Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31621Zaaknummer NL26.30807

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.30807
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Asiel, Jemen, problemen Houthi's, Sana'a, beroep ongegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , v-nummer: [x] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30807

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de aanvraag niet hoeven te beoordelen aan de hand van het toen geldende beleid en de geloofwaardigheidsbeoordeling is niet in strijd met het Unierecht. Het besluit is verder zorgvuldig tot stand gekomen. De minister heeft ook de problemen van eiser met de Houthi’s terecht ongeloofwaardig geacht en terecht overwogen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging, afkomst of omdat hij in het Westen komt heeft verbleven. Verder heeft de minister in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, terecht aangenomen dat zich in Sana’a in Jemen niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, gelet op zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden in Sana’a het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Ook heeft de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard en eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 27 mei 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold tot 12 juni 2026.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en behoort tot de Hasjemitische bevolkingsgroep. Eiser heeft Jemen verlaten vanwege de oorlog en persoonlijke problemen met de Houthi’s. De Houthi’s hebben geprobeerd eiser te rekruteren en dit wilde hij niet. In Nederland heeft eiser deelgenomen aan demonstraties tegen de gewapende groeperingen in Jemen. Eiser is zichtbaar op foto’s en video’s van deze demonstraties en daarom is zijn familie in Jemen benaderd door de Houthi’s met de mededeling dat eiser moest stoppen met deze activiteiten.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met de Houthi’s;

3. deelname aan protesten in Nederland.

5.1.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig is. De minister acht de problemen met de Houthi’s niet geloofwaardig. Wel is eisers deelname aan protesten in Nederland geloofwaardig geacht. Eiser is geen vluchteling en loopt bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

Had de minister het eerdere beleid moeten toepassen?

6. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van zijn aanvraag had moeten uitgaan van het beleid dat gold op het moment waarop hij de aanvraag indiende. Hoewel het uitgangspunt in asielzaken een ex-nunc toetsing is, kan hiervan in bijzondere gevallen worden afgeweken. In geval van eiser is sprake van bijzondere omstandigheden die niet te wijten zijn aan eiser. De beslissing is pas 32 maanden na de asielaanvraag genomen. Dit is een grote overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast worden verblijfsvergunningen van vreemdelingen uit Jemen niet actief ingetrokken omdat de situatie in Jemen nog steeds als fragiel wordt gezien. Tot slot blijkt uit de jurisprudentie dat ernstig wordt getwijfeld aan het beleid ten aanzien van de veiligheidssituatie in Jemen.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een asielaanvraag in beginsel moet worden beoordeeld aan de hand van het beleid dat geldt ten tijde van de besluitvorming (ex nunc). Daarvan kan slechts in bijzondere gevallen worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser geen sprake. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, is namelijk onvoldoende om van dat

uitgangspunt af te wijken.[_1bf84270-4d93-463c-b41b-3b1c6086b31a] De rechtbank begrijpt dat, zoals tijdens de zitting naar voren is gebracht, dit onrechtvaardig kan voelen voor eiser, maar dat neemt niet weg dat een asielaanvraag op basis van de actuele situatie beoordeeld dient te worden. Daarnaast volgt niet uit de wet en/of jurisprudentie dat het al dan niet verlopen van de wettelijke beslistermijn dan wel tijdsverloop een verplichting meebrengt voor de minister om een ouder landenbeleid toe te passen. Eiser heeft deze stelling ook niet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat volgens eiser twijfels bestaan over het huidige landenbeleid, vormt evenmin aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken. Dit vormt dan ook geen bijzondere omstandigheid om van het uitgangspunt van ex-nunc toetsing af te wijken. De minister heeft de aanvraag dus terecht aan de hand van het actuele beleid beoordeeld.

Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?

