bepaald dat een dergelijk reëel risico ook kan bestaan zonder dat sprake is van systeemfouten. De problemen in de opvang zijn langdurig en structureel. Eiser wijst naar analogie op de uitspraak van de Afdeling over de situatie in België (uitspraak van 23 juli 2025[_980966b9-13f6-4f95-9996-6307f9db7627]). Eiser verwijst verder naar een uitspraak van zittingsplaats Haarlem (uitspraak van 17 augustus 2026[_19a34aeb-e291-4d73-918c-83af3920affe], waarin is geconcludeerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Frankrijk nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
9. De rechtkomt komt tot de volgende beoordeling.
10. Uitgangspunt is dat de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan mag uitgaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser nakomt. Het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen is weerlegbaar. Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daartoe kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen en/of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn indien die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Deze drempel is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (zie het arrest Jawo, punten 91-93).
11. Bij voornoemde beoordeling is de in aanmerking te nemen situatie die waarin de betrokkene – die als ‘Dublinclaimant’ wordt overgedragen – zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest X van het HvJ-EU van 29 februari 2024[_f111c9a2-1d04-45ee-9aa4-06ae8ea5ea9f]. In datzelfde arrest heeft het HvJ-EU overwogen dat de in onder meer het arrest Jawo bedoelde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen ‘structurele’ tekortkomingen dienen te zijn (par. 77-79).
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet erin is geslaagd met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Hierbij is het volgende van belang.
13. De Afdeling heeft in – onder meer – de uitspraken van 31 juli 2025[_3ff62ca6-38c9-413c-b9fb-2e287ef109b1], 9 oktober 2025[_94062717-e31d-401d-9a07-717110c1c3fe] en 13 februari 2026[_d9d81edf-a354-411a-8ce2-7916aeafde23] geoordeeld dat de minister ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarmee oordeelt de Afdeling dat niet is gebleken dat er in de asielprocedure en in het opvangsysteem in Frankrijk sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Bij dit oordeel heeft de Afdeling het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024) betrokken. In de uitspraak van 20 augustus 2026[_428651f7-0cb8-4086-ab50-b323d6b7ec17] heeft de Afdeling zich echter óók uitgelaten over het door eiser in deze procedure ingeroepen AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025). De Afdeling oordeelt in deze uitspraak – zoals ter zitting ook aan eiser voorgehouden – dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst ten aanzien van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al in haar eerdere rechtspraak is betrokken.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van het AIDA-rapport van mei 2026 anders te oordelen dan de Afdeling. Zij overweegt daarbij – gelet op wat eiser in dit beroep specifiek uit dat rapport naar voren heeft gebracht – nog het volgende. Zoals eiser ook zelf reeds aangeeft blijkt uit het AIDA-rapport van mei 2026 dat sprake is van een (lichte) verbetering in de totale aantallen gehuisveste asielzoekers ten opzichte van het jaar daarvoor. Zo vermeldt dat rapport (pag. 128 en 131) dat in 2025 70% van het aantal asielzoekers dat in aanmerking komt voor materiële opvangvoorzieningen gehuisvest was en in 2024 64%. De rechtbank leest het rapport verder zo dat het door eiser genoemde percentage van 20.2% betrekking heeft op asielzoekers die in Frankrijk in de Dublinprocedure worden behandeld. Uit het rapport volgt dat personen die via de Dublinprocedure worden overgedragen aan Frankrijk (Dublinterugkeerders), zoals eiser, worden behandeld als reguliere asielzoekers. Dit betekent dat Dublinterugkeerders dezelfde toegang hebben tot opvangvoorzieningen als andere asielzoekers (pag. 130). In die zin maakt de rechtbank uit dit rapport niet op dat eiser onder het percentage van 20.2% zou vallen. Eiser heeft ter zitting – nadat de rechtbank één en ander heeft voorgehouden – ook niet gesteld dat en waarom dit percentage tóch anders dient te worden gelezen. De door eiser aangehaalde uitspraak van 17 augustus 2026 van zittingsplaats Haarlem volgt de rechtbank niet, omdat zittingsplaats Haarlem het percentage van 20.2% anders heeft geïnterpreteerd. Daarnaast blijkt volgens de rechtbank uit het AIDA-rapport (pag. 134-136) niet dat de opvangomstandigheden in de verschillende vormen van asielopvang in Frankrijk dusdanig zijn dat moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet wordt voorzien in de meest elementaire levensbehoeften in de zin van het arrest Jawo. Bovendien stelt de rechtbank vast dat het AIDA-rapport vermeldt (pag. 134-135) dat de Franse autoriteiten recent pogingen hebben gedaan om meer opvangplekken te creëren, zodat van onverschilligheid van de autoriteiten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende sprake is.
