Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31503Zaaknummer NL26.43684
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.43684
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Asiel, Mexico, transgender, geen gegronde vrees voor vervolging, kennelijk ongegrond, nationaliteit met inwilligingspercentage van minder dan 20%, artikel 42, eerste lid onder j, van de Procedureverordening, beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist de aanvraag om de verblijfsvergunning asiel af te wijzen als kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000;
- bepaalt dat deze uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat eiser na verzending van deze uitspraak Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43684
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat, hoewel de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond, hij de aanvraag onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het besluit bevat daarom een motiveringsgebrek en het beroep is gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, omdat de minister de asielaanvraag wel ongegrond mocht verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 augustus 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening[_775e39fc-f404-4975-b48e-1f0f513e5aa0], op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Mexicaanse nationaliteit. Zijn stiefvader heeft in Mexico doodsbedreigingen ontvangen. Bij terugkeer vreest eiser voor problemen met de criminelen die hiervoor verantwoordelijk zijn. Daarnaast is eiser een transgender man. In Mexico zijn volgens eiser de mogelijkheden voor transpersonen op het gebied van werk en medische hulp beperkt. Ook vreest hij voor het, soms dodelijke, geweld tegen transgenders.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Deel uitmaken van de lhbtiq+-gemeenschap;
3. Problemen met criminelen.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, evenals het feit dat eiser tot de lhbtiq+-gemeenschap behoort. De minister acht echter niet geloofwaardig dat eiser zelf problemen heeft met criminelen. Volgens de minister volgt uit de geloofwaardig geachte asielmotieven niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade heeft. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de Mexicaanse nationaliteit heeft en volgens de meest recente beschikbare Eurostat-gegevens het inwilligingspercentage voor personen met dezelfde nationaliteit 20 procent of minder bedraagt.
Heeft de minister ten onrechte het politiek activisme van eiser niet als asielmotief beoordeeld?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn politiek activisme niet als afzonderlijk asielmotief heeft beoordeeld. Hij voert aan dat hij als transgender opkomt voor de rechten van onder meer transgenders en dat dit moet worden aangemerkt als politiek activisme. In dat kader verwijst eiser naar het arrest S.A. van het Hof van Justitie waaruit volgens hem volgt dat politiek activisme ruim moet worden uitgelegd.[_09a9406c-7048-4b33-9f60-77ed89e4e13d]
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het politiek activisme in het bestreden besluit terecht niet als afzonderlijk asielmotief aangemerkt. Eiser heeft tijdens het gehoor namelijk verklaard dat hij twee redenen heeft om asiel aan te vragen: enerzijds de problemen van zijn stiefvader met criminelen en anderzijds de beperkte mogelijkheden voor transpersonen op het gebied van werk, medische ondersteuning en het hebben van een waardig leven.[_2f3e2432-dee0-41b9-b763-68c3748feddc] Hoewel eiser in het gehoor wel heeft verklaard dat hij heeft deelgenomen aan twee demonstraties waarbij aandacht werd gevraagd voor de rechten van transgenders, heeft hij echter ook verklaard dat hij naar aanleiding van deze demonstraties geen problemen heeft ondervonden[_145391bb-874f-4c59-90f5-af21e54a3243] en dat hij nooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging.[_124427a1-dc63-4363-912e-4c11de6097cb] Hij heeft zijn deelname aan de demonstraties dan ook niet in verband gebracht met een vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Mexico. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de minister onder deze omstandigheden eisers deelname aan de demonstraties niet als een afzonderlijk asielmotief te beoordelen. Dat het begrip politieke overtuiging in het kader van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming ruim moet worden uitgelegd, maakt dit niet anders. De vraag of sprake is van een politieke overtuiging staat immers los van de vraag of eiser stelt dat hij vanwege die overtuiging bij terugkeer een risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Voor zover eiser met zijn beroepsgrond alsnog beoogt aan te voeren dat hij vanwege zijn politieke activiteiten bij terugkeer naar Mexico te vrezen heeft voor vervolging, oordeelt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een in beroep nieuw ingebracht asielmotief in beginsel bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken, maar dat daarvoor onder meer is vereist dat het tijdig en voldoende concreet is aangevoerd.[_bb53385c-39b3-4d7c-a953-fd2881251705] Indien het nieuwe asielmotief onvoldoende concreet is om binnen de beroepsprocedure naar behoren te kunnen worden onderzocht, kan het buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. Eiser heeft bijvoorbeeld niet concreet toegelicht welke vervolging hij vanwege zijn deelname aan de demonstraties vreest, welke politieke activiteiten hij bij terugkeer naar Mexico zou willen verrichten, van wie die dreiging zou uitgaan en waarom hij bij terugkeer vanwege deze of toekomstige activiteiten in de negatieve belangstelling van de autoriteiten of anderen zou komen te staan. De enkele stelling dat zijn deelname aan demonstraties moet worden aangemerkt als politiek activisme is daarvoor onvoldoende. Het alsnog inhoudelijk onderzoeken van dit niet nader geconcretiseerde asielmotief zou een nadere beoordeling door de minister vergen. Gelet op het stadium van de procedure en het ontbreken van een voldoende concrete grondslag voor dit motief, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding dit motief bij de beoordeling van het beroep te betrekken.
Heeft de minister terecht geoordeeld dat eiser niet hoeft te vrezen voor vervolging vanwege zijn transgenderidentiteit?
6. Eiser betoogt dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij vanwege zijn transgenderidentiteit niet hoeft te vrezen voor vervolging. Volgens eiser heeft de minister zich in het bestreden besluit voornamelijk gericht op de vraag of de door hem ondervonden discriminatie de drempel van vervolging bereikt, maar onvoldoende beoordeeld of transgenders in Mexico te vrezen hebben voor structureel en soms dodelijk geweld. In dat kader heeft eiser verwezen naar verschillende openbare bronnen.[_b549f185-c84a-4011-9c97-ade4494d20d2] De minister heeft in het bestreden besluit enkel overwogen dat dodelijk geweld ‘weleens’ voorkomt. Volgens eiser is echter niet duidelijk op basis van welke informatie en met welke bronnen zijn verklaringen zijn beoordeeld. Daardoor kan niet alleen niet worden vastgesteld of de gebruikte informatie voldoet aan de daaraan te stellen eisen, maar wordt eiser ook beperkt in zijn verdediging.
De rechtbank kan eiser in dit standpunt niet volgen. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister niet alleen de door eiser gestelde discriminatie heeft beoordeeld, maar ook de door hem gestelde vrees voor (dodelijk) geweld. In dat kader heeft de minister algemene landeninformatie betrokken, waaronder informatie van de International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association (ILGA) over de positie van lhbtiq+-personen in Mexico.[_c624e38c-a8f9-49c5-8f72-40d505bce40d] Hieruit volgt dat er geen sprake is van wettelijke beperkingen of vervolging door de overheid tegen personen uit de lhbtiq+-gemeenschap en dat de wet in Mexico bovendien bescherming biedt tegen discriminatie op basis van genderidentiteit. De minister heeft verder onderkend dat transgenders in Mexico met uitdagingen en geweld te maken kunnen krijgen, maar dat dit gegeven als zodanig niet de conclusie rechtvaardigt dat de algemene situatie voor lhbtiq+-personen in Mexico dusdanig slecht is dat alleen op grond hiervan al kan worden geconcludeerd dat eiser als transgender internationale bescherming nodig heeft. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke informatie de beoordeling van geweld tegen transgenders is gebaseerd. De minister heeft in het bestreden besluit verwezen naar de informatie van ILGA en heeft op zitting toegelicht dat ook de omstandigheid dat geweld tegen transgenders voorkomt uit die informatie volgt. Daarmee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt welke informatie aan deze beoordeling ten grondslag ligt.