7. Eiser betoogt dat het afschaffen van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en het hanteren van de huidige geloofwaardigheidstoets in Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Met de huidige geloofwaardigheidstoets is de op de vreemdeling rustende bewijslast onnodig en onterecht verzwaard. Daarnaast is eiser van mening dat zijn zaak dient te worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de door de zittingsplaats Roermond ingediend prejudiciële vragen[_40738888-73f3-4cdb-aaa2-bac3619a55b5] door het Hof van Justitie.

7.1

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025,[_56d69500-f04f-41de-851e-36c0f5a94167] geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet in de gestelde prejudiciële vragen geen aanleiding voor een ander oordeel en wijst het aanhoudingsverzoek af.

Is de besluitvorming in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?

8. Eiser betoogt dat de besluitvorming in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ten eerste heeft de minister de asielmotieven niet correct vastgesteld. Eisers discriminatie vanwege zijn etniciteit is in het eerste voornemen apart beoordeeld en geloofwaardig geacht. Dit is in het tweede voornemen weggevallen. De minister is in het tweede voornemen van inzicht veranderd ten aanzien van de problemen met de Houthi’s. De minister stelt ten onrechte dat dit mag zonder nadere motivering. Ten tweede heeft eiser expliciet aangevoerd dat hij als noordeling gevaar loopt en discriminatie ondervindt door zuidelijke groepen in Jemen, wat een asielmotief vormt. Dit motief is echter door de minister niet beoordeeld. Ook is het referentiekader van eiser niet benoemd en betrokken in de besluitvorming. Tot slot heeft de minister ten onrechte niet aan artikel 8 van het EVRM getoetst. Eisers vrouw is in Nederland en haar asielaanvraag is nog niet in behandeling genomen. De minister had de dossiers gelijkelijk moeten behandelen en een afweging moeten maken op basis van artikel 8 van het EVRM.

8.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is de besluitvorming niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat de

minister in het eerste voornemen eisers Hasjemitische etniciteit als apart asielmotief heeft beoordeeld en geloofwaardig heeft geacht. In het nieuwe voornemen is ervoor gekozen deze onder eisers identiteit te beoordelen,[_d74210ce-d35c-4a77-a355-464c06f6db3f] waarbij vervolgens de gestelde vrees als Hasjemiet ook verder is beoordeeld en is geconcludeerd dat eisers Hasjemitische afkomst niet leidt tot gegronde vrees voor vervolging. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat met het nemen van het tweede voornemen, het eerste voornemen is komen te vervallen, ondanks dat dat niet expliciet in het tweede voornemen staat. Wat betreft de wijziging in het standpunt stelt de minister terecht dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een wijziging in het geloofwaardigheidsstandpunt van de minister in een nieuw voornemen niet hoeft te worden gemotiveerd. Ook staat het de minister vrij een eerder uitgebracht voornemen in te trekken en een nieuw voornemen op te stellen. In het nieuwe voornemen wordt een volledig nieuwe beoordeling gemaakt en daarbij is de minister niet gehouden te motiveren waarom wordt afgeweken van een eerder ingenomen standpunt uit het ingetrokken voornemen.[_63c194ad-bf52-48c0-97fe-6b1bb622c5cf]

8.2.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie als noorderling niet als afzonderlijk asielmotief had moeten worden beoordeeld. Bij de beoordeling is uitgegaan van eisers herkomstgebied: Sana’a in Noord-Jemen. Van eiser wordt niet verlangd dat hij zich vestigt in Zuid-Jemen. De gestelde vrees voor problemen als noorderling in Zuid-Jemen is daarom niet relevant voor de beoordeling. De minister is niet gehouden om dit punt als afzonderlijk asielmotief te toetsen op geloofwaardigheid. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat hij in het verleden discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn herkomst, heeft eiser dit standpunt niet onderbouwd. Uit eisers afgelegde verklaringen volgt niet dat eiser in het verleden discriminatie heeft ondervonden die zodanig is dat dit kwalificeert als vervolging of een reëel risico op ernstige schade.

8.3.

Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd op welke wijze in het gehoor of in de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Dat de minister het referentiekader van eiser niet expliciet heeft opgenomen in het bestreden besluit, betekent nog niet dat de minister hier geen rekening mee heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk uiteengezet op welke wijze hiermee rekening is gehouden.

8.4.

De rechtbank stelt vast dat in het verweerschrift voor het eerst artikel 8 van het EVRM aan bod komt. De minister had in het eerste voornemen weliswaar overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, maar dit voornemen is vervangen door het tweede voornemen waarin deze toets niet terugkomt. Dit levert een motiveringsgebrek op. De rechtbank ziet echter redenen om het gebrek te passeren, zoals bedoeld in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet aannemelijk is dat eiser hierdoor is benadeeld. De minister stelt terecht op zitting dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden. Eisers vrouw – die later dan eiser naar Nederland is gekomen – heeft inderdaad een asielaanvraag gedaan, maar zij zit nog in de beginfase van de procedure. Hoe deze procedure zal gaan verlopen en wat de uitkomst daarvan zal zijn is in zijn geheel nog toekomstig en onduidelijk.

Mocht de minister de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig achten?

9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn problemen met de Houthi’s ongeloofwaardig heeft geacht. Dat eiser van jongs af aan problemen heeft ervaren met de Houthi’s is bij het eerste voornemen geloofwaardig geacht. Dit dient derhalve te worden gezien als een vaststaand feit. De minister stelt ten onrechte dat de ondervonden problemen van eiser niet ernstig genoeg zijn, omdat eiser tot september 2022 in Jemen heeft verbleven. De minister houdt daarbij geen rekening met de verklaringen van eiser dat hij wel degelijk continu problemen heeft ervaren door de jaren heen, van welke problemen hij ook voorbeelden heeft gegeven. De minister heeft hierbij niet meegenomen dat eiser niet eerder kon vluchten. Ten aanzien van de rekrutering loopt eiser meer risico vanwege zijn Hasjemitische afkomst. Verder is het niet kunnen volgen van een studie vanwege de Houthi’s, wel degelijk een constant probleem voor eiser. Eiser is namelijk al twee keer afgewezen. Tot slot stelt eiser dat de minister geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het contact met zijn neven telefonisch is geweest en dat de Houthi’s communicatiemiddelen afluisteren zodat zijn familie bang is om voluit te spreken. Eiser heeft duidelijk verklaard dat de Houthi’s bij zijn familie aan de deur zijn geweest en expliciet zijn naam hebben genoemd.

9.1.

Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met de Houthi’s niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.[_2dfa2142-e20b-43a9-a5e8-63bed4e7ca68] De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft na de gestelde incidenten langdurig in Jemen verbleven zonder vervolghandelingen eisers verklaringen over rekrutering door de Houthi’s blijven algemeen en niet persoonlijk toegespitst, eisers verklaringen over studeren en het zogenoemde “jihad-nummer” zijn onvoldoende concreet en eisers verklaringen omtrent de bezoeken van de Houthi’s aan zijn familie vormen geen samenhangend geheel. Voorts is het asielmotief niet alsnog geloofwaardig omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daartoe geen goede reden heeft. [_6c6bb23e-9ba9-4b67-820f-4b8e5eeb9eea]