15. De rechtbank overweegt verder dat de Franse autoriteiten akkoord zijn gegaan met het verzoek tot overname van eiser en dat zij met dit claimakkoord garanderen zorg te dragen voor zijn asielverzoek en hem de in dat kader toekomende materiële opvangvoorzieningen te bieden. Daarbij geldt, zoals de minister onbestreden naar voren heeft gebracht, dat eiser bij eventuele problemen bij de verkrijging van opvang zou kunnen klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat zij eiser niet zouden kunnen of willen helpen.
16. De verwijzing van eiser naar de Afdelingsuitspraak over België treft verder geen doel. In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat voor de betreffende groep van alleenstaande jonge mannen die worden overgedragen aan België onduidelijk is gebleven hoeveel plaatsen er in de nood- en daklozenopvang daadwerkelijk voor hen beschikbaar zijn. Bovendien heeft de Afdeling geoordeeld dat deze doelgroep – doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen – geen toegang heeft tot effectieve rechtsbescherming ten aanzien van hun recht op opvang. Wat betreft Dublinclaimanten die naar Frankrijk worden overgedragen ontbreken aanknopingspunten die tot eenzelfde oordeel nopen.
Afhankelijkheid
17. Eiser voert aan dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheid tussen hem en zijn vader. Zijn vader is hartpatiënt, kampt met ernstige gezondheidsklachten en staat onder behandeling bij de afdeling cardiologie van het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Eiser vindt ook dat de minister ten onrechte niet heeft gewacht op nadere medische stukken. Een scheiding tussen eiser en zijn vader zal leiden tot aanzienlijke psychische stress bij zijn vader, hetgeen een reëel risico vormt voor zijn gezondheid. Ook tussen eiser en zijn minderjarige broer [naam] bestaat een sterke afhankelijkheid. Eiser helpt [naam] als hij problemen heeft op school en heeft een sterke vertrouwensband met hem. De ontwikkeling van [naam] zal schade oplopen door de overdracht van zijn broer aan Frankrijk. Er is onvoldoende rekening gehouden met dit belang van het kind.
18. De rechtbank begrijpt dit betoog, zoals ter zitting ook nader toegelicht, zo dat eiser zich beroept op artikel 16 van de Dublinverordening (afhankelijke personen). Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat zijn vader zorg nodig heeft die het gevolg is van een ernstige ziekte. Eiser heeft in de fase van beroep een brief van een cardioloog van het Jeroen Bosch Ziekenhuis van 24 april 2026 ingediend, maar daaruit volgt de gestelde ernstige ziekte niet. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft gewacht op nadere medische stukken, nu het op zijn weg ligt om dit in te dienen en de minister in een Dublinprocedure daarnaast ook de verantwoordelijkheid heeft om de voortgang te bewaken. Bovendien kan eiser ook in de fase van beroep nadere medische stukken indienen, zoals gedaan. Verder acht de rechtbank in dit kader van groot gewicht dat concrete aanknopingspunten ontbreken waaruit volgt dat eiser de enige is die deze zorg in dat geval zou kunnen bieden. De minister verlangt in dit kader terecht van eiser dat hij aannemelijk maakt dat zijn vader afhankelijk is van hem en dat deze zorg alleen door hem kan worden verleend. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2023[_609fa922-f07e-4a9f-85b3-ce596705052e]. Voorts ontbreekt ten aanzien van de gestelde impact van een scheiding op de gezondheidstoestand van eisers vader eveneens een concrete, medische onderbouwing. De rechtbank begrijpt verder dat eiser bij zijn jongere broertje wenst te verblijven, maar ook in dit kader ontbreken objectieve aanknopingspunten die nopen tot het oordeel dat sprake is van afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening.