De in beroep door eiser overgelegde nieuwsartikelen en statistieken leiden niet tot een ander oordeel. Hoewel uit deze bronnen blijkt dat transgenders in Mexico geconfronteerd kunnen worden met discriminatie en ernstig, waaronder dodelijk geweld, is daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat iedere transgender bij terugkeer naar Mexico te vrezen heeft voor vervolging. Daarbij is van belang dat de overgelegde nieuwsberichten voornamelijk betrekking hebben op geweld tegen transvrouwen en daarmee niet zonder meer iets zeggen over het risico dat eiser, als transman, loopt. Verder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij bij terugkeer een bijzonder risico op dergelijk geweld loopt. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn transgenderidentiteit discriminatie heeft ondervonden, maar niet dat hij eerder slachtoffer is geweest van geweld of bedreigingen.[_1f5358b6-f5ac-4f4f-91bc-ffcf3d78b28a] Het ontbreken van dergelijke problemen is op zichzelf niet beslissend, maar vormt in samenhang met de overige omstandigheden wel een relevante omstandigheid bij de beoordeling van eisers individuele vrees. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn transgenderidentiteit bij terugkeer naar Mexico een gegronde vrees voor vervolging heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen?
7. De minister heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de Mexicaanse nationaliteit heeft en dit een nationaliteit is waarvoor in 20 procent of minder van de gevallen internationale bescherming wordt verleend. Uit de meest recente door Eurostat gepubliceerde gegevens blijkt namelijk dat het inwilligingspercentage voor eerste asielaanvragen van personen met de Mexicaanse nationaliteit 12,7 procent bedraagt. De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat dit inwilligingspercentage voor eiser niet representatief is.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn asielaanvraag om deze reden als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Hij voert onder meer aan dat niet duidelijk is of het percentage van 12,7 procent daadwerkelijk kan worden aangemerkt als het vereiste jaargemiddelde voor de gehele Europese Unie. Uit de aangepaste gegevensverzameling van Eurostat blijkt dat het jaargemiddelde voor Mexico in 2025 is gebaseerd op gegevens van slechts drie lidstaten.[_ccb21968-0c5d-4fc7-bc35-a58b31cc85ce] Er kan daarom niet gesproken worden van een jaargemiddelde voor de gehele Europese Unie. Ook betoogt eiser dat het inwilligingspercentage over 2025 niet representatief is. In 2024 was het inwilligingspercentage namelijk 24,3 procent en in het eerste kwartaal van 2026 was dit 21,1 procent. Ten tweede voert eiser aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft onderbouwd waarom het gemiddelde inwilligingspercentage van 12,7 procent representatief is voor de beschermingsbehoefte van de specifieke categorie waartoe hij behoort, nu hij transgender is en zijn asielmotief verband houdt met zijn transgenderidentiteit, Ten slotte betoogt eiser dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft onderzocht of zich sinds de publicatie van het inwilligingspercentage in Mexico een belangrijke wijziging heeft voorgedaan. Dit schrijft artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening wel voor.
De minister heeft op de zitting gereageerd op de gronden van eiser. De minister heeft zich ten aanzien van de representativiteit onder meer op het standpunt gesteld dat gekeken wordt of voor het betreffende land landenbeleid bestaat. Omdat voor Mexico geen landenbeleid bestaat, is het volgens de minister aan eiser om te onderbouwen dat hij behoort tot een categorie van personen voor wie het inwilligingspercentage niet representatief is.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening bepaalt dat een ongegronde aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen indien een van de omstandigheden van artikel 42, eerste lid, van die verordening van toepassing is. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening ziet onder meer op de situatie waarin voor het land van nationaliteit volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie het inwilligingspercentage 20 procent of minder bedraagt. De bepaling bevat echter een uitdrukkelijke uitzondering voor het geval de beslissingsautoriteit oordeelt dat de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie dat lage inwilligingspercentage niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd. Bij die beoordeling moet onder meer rekening worden gehouden met aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen. Ook kan de grond niet worden tegengeworpen indien zich sinds de publicatie van de betreffende Eurostat-gegevens een belangrijke wijziging in het betrokken derde land heeft voorgedaan.