Geen samenhangend en aannemelijk geheel

9.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum[_a3bf82b4-a778-4944-97d6-9be93f53aa3d], het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking nemend oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eisers problemen in Jemen met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn. Dat de minister is teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt, maakt dat niet anders. Zoals onder 8.1 is geoordeeld, kan de minister een eerder ingenomen standpunt wijzigen door een nieuw voornemen uit te brengen. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser na de gestelde incidenten langdurig in Jemen verbleven zonder vervolghandelingen. Eiser heeft verklaard dat hij een aantal incidenten heeft meegemaakt met de Houthi’s op school en bij de controlepost.[_aecd0f2c-68cb-49a5-861c-e10438fefc5d] Maar uit eisers verklaringen volgt ook dat hij na deze incidenten nog jaren in Jemen heeft verbleven en pas in september 2022 het land heeft verlaten.[_39fb3bf4-b8a4-43a0-8644-3d51d0d9fda5] Indien sprake zou zijn geweest van een persoonlijk en direct risico, valt niet in te zien dat eiser na deze gebeurtenissen nog geruime tijd in Jemen kon verblijven. Te meer nu eiser stelt dat hij bekend was en iedereen wist wie hij was vanwege zijn achternaam.[_8a58b288-aa55-4573-b7fd-01487a3e30e6] Verder stelt de minister terecht dat zijn verklaringen over rekrutering door de Houthi’s algemeen blijven en niet persoonlijk toegespitst zijn. Zo verklaart eiser enkel dat de Houthi’s jongeren ronselen en dat mensen van zijn leeftijd doelwit zijn voor rekrutering.[_af1ec796-ab17-446d-bc50-d8907061a6d4] Eiser heeft algemeen verklaard over zijn rekrutering en heeft zelf niet zijn Hasjemitische afkomst expliciet gekoppeld aan zijn vrees voor rekrutering. Op de vraag waarom eiser dacht dat hij gerekruteerd zou worden, antwoordde hij dat hij alleenstaand is, zijn leeftijd en omdat hij mondig is en zodat hij kan helpen met werven.[_24cd8435-301c-407a-9f1f-97447d5f706b] Het is ongerijmd dat eiser stelt te vrezen voor rekrutering door de Houthi’s, vanwege zijn afkomst maar tegelijkertijd heeft eiser tot zijn 21e levensjaar in Jemen gewoond zonder gerekruteerd te zijn. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de Houthi’s. Daarnaast stelt de minister terecht dat eisers verklaringen over studeren en het zogenoemde ‘jihad-nummer’ onvoldoende concreet zijn. Eiser verklaart dat hij alleen kon studeren indien hij een cursus van de Houthi’s zou volgen en een zogenoemd jihad-nummer zou verkrijgen.[_2da90c2a-56c4-452b-a57e-f160365e0e9b] Eiser heeft hierover echter geen documenten overgelegd en uit zijn verklaringen volgt niet wie dit heeft gezegd of wanneer dit is gebeurd. Daarbij komt dat eiser zich na deze afwijzing nogmaals heeft ingeschreven bij de universiteit.[_9d1f0e6c-1ab7-4e83-ae6c-b9b0b3d241a6] Hieruit blijkt dat eiser actief heeft geprobeerd om toegelaten te worden tot de universiteit en dat hij daarmee er kennelijk voor gekozen heeft om zijn toekomst in Jemen voort te zetten. Dit ondermijnt de stelling van eiser dat hij zich in een onontkoombare en dwingende situatie bevond. Tot slot stelt de minister terecht dat eisers verklaringen omtrent de bezoeken aan zijn familie van de Houthi’s geen samenhangend geheel vormen. Eiser heeft verklaard dat zijn familie in Jemen door de Houthi’s is benaderd met de boodschap dat hij moet stoppen met demonstraties.[_c5f458e6-1047-4278-8ffc-fc88483f25f2] Eiser verklaart ook dat hij niet weet hoe vaak dit is gebeurd en dat hij zelf geen contact heeft gehad met de Houthi’s. Het blijft onduidelijk wanneer de Houthi’s langs zijn geweest en wat er is gezegd. Dat zijn familie bang was om afgeluisterd te worden, maakt voorgaande niet anders. Eiser verklaart ook dat de Houthi’s nu niet op zoek zijn naar hem.[_746ef48b-217d-44d9-b260-6199bcf751ca] Dit doet afbreuk aan de door eiser gestelde problemen.

Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daarvoor geen goede verklaring.

9.3.

Eiser stelt dat hij een groot deel van zijn leven buiten Europa heeft gewoond en nooit eerder asiel heeft aangevraagd en derhalve niet op de hoogte is van de wetten, regels en gebruiken in Nederland. Eiser was niet op de hoogte van het vereiste van de onverwijlde aanmelding. Hij vertrouwde op de informatie verkregen via sociale media en landgenoten en heeft op advies van zijn vrienden zes maanden gewacht met het aanvragen van asiel.

9.4.

Dit betoog slaagt niet. Eiser is Nederland op 20 of 25 januari 2023 ingereisd en heeft zich pas op 31 augustus 2023 gemeld voor asiel. De minister stelt terecht dat eiser geen verschoonbare reden heeft voor het niet op tijd melden voor asiel. Dat eiser niet wist hoe een asielprocedure in Nederland eruitziet betekent niet dat hij dit niet had kunnen weten door zich tijdig te melden in een land waar hij asiel aanvraagt. Bovendien heeft eiser verklaard op advies van vrienden zes maanden te hebben gewacht met het indienen van een asielaanvraag zodat een ander land dan niet meer verantwoordelijk zou zijn. Het niet onverwijld melden duidt daarom op strategisch gedrag en niet op een acute vlucht voor vervolging.

Tussenconclusie

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Jemen?

11. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet aanmerkt als vluchteling. Eiser heeft in Nederland meegedaan aan protesten tegen de Houthi’s, waarbij hij herkenbaar op foto’s en video’s staat. Het is aannemelijk dat deze beelden bij de Houthi’s terecht zijn gekomen. Er is geen rekening gehouden met het gegeven dat de Houthi’s communicatiemiddelen afluisteren en eiser contact heeft gehad met zijn neven. Tijdens het bezoek van de Houthi’s aan de deur hebben ze expliciet zijn volledige namenreeks genoemd en aangegeven dat zij hem hebben waargenomen op de beelden. Ook kan eiser worden aangemerkt als vluchteling vanwege zijn Hasjemitisch etniciteit. Hij wordt geïntimideerd, beledigd en bedreigd.

11.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn deelname aan de protesten in Nederland. De minister volgt weliswaar dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een sterke politieke overtuiging. Eiser heeft verklaard dat hij niet politiek actief was in Jemen en verklaart ook in Nederland niet politiek actief te zijn.[_69fc931a-8089-4c4d-aea9-cf67cd3cc8f6] Eiser heeft verder foto’s en een video overgelegd van een demonstratie in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze beelden leiden tot negatieve aandacht of monitoring door de Houthi’s. Uit niets is gebleken dat de Houthi’s deze beelden hebben gezien, laat staan dat ze daarop eiser hebben geïdentificeerd. Zo is door eiser verklaard dat hij niet is geïnterviewd, dat zijn naam niet is genoemd en dat hij niet weet of de Houthi’s daadwerkelijk naar hem op zoek zijn.[_eb16f2c7-3c7e-45ed-ad48-9a910d271939] Eiser heeft derhalve geen concrete aanwijzingen overgelegd waaruit blijkt dat hij persoonlijk herkenbaar en herleidbaar is. Dat de Houthi’s aan de deur zijn geweest heeft de minister terecht ongeloofwaardig geacht zoals volgt uit overweging 9.2. Uit de algemene landeninformatie volgt ook niet dat de Houthi’s aandacht besteden aan protesten in het buitenland.

11.2.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister voorts terecht dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Hasjemitische etniciteit. Hasjemieten vormen geen risicogroep. Uit openbare bronnen volgt dat Hasjemieten in Jemen een ambigue positie hebben, hetgeen betekent dat er geen eenduidig, landelijk patroon bestaat van vervolging van (soennitische) Hasjemieten. Uit eisers verklaringen volgt verder geen consistent beeld van structurele vervolging. Eiser verklaart enerzijds dat soennitische Hasjemoeten stelselmatig onder druk worden gezet door de Houthi’s, terwijl hij anderszins verklaart dat hij persoonlijk geen structurele problemen heeft ervaren vanwege zijn Hasjemitische afkomst. Dit maakt daarom eisers stelling dat Hasjemieten, en hijzelf in het bijzonder, stelselmatig door de Houthi’s worden vervolgd niet aannemelijk. Bovendien is niet gebleken dat eiser persoonlijk vanwege zijn Hasjemitische afkomst door de Houthi’s is benaderd, bedreigd of gedwongen om zich aan te sluiten bij hen. Verder is niet gebleken dat de door eiser gestelde – maar niet onderbouwde – beledigingen, intimidatie en dreiging vanwege zijn afkomst zodanige ernst en structureel karakter hebben dat gesproken kan worden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade?

12. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser betoogt dat de minister zijn langdurige verblijf in Nederland van drie jaar had moeten betrekken in de beoordeling of hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hij verwijst daartoe naar informatie van een onderzoeker aan het Sanaa Center for Strategic Studies. Daaruit volgt dat elke Jemeniet die banden heeft met het Westen ervan beschuldigd kan worden een verrader te zijn in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden. Eiser betoogt verder dat de minister met de beleidswijziging van 17 oktober 2025[_977cb37e-73ca-4c55-afd1-239d9e1813a4] onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Sana’a, Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Hiermee is niet voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025.[_060f0b18-91e7-4427-bc7c-86486a783122] Eiser verwijst ter onderbouwing naar twee uitspraken van deze rechtbank waarin ernstige twijfels worden geuit over het beleid ten aanzien van Jemen en de motivering ten aanzien van de veiligheid in Jemen.[_163d8867-6f73-488d-97ab-9e847db32442] Eiser betwist verder de juistheid van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026.[_544b8c29-80f7-4f3e-bc07-b11478487734] Tot slot heeft eiser betoogd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Jemen wegens de humanitaire situatie geen reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Eiser verwijst hierbij naar het arrest Sufi en Elmi.[_62ac8e9a-4dc6-41ed-a4ea-5143c4d994ac] De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen. De minister heeft dit ten onrechte niet los beoordeeld.

Banden met het Westen

12.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade doordat hij banden zou hebben met het Westen. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de informatie, die dateert van juli 2024, betrekking heeft op een persoon die werkzaam was voor de Nederlandse ambassade en juist vanwege die werkzaamheden problemen heeft ondervonden. Niet is gebleken dat dit een vanuit het Westen teruggekeerde Jemeniet betrof, dat eiser vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht of zich in vergelijkbare omstandigheden bevindt, zodat hieruit niet volgt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade De beroepsgrond slaagt niet.

Willekeurig geweld

12.2.

De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.[_19935e45-fa98-4045-975a-99713f7b4f1c] De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het ambtsbericht 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.

12.3.

De minister heeft in de besluitvorming, onder verwijzing naar WBV 2025/20, gemotiveerd dat in Sana’a sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt en wijst daarbij op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026.[_2155956e-3207-4eab-bbb7-ff0ae3dd0207] In deze uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister in het beleid, zoals volgt uit WBV 2025/20, terecht heeft aangenomen dat zich in Sana’a niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet. De verwijzing van eiser naar uitspraken van andere zittingsplaatsen die tot het oordeel komen dat het beleid (WBV 2025/20) van de minister nog steeds onvoldoende gemotiveerd is,[_25e7a444-19c3-4f98-95df-9198bad9d41a] geeft onvoldoende aanknopingspunten om niet langer uit te gaan van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 5 februari 2026. Dat andere zittingsplaatsen op basis van dezelfde feiten tot een andere conclusie komt dan deze zittingsplaats, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Dat de situatie in Sana’a nog steeds onrustig is en er nog steeds veel conflicten zijn en daarom van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026 moet worden afgeweken, slaagt niet. Ook dat is onvoldoende voor een ander oordeel. Dat sprake is van een conflict, is namelijk niet in geschil. De minister stelt terecht dat geen sprake is van een conflict van dien aard dat het enkel aanwezig zijn in Sana’a al maakt dat eiser risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld

12.4.

Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, dient eiser aannemelijk te maken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.[_c2fc5cf7-faa2-4231-b4ea-2d17cb2dda31] De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft als individuele omstandigheden namelijk naar voren gebracht dat hij vanwege de problemen met de Houthi’s een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Deze individuele omstandigheden zien echter niet op willekeurig geweld, maar op gericht geweld. Ook de discriminatie vanwege zijn Hasjemitische etniciteit en zijn verblijf in Europa zien niet op willekeurig geweld. Daarmee maakt eiser niet aannemelijk dat hij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt.

Artikel 3 van het EVRM

12.5.

De minister heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat eiser geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM gelet op de humanitaire omstandigheden in Sana’a. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat onvoldoende is onderbouwd dat eiser niet in zijn basisbehoefte zou kunnen voorzien. Hij heeft namelijk onderdak en familie in Jemen waardoor niet aannemelijk is dat eiser niet in zijn basisbehoefte zou kunnen voorzien.

Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat een van de situaties uit het arrest Sufi en Elmi betrekking heeft op zijn persoonlijke situatie.

Mocht de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaren en eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opleggen?

13. Eiser betoogt dat de minister de asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afwijzen. Dit kan namelijk alleen als er in redelijkheid geen enkele twijfel mogelijk is dat de vreemdeling geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. Daar is geen sprake van gelet op het betoog van eiser. Eiser voert aan dat er daarom ook geen terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd had moeten worden. Van eiser kan gezien bovenstaande niet gevraagd worden dat hij terugkeert naar Jemen.

13.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard kan worden op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw 2000. Eiser heeft namelijk niet zo spoedig mogelijk asiel aangevraagd en heeft daarvoor geen goede reden zoals is geoordeeld onder 9.4. Dat maakt dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit heeft mogen opleggen waarin hij bepaalt dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.[_eed9198a-3f40-444c-a8cc-9777a6d43dc5] De minister heeft daarom aan eiser ook een inreisverbod mogen opleggen.[_c3e792d3-c927-4cef-bf82-c8cbb93bce8f] Dat eisers vrouw nog in Nederland is en zich in de asielprocedure bevindt, doet hier niet aan af.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand kan blijken. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd onder 8.4, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van gronden tegen het besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4158 en 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1739.
  2. Rb. Den Haag (zp. Roermond) 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
  3. Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
  4. Dit volgt ook uit pagina 3 van het voornemen van 20 januari 2026.
  5. ECLI:N:RVS:2018:4116, rechtsoverweging 3.2 en ECLI:NL:RVS:2023:3350, rechtsoverweging 1.
  6. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
  7. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
  8. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
  9. Nader gehoor, pagina 18 en 9.
  10. Nader gehoor, pagina 9.
  11. Nader gehoor, pagina 18.
  12. Nader gehoor, 7, 8, 16 en 19.
  13. Nader gehoor, pagina 16 en 18.
  14. Nader gehoor, pagina 9 en 18.
  15. Nader gehoor, pagina 12.
  16. Nader gehoor, pagina 15.
  17. Nader gehoor, pagina 16.
  18. Nader gehoor, pagina 10.
  19. Nader gehoor, pagina 14 en 16.
  20. WBV 2025/20.
  21. ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
  22. Rb. Den Haag (zp. Den Haag) 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143 en Rb Den Haag (zp. Utrecht), ECLI:NL:RBDHA:2026:10815.
  23. Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2066.
  24. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907
  25. ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.
  26. Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2066.
  27. Rb. Den Haag, zp. Rotterdam, 14 april 2026 ECLI:NL:RBDHA:2026:9143 en rb. Den Haag, zp. Utrecht, 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10815.
  28. Dat volgt uit arrest X en Y (ECLI:EU:C:2023:843) en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
  29. Artikel 62, tweede lid aanhef en onder b, van de Vw 2000.
  30. Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.