Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31508Zaaknummer NL26.61306
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.61306
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van 59.1.a. Voldoende voortvarend en zicht op uitzetting naar Mozambique. Eiser zelf niets ondernomen om identiteit en nationaliteit aan te tonen
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.61306
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
gemachtigde: mr. S. Guman,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 25 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 16 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.[_eb1808e8-9c8a-41c5-bd3e-187870fb1dd3]
4. Uit de uitspraak van 25 augustus 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek op 20 augustus 2026 rechtmatig is.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Mozambique bestaat.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de laissez passer (lp) aanvraag loopt en eiser op 17 juli 2026 is gepresenteerd. Er wordt regelmatig gerappelleerd, laatstelijk op 30 september 2026 en er worden regelmatig vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatstelijk op 13 oktober 2026. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende voortvarend handelt. Op 28 augustus 2026 heeft de ambassade van Mozambique in Brussel laten weten dat er nog geen resultaat bekend is van het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser en dat zij de ambassade van Mozambique in Lissabon hebben verzocht hen te ondersteunen bij het onderzoek naar het verleden van eiser in Portugal. Dat sprake zou zijn van rechtmatig verblijf in Portugal is nog niet gebleken. Verder is niet gebleken dat de autoriteiten van Mozambique hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het primair op de weg van eiser ligt om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en is het eisers verantwoordelijkheid om het vertrek naar zijn land van herkomst mogelijk te maken. Eiser heeft tot op heden geen documenten overgelegd en niet is gebleken dat hij hiertoe enige inspanning heeft verricht. Uit de vertrekgesprekken blijkt dat eiser niets heeft ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dat het lp-traject en de bewaring van eiser voortduurt, ligt dus ook aan eiser zelf. De minister is daarom afhankelijk van het onderzoek dat door de autoriteiten van Mozambique wordt verricht. Het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. In het enkele feit dat eiser verklaart medewerking te willen verlenen aan terugkeer heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor het opheffen van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten.[_4dcbbdc5-f210-4653-8835-e2d14d71fdbb]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.
- ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:NL:RVS:2026:329.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.