De rechtbank laat in het midden of het gehanteerde percentage van 12,7 procent het juiste EU-jaargemiddelde is en of zich in Mexico een belangrijke wijziging heeft voorgedaan. Los hiervan moet namelijk nog steeds worden beoordeeld of dit inwilligingspercentage representatief is voor de beschermingsbehoeften van de categorie waartoe eiser behoort. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat dit het geval is.
Eiser heeft naar voren gebracht dat hij transgender is, dat zijn asielmotief verband houdt met zijn transgenderidentiteit en heeft informatie overgelegd over de positie van transgenders in Mexico. Daarmee heeft eiser voldoende onderbouwd dat hij tot een categorie van personen behoort, waarvoor artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening uitdrukkelijk ruimte laat om af te wijken van de toepassing van het algemene inwilligingspercentage.
Voor zover de minister stelt dat het ontbreken van landenbeleid bepalend is, volgt de rechtbank hem niet. Uit artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening volgt een dergelijke beperking niet. De bepaling verlangt een beoordeling van de representativiteit van het inwilligingspercentage voor de beschermingsbehoeften van de categorie waartoe de vreemdeling behoort.
De minister heeft echter niet kenbaar beoordeeld of het percentage representatief is voor transgenders in Mexico. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de minister heeft onderkend dat transgenders in Mexico met discriminatie en geweld te maken kunnen krijgen, en uit de overgelegde informatie volgt dat ernstig en soms dodelijk geweld voorkomt. Dat deze informatie eisers individuele vrees niet aannemelijk maakt, betekent niet dat deze zonder betekenis is voor de afzonderlijke vraag naar de representativiteit van het percentage voor deze categorie. Verder blijkt uit IND Informatiebericht 2026/37, waarin de minister uitleg geeft over de toepassing van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening, dat de IND op basis van beschikbare landeninformatie moet beoordelen of het inwilligingspercentage representatief is, waarbij wordt gekeken naar expliciete aandacht voor de groep en meldingen van (significant ernstige) negatieve bejegening. In het geval van eiser is dit niet op deze wijze beoordeeld. De enkele overweging dat niet is gebleken dat het percentage voor eiser niet representatief is, is onvoldoende.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij de aanvraag met toepassing van artikel 39, vierde lid, in samenhang met artikel 42, eerste lid, aanhef en onder j, van de Procedureverordening als kennelijk ongegrond kon afwijzen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, gelet op dat wat hiervoor is overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel af te wijzen als kennelijk ongegrond. Omdat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Dit houdt tevens in dat de uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat de vertrektermijn vier weken bedraagt. Deze vertrektermijn vangt aan met ingang van de dag na verzending van een afschrift van deze uitspraak aan partijen. De termijn voor het indienen van een hogerberoepsschrift bedraagt vier weken.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist de aanvraag om de verblijfsvergunning asiel af te wijzen als kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000;
- bepaalt dat deze uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat eiser na verzending van deze uitspraak Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Met zaaknummer NL26.43685.
- HvJ EU 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688 (S.A).
- Verslag gehoor, p. 22.
- Verslag gehoor, p. 17.
- Verslag gehoor, p. 14.
- ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073
- Eiser heeft verwezen naar verschillende (nieuws)artikelen en websites, namelijk AP, ‘Wave of transgender slaving in Mexico spurs anger and protests by LGBTQ+ community’ (16 januari 2024); Advocate, ‘3 transgender people were slain in just two weeks. The community wants answers’ (17 januari 2024); Human Rights Experts, ‘LGBT Mexicans Face Deadly Violence Despite Legal Protections’ (27 januari 2026); Agencia Presentes, ‘Mexico registran 11 transfeminicidios desde que comenzo’ (4 mei 2026), CLACSO, ‘In solidarity with the trans people who have suffered violence at the hands of the Mexican Ministry of the Interior’ (ongedateerd).
- LGBTI Rights in Mexico | ILGA World Database.
- Verslag gehoor, p. 17.
- https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/migr_asydec1pc__custom_22440688/bookmark/table?lang=en&bookmarkId=005abb53-c4ec-4ebf-aec4-1c4a97757d70&c=1788074664000
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.