Discretionaire bevoegdheid
19. Eiser voert tot slot aan dat de minister toepassing had moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Eiser wijst erop dat zijn ouders en broer tegelijkertijd met hem asiel hebben aangevraagd. Zijn vader heeft ernstige hartklachten. De eenheid van het gezin en de hulp aan zijn vader zal feitelijk onmogelijk worden na overdracht aan Frankrijk, omdat eiser Frankrijk niet mag verlaten en zijn gezinsleden hem niet kunnen bezoeken. Eiser wijst erop dat zijn ouders en [naam] wél een Nederlands visum hebben kunnen regelen. Eiser is weliswaar meerderjarig, maar is ook nog steeds een jongvolwassene die feitelijk nog volledig deel uitmaakt van het gezin van zijn ouders. Hij heeft altijd bij hen gewoond en is afhankelijk geweest van hen voor zijn opvoeding, huisvesting en levensonderhoud. Ook in dit kader wijst eiser op de afhankelijkheid tussen hem en zijn vader en tussen hem en [naam]. Eiser vindt dat de minister zijn persoonlijke omstandigheden en de gezamenlijke belangen van het gezin onvoldoende heeft betrokken en hieraan onvoldoende gewicht heeft toegekend.
20. Over dit betoog oordeelt de rechtbank als volgt.
21. Op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt de minister terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. De minister gebruikt deze bevoegdheid onder meer indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de betrokkene aan de andere lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2015[_89f131f5-cc98-4379-97f4-9a84f91eea7c]) moet de bestuursrechter de beoordeling van de minister van de noodzaak tot het gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid terughoudend toetsen.
22. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank kan de minister erin volgen dat het hebben van familie in Nederland op zichzelf niet bijzonder genoeg is en dat in dit kader een aparte verblijfsvergunning kan worden aangevraagd. In dit verband wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden gezinshereniging kan plaatsvinden (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 februari 2016[_ea40e553-d04b-4916-abcf-49296f7391f0] en 18 juli 2023[_deb5375d-7e1d-4429-a050-da5b22748975]). Ten aanzien van de gestelde afhankelijkheid heeft de minister verder reeds een standpunt ingenomen in het kader van artikel 16 van de Dublinverordening, dat de rechtbank gelet op wat onder 18 is overwogen kan volgen. Eiser heeft weliswaar erop gewezen dat de eenheid van het gezin wordt doorbroken, maar er kan niet eraan worden voorbijgegaan dat eiser meerderjarig is en gelet daarop niet voldoet aan de definitie van een gezinslid in de Dublinverordening. Een uitdrukkelijk doel van de Dublinverordening is inderdaad om gezinsleden bij elkaar te houden, maar de Uniewetgever heeft in dat kader aldus gezinnen met minderjarige kinderen voor ogen gehad. De rechtbank begrijpt dat eiser ondanks zijn meerderjarigheid niet gescheiden wil worden van zijn ouders door een overdracht aan Frankrijk, maar de rechtbank ziet hierin niet een dusdanig bijzondere omstandigheid dat geoordeeld moet worden dat sprake is van een onevenredige hardheid.
23. Uit 21 en 22 volgt dat de minister zich bij het bestreden besluit van 16 april 2026 op het standpunt heeft gesteld dat in deze zaak geen aanleiding bestaat van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening gegeven bevoegdheid gebruik te maken en dat dit standpunt de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank zal daarom, zoals ter zitting ook met eiser afgesproken, de door eiser voorgedragen beroepsgronden over artikel 35 en 43 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel niet verder beoordelen.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- ECLI:NL:RVS:2026:1443.
- ECLI:EU:C:2019:218.
- ECLI:NL:RVS:2025:3305.
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23149.
- ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.
- ECLI:NL:RVS:2025:3623
- ECLI:NL:RVS:2025:4854.
- ECLI:NL:RVS:2026:786.
- ECLI:NL:RVS:2026:4827.
- ECLI:NL:RVS:2023:3806.
- ECLI:NL:RVS:2015:1666.
- ECLI:NL:RVS:2016:563.
- ECLI:NL:RVS:2023:2801.